Zaterdag 22/01/2022

OpinieJonathan Holslag

De geschiedenis herhaalt zich telkens een beetje. Macht leidt steevast tot overmoed

Taliban-strijders rijden met een truck door Kaboel. Beeld AFP
Taliban-strijders rijden met een truck door Kaboel.Beeld AFP

Jonathan Holslag doceert aan de Vrije Universiteit Brussel. Zijn boek Van muur tot muur: de wereldpolitiek sinds 1989 verschijnt in september.

Jonathan Holslag

Als we Afghanistan als het kerkhof van wereldrijken beschouwen, dan is roekeloosheid het doodvonnis dat wereldrijken op dit kerkhof bracht. Er zijn verschillende conclusies te trekken uit de inname van Kaboel door de taliban. Maar de meest dwingende les is dat wereldrijken ondanks hun strategen, spionnen en diplomaten vaak nauwelijks lessen leren uit de geschiedenis. Oorlogen worden niet gepland; ze dringen zich op. En als het zover komt, spelen kennis en strategie amper een rol.

De Verenigde Staten hadden zich in 2001 nochtans voorgenomen om de terroristen in Afghanistan aan te pakken zonder de blunders van de Sovjets, de Britten, de Indiase Mogols en andere rijken. “We zijn niet van plan de fouten van de Sovjets te herhalen”, stelde generaal Tommy Franks. De eerste fout van de Sovjets was roekeloosheid. In 1979 viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen. Zij wilde wraak voor de opstand tegen het marionettenregime van de Democratische Volkspartij en de moord op de president.

De Sovjet-oorlog was een combinatie van hoogmoed en vergelding. “Het belangrijkste feit in de wereld is de voortdurende opmars van het socialisme”, oreerde buitenlandminister Andrej Gromyko. Het feit dat de Sovjet-stroman in Kaboel brutaal met een kussen werd gewurgd, kon men niet ongestraft laten. Russische historici waarschuwden: hadden de Britten eerder niet hun tanden stukgebeten op het gebied? Het leger voorspelde dat een invasie tienduizenden soldaten vereiste en lang zou duren. Politiek klonk het: “Wij maken het beleid hier en het is jullie taak om dat militair uit te voeren.”

Sovjet-soldaten overschouwen het Afghaanse hoogland, in april 1988. Beeld AP
Sovjet-soldaten overschouwen het Afghaanse hoogland, in april 1988.Beeld AP

Het overkwam de Amerikanen op dezelfde wijze. Na 9/11 was zowat iedereen het erover eens dat de terroristen in hun Afghaanse schuiloord moesten worden aangepakt. Historici, academici en militairen pleitten voor een chirurgische ingreep tegen Al Qaida. In de drie opties die het Pentagon aan president George W. Bush voorstelde primeerden bommen en raketten. Tegen het eind van 2001 besliste het Witte Huis enkele duizenden soldaten in te zetten om met de noordelijke stammen van Afghanistan Al Qaida en de taliban af te straffen. Maar de opdracht zou beperkt blijven.

Mission creep

De Sovjets hadden dat in 1979 aanvankelijk ook voor ogen, een beperkte operatie. Maar gaandeweg verschoof het objectief van militaire vergelding naar politieke transitie: het steunen van een weinig populaire democratische republiek. Hoewel de militairen bleven waarschuwen voor een dure grondoorlog werden steeds meer troepen naar Afghanistan gestuurd, troepen die vaak slecht voorbereid waren om in de bergen te vechten en al helemaal om een nieuwe politieke orde te bouwen. Tegen 1981 begon het in het Kremlin te dagen dat zo'n brede ambitie risicovol was.

Amerikaanse deskundigen waarschuwden al in 2002 voor de dreiging van een ‘mission creep’. Rachel Bronson schreef dat een stabilisatiemissie in Afghanistan ten koste zou gaan van Amerika’s “vermogen om elders macht te projecteren”. De legertop maakte ook duidelijk dat het tienduizenden troepen zou vereisen en bijzonder moeilijk zou worden. De politiek zette door. De verkiezingen van 2004 kwamen eraan. Zo stelde een generaal: “We willen er zeker van zijn dat dat evenement goed verloopt.”

De beoogde politieke transitie gaf uiting aan westerse overmoed, een buitensporig geloof in de plicht democratie te verspreiden en in de maakbaarheid van samenlevingen. Het was een soort neoconservatief-liberale consensus, waarbij de export van democratie werd gekoppeld aan een soort humanitair messianisme. Het Westen eigende zich een verantwoordelijkheid om burgers te beschermen toe. Het lag toen nog niet wakker van strategische rivalen als Rusland en China. Het Westen kon zich dat roekeloze idealisme toen veroorloven. Dit was, net zoals de Sovjets twintig jaar eerder de ongenaakbaarheid van het socialisme hadden verklaard, de westerse zorgeloze almacht op haar hoogtepunt. Bovendien waren Amerikaanse bondgenoten bereid die taak van stabilisatie grotendeels voor zich te nemen.

