Woensdag 26/01/2022

EssayBregje Hofstede

Wat een voorspelbaar relletje met Herman Brusselmans mij leerde over polemiek anno Twitter

Herman Brusselmans en Bregje Hofstede. Beeld Joris Casaer
Herman Brusselmans en Bregje Hofstede.Beeld Joris Casaer

Bregje Hofstede is schrijver, De Morgen-columnist en auteur van journalistiek platform De Correspondent. Dit artikel verscheen eerder op decorrespondent.nl.

Bregje Hofstede

Ik sprak een collega-schrijver aan op het gebruik van een racistisch scheldwoord. Wat volgde was de rel die je wist dat zou komen. Ik probeerde ‘bij mezelf te blijven’. Maar kan dat nog als je je uitspreekt over thema’s die jou ver overstijgen?

Ik raakte betrokken bij een relletje. Tijdens een literaire avond sprak ik een andere auteur aan op zijn gebruik van het n-woord, dat ik racistisch vond (DM 4/10). Op de details zal ik niet te diep ingaan. Destijds leek het me heel belangrijk wat hij precies zei en wat ik precies zei, maar de kleine storm die erna opstak, maakte al snel duidelijk dat wat er op die specifieke avond precies was gebeurd, weinig uitmaakte.

Mijn inbox stroomde vol. Twitter kookte over. Er hingen verschillende kranten aan de lijn. Iedereen die er niet bij was geweest, vond er iets van. En ik hoefde de reacties eigenlijk niet te lezen om ze te kennen: de ene kant vond het terecht, de andere kant riep cancelcultuur. De ene kant had het over racisme, de andere kant over woke-dictatuur. De ene kant vond het dapper dat ik het debat aanging, de andere kant vond het laf dat ik het debat ontliep.

Als het eerste zetje is gegeven, is het nagenoeg onmogelijk om je aan de wetten van de polarisatie te onttrekken. Wat een rommeltje was, wordt binnen enkele uren een grote en heldere Gebeurtenis waarover enkel nog grote en heldere Meningen mogelijk zijn. Of eigenlijk worden het twee gebeurtenissen, die van hen en die van ons. Elk van die gebeurtenissen wordt afgehard in het vuur van de groepsverontwaardiging voor ze weer de arena in geslingerd worden.

Met mijn opmerking had ik een dominosteentje aangestoten en de rest gebeurde volgens een scenario dat allang klaar lag, langs sociale lijnen die ook allang getrokken waren.

Wat volgde leerde me een aantal dingen over moderne polemiek, en liet me met een aantal vragen achter. Kun je in een moddergevecht nog integer handelen? Heeft het zin om je uit te spreken als alle reacties van tevoren vaststaan? En hoe houd je je als individu staande in discussies die zo veel groter zijn dan jij?

Wij hebben gelijk

Al vanaf het begin was het een groepsproces, al besefte ik dat pas later. Het scenario van de moderne polemiek is in de wij-vorm geschreven.

Dat gold om te beginnen voor mijn eigen actie. Kort nadat de andere auteur, Herman Brusselmans, het n-woord had laten vallen, was ik opgestaan en de zaal uitgelopen, op de hielen van een andere schrijfster die hier ook geen zin in had. Er voegden zich drie mannen bij ons, onder wie twee medewerkers van de literaire organisatie die hier ook niet blij mee waren. Niemand vond dat de avond onderbroken mocht worden. Maar iets moest ermee, of eigenlijk iemand, want toen mijn collega zijn applaus in ontvangst had genomen, werd ik op het podium aangekondigd. Iedereen in het halletje vond er iets van, maar het was mijn beurt om te spreken.

Geladen met die meervoudige woede liep ik naar de microfoon. Ik stond achter wat ik wilde zeggen, het waren mijn woorden. Maar de emotie waarmee ik ze uitsprak was niet alleen de mijne.

Het verraste me, die vermenigvuldiging van emotie waarmee één persoon in zo’n debat wordt opgeladen. De meervoudigheid die ik zelf voelde toen ik naar het podium liep, hoorde ik terug in het koor van mannenstemmen dat me de volgende dagen vanaf het interweb toeschreeuwde: deuggleufje, feminazi, tietloos factotum, geesteszieke, aandachtshoer. Iemand vroeg of ik nu ook boekverbrandingen ging organiseren. Een ander had vijftigmaal het n-woord getypt, in kapitalen, zodat het het hele chatvenster vulde. De woede spatte van mijn scherm. Mail je één zo’n man terug, dan ben je vaak binnen enkele berichten terug bij voornamen, bij ‘vriendelijke groet’ en ‘dank voor uw antwoord’, maar de eerste reactie is onpersoonlijk, massaal, overweldigend. Hier spreekt een groep.

Dat die groep nu even tegen mij schreeuwde, voelde toevallig: ik was voor een paar dagen de focus van iets dat onafhankelijk van mij al langer woedde, zoals het ook min of meer toevallig leek dat ik degene was die de tegenovergestelde houding had belichaamd. Was er iemand anders aan de beurt geweest na het gewraakte optreden, dan had diegene dat misschien wel gedaan.

Er is in zo’n situatie bijna niemand die jou, als deelnemer aan het conflict, niet volledig bevestigt in je gelijk (strijder!) óf in je ongelijk (deuggleufje!). En op die manier bevestigt eigenlijk iedereen je in je gelijk: niet alleen degenen die je complimenten geven, maar in nog grotere mate diegenen die je verbaal met de grond gelijkmaakten. Naar iemand die mij toevoegt dat ik maar eens goed hard geneukt moet worden, zoals de desbetreffende auteur later deed, kán ik niet meer serieus luisteren. Diegene stelt zich zozeer buiten het gelijk dat ik op mijn beurt ook niet meer na wil denken over de vraag of ik er zelf wel middenin sta.

Zó ging het

Die meervoudigheid en hevigheid van beide kanten maakt het voor het individu dat in zo’n oproer verstrikt zit bijna onmogelijk om nog rustig zelf na te denken. En dat wordt nog onmogelijker door een andere wet van de online rel: namelijk de vervorming van de gebeurtenissen in de richting van het eigen gelijk.

Bijna onmiddellijk kom je los van de fysieke, tijdelijke, rommelige kluwen feiten en indrukken waarin het conflict begon, een kluwen die vervolgens in verschillende gezelschappen en in verschillende delen van het web wordt opgepompt en uitgehard tot hij de meest extreme vorm krijgt die nog met de controleerbare feiten verenigbaar is. Het is in die vorm dat het ‘feit’ terug de arena in wordt geslingerd. Inmiddels is het zo bedreigend, zo extreem geworden dat het bij de ander ingedaalde besef van nuance de confrontatie niet overleeft.

Al snel verscheen er van de hand van de schrijver die ik had aangesproken, een stukje waarin hij zijn versie van de avond gaf.

Hij becommentarieerde mijn borsten, die hij te klein vond (‘een tietloos factotum’) en mijn seksuele geaardheid, die hem niet recht genoeg scheen (‘een mentaal doodziek kuiken dat zich uitgeeft voor heteroseksueel maar ze is every inch a butch’). Hij schreef ook dat ik had geëist dat de organisatie afstand zou doen van zijn optreden.

Ik bleef even haken aan die zin – dat had ik toch niet geëist? – maar hij werd al weggeveegd door de daaropvolgende suggestie dat ik eens ‘heel hard in de flamoes gebuffeld’ moest worden door een echte man zoals hijzelf.

Het is de standaardreactie. Een vrouw zegt iets onwelgevalligs? a) Ze is lelijk en b) er moet een piemel in.

De mangel waar je doorheen wordt gehaald wanneer je deelneemt aan een online controverse is onpersoonlijk, want steeds dezelfde, maar heeft persoonlijke gevolgen. Ik mag dit soort pseudoliteraire fantasieën met enige regelmaat in mijn inbox verwelkomen, bijvoorbeeld van de hand van een poëtisch aangelegde stalker die kort daarop ook werkelijk opdook bij een van mijn optredens. Ik moest maar eens goed geneukt worden – satire zeker, fictie? Lachen! Maar van het theoretische artistieke vacuüm blijft weinig over wanneer het samenvalt met de geleefde werkelijkheid. In die werkelijkheid slaap je er slecht van.

Nadat Brusselmans het gebeurde een draai in zijn voordeel had gegeven, vroeg ik me af of ik hetzelfde had moeten doen.

Waarschijnlijk had het weinig uitgemaakt, dacht ik. Voor zover ik kon zien, volgde de ‘discussie’ online een geijkt scenario. Voor de ene kant was dat: ‘De op de teentjes getrapte überwoke jongere loopt meteen huilend weg en weigert het debat’. Een weergave van de feiten die niet strookte met mijn herinnering aan het warrige heen-en-weer dat plaatsvond tussen mij en het publiek (terwijl mijn collega eerst ontkende dat hij het n-woord überhaupt gebruikt had en toen zonder verdere inmenging vertrok). Andersom zijn er ongetwijfeld dingen die ik interpreteer in lijn met het scenario dat ík dan weer verwacht, bijvoorbeeld: ‘De boze witte man is er enkel op uit om te sarren teneinde te kunnen poseren als ridder van het vrije woord’.

Iedereen wist alles allang zeker. Had het zin om hier linksom of rechtsom nog iets aan toe te voegen?

Er was één vriendin die mijn gelijk niet zonder vraagtekens bevestigde. Ze vond het niets voor mij, ze stelde vragen die ik lastig vond (Wat had ik precies gezegd? Sprak Brusselmans als zichzelf of als het personage Brusselmans? Wat vond ik van censuur?). Gewoon benieuwd, typte ze. Toen ik stekelig reageerde, antwoordde ze: ‘Ik probeer het gewoon te begrijpen.’

Superirritant, vond ik dat. Censuur? Ik had die man toch keurig uit laten praten!

Maar gaandeweg merkte ik hoe ik bepaalde elementen in het verhaal bij het navertellen benadrukte, en andere zo terloops mogelijk noemde. Het meest defensief was ik over het feit dat ik de nerveuze organisatiemedewerker naast het podium gevraagd had of hij nog iets over de situatie wilde zeggen tegen het publiek. Wie daarover begon, raakte de snaar van mijn cognitieve dissonantie. Ik vind niet dat je reactionaire stemmen collectief en bij voorbaat het zwijgen op moet proberen te leggen, bijvoorbeeld door ze te weren van een podium, maar dat je ze weerwoord moet bieden. ‘Maar wat zei je dan precies?’ zei het stemmetje. Gewoon benieuwd.

Misschien was ik zo redelijk als ik me dat nu herinner, misschien herinner ik me dat zo omdat het me goed uitkomt. Misschien was ik in werkelijkheid feller, en vroeg ik niets maar stélde ik: Het lijkt me goed als de organisatie zich hier ook over uitspreekt. Misschien wás ik wel dwingend.

Online nam iedereen de hyperbolen van mijn collega-auteur ongewijzigd over, zag ik, en ik wilde zeggen: ‘Zo is het niet gegaan.’ Maar wilde ik de weergave van de feiten corrigeren, of wilde ik dat de feiten anders waren – wilde ik dat ik eigenlijk iets anders had gedaan?

Misschien leek ik wel wat op die blogger in het publiek, die eerst riep dat het n-woord toch moest kunnen, om een kwartier later naar me toe te komen en te fluisteren: maar ik ben wel heel erg tegen racisme, hoor!

Het was mogelijk dat ik te fel was geweest. Maar het leek onmogelijk om dát op te schrijven.

Als je gelijk zich om je sluit

Het echt interessante, voor mij, zit in de dynamiek van dit oproer, een dynamiek die ik elke dag in het nieuws zie, maar die ik nu van binnenuit meemaakte. Ik voelde hoe het is als je gelijk, dat zelden perfect is, zich om je sluit. Hoe je voelt waar het poreus is, en hoe je er meteen toe neigt om alle kieren te dichten. Je moet haast wel, je wordt ertoe gedwongen door het zuurbad waarin je wordt ondergedompeld. Zou ik die trollen, met hun seksistische bagger, één centimeter geven? Die man die een halve verkrachtingsfantasie op me losliet? O, ik hoorde ze al victorie kraaien, die mispunten. Nee, ik keek wel uit.

Zó moeilijk is het dus om je mening, je positie te heroverwegen in dit klimaat, dacht ik. Dit is polemiek anno Twitter.

Ik houd van literatuur waarin ik een stem voorbij het geroep van de groep hoor denken, waarbij ik een individu hoor denken. Bij Brusselmans hoor ik een stem die al eeuwenlang uit ontelbare kelen opklinkt en die bestaande hiërarchieën bevestigt, tussen zwart en wit, vrouw en man. Ik hoor ‘satire’ die schopt naar een groep die toch al, en met reële gevolgen, wordt geschopt. Zulke teksten mogen dan schermen met de immuniteit van fictie, ze vormen mede de werkelijkheid. Elke herhaling van die hiërarchieën versterkt ze. Tegen die stem, die een koor van stemmen is, sprak ik me die avond uit. Daar heb ik geen spijt van: ik doe het zo weer.

Wat me ongemakkelijk maakt over mijn eigen handelen is te voelen dat ik, in de greep van dit relletje, zelf niet meer kon zijn wat ik als de essentie van literatuur beschouw: een individu dat vrij denkt. Het lukte niet meer: mijn gelijk was een collectief gelijk, mijn ongelijk een groepsaangelegenheid.

Te midden daarvan kon ik nauwelijks vaststellen dat ik zelf inmiddels twijfelde bij een deel van mijn actie — namelijk precies dat deel waarbij ik het kamp