Kleine fortjes

Die mission creep maakte de interventie kwetsbaar. De politieke ambities en het doel stabiliteit te brengen zorgden ervoor dat snelle aanvallen tegen Al Qaida en de taliban plaatsmaakten voor statische aanwezigheid en lange konvooien. Om het verworven terrein te behouden, moesten de taliban steeds verder worden verjaagd. Maar de taliban hergroepeerden. De buitenlandse ‘bezetter’ mocht de valleien domineren; de taliban behielden de bergen. “De bergen zijn onze beste vrienden.” De bezetter mocht de steden controleren; de taliban behielden honderdduizenden qala, gehuchten die historisch vaak groeiden als kleine fortjes van clans.

Nochtans was ook dat een belangrijke les. De Sovjet-geschiedkundige Naftula Aronovich Khalfin beschreef in zijn meesterwerk over de Brits-Afghaanse oorlogen haarfijn hoe de Afghanen het onherbergzame terrein gebruikten om de Britten in de negentiende eeuw uit te putten in een guerrillastrijd. De Sovjet-leiders negeerden die historische les begin de jaren tachtig. Sovjet-soldaten werden dieper het terrein in gelokt en leden verliezen. De tegenstander leek ongrijpbaar; zijn bron van rekruten onuitputbaar.

Het Afghaanse leger, in december 2001. Beeld AFP
Het Afghaanse leger, in december 2001.Beeld AFP

Washington was opnieuw niet blind voor die les, maar deed er weinig mee. Ondanks verschrikkelijke verliezen, schreef Milton Bearden in 2001, bleven de Afghanen de Sovjets beschrijven. Jeffrey Eggers, een voormalige Navy SEAL, besluit: “Slechts enkele malen pauzeerden we om ons af te vragen wat de troepen precies deden in Afghanistan.” In 2005 bevestigde generaal Richard Myers dat de operatie in Afghanistan het leger had “opgerekt tot een punt waarop het minder wendbaar was geworden”.

Uitputting

Het Westen keek aan tegen dezelfde beperkingen als de Sovjets en de Britten. De meerderheid van de Afghanen beschouwden de westerse troepen als een bezettende macht. Terwijl de toekomst van de buitenlanders onzeker was, demotivatie toesloeg en de oorlog bij het westerse thuisfront steeds minder populair werd, leken de gewapende clans en stammen een zekerheid. De uitputting werd zichtbaar; de taliban dienden ze alleen maar te bespoedigen.

Ook dat was een belangrijke historische les. Winston Churchill tekende ze op in zijn Story of the Malakand Field Force. Voor vele rijken is Afghanistan een bruut achterland dat weinig strategische waarde heeft, op een aantal bergpassen na, en waar men zo snel als mogelijk de benen wil nemen. En zodra je je tegenstander te kennen geeft eigenlijk zo snel mogelijk weg te willen, neemt die het initiatief over middels demoraliserende guerrilla. Militaire campagnes maken pas kans als de bevolking weet dat je wilt en kunt blijven.

Het Westen had een bijkomende handicap. In tegenstelling tot de Sovjets en de Britten voerden zij oorlog met de handrem op. Hoewel we geschokt zijn door de beelden van Guantánamo waren de campagnes van de Britten en de Sovjets vele malen bloediger. De Sovjets pasten massale vergelding toe op opstandige dorpen en dat leverde hun tegen het eind van de jaren tachtig belangrijke terreinwinst op. Even was de intimidatie van de Sovjet-helikopters en massale artillerie groter dan die van de Afghaanse rebellen.

De Patanen

Op dat kantelpunt werd de Sovjets echter de pas afgesneden door een externe speler. De Stinger-luchtdoelraketten die de Amerikanen aan de Moedjahedien leverden maakten het de Sovjet-luchtmacht moeilijk, waardoor de rebellen het initiatief terugpakten. Dat brengt ons bij een volgende les: je wint geen lokale oorlog als andere grootmachten stokken in de wielen kunnen steken.

De westerse interventie in Afghanistan werd vooral bemoeilijkt door Pakistan. Hoewel de Amerikanen miljarden aan het land uitkeerden bleef Islamabad terughoudend in het bestrijden van de taliban. Vooral in het Pakistaanse leger klonk het dat de Amerikanen niet wisten waar zij mee bezig waren en dat de aanwezigheid van de taliban bestendiger zou zijn dan die van het Westen. Bovendien zijn de Patanen, de twee grootste etnische groep in het land, flink aanwezig in het Pakistaanse leger en controleren zij de grensgebieden met Afghanistan. De taliban zijn overwegend Patanen.

Tussen 2001 en 2021 heeft het Pakistaanse gedoogbeleid tegenover de taliban een even nefaste impact gehad op de westerse operatie als de Amerikaanse Stingers op de invasie van de Sovjets. De Pakistanen waren daartoe in staat doordat zij de Amerikanen meedogenloos uitspeelden tegen de Chinezen en van beiden forse economische en militaire steun losweekten.

De geschiedenis herhaalt zich telkens een beetje. Macht leidt steevast tot overmoed. Dat is een eerste belangrijke les. Daarnaast maakt Afghanistan duidelijk dat de beschikbaarheid van kennis zelden tot nuchtere keuzes aanzet en dat ondanks alle nuchtere strategieën de wereldpolitiek nog steeds gedreven wordt door hebzucht, wraak en overmoed. Er worden lessen uit de geschiedenis getrokken, maar we passen ze niet toe. De inname van Kaboel bevestigt het einde van een tijdperk van westerse dominantie. Wat eerder de Britten en de Sovjets overkwam, overkomt vandaag het Westen. En er zullen er vast nog volgen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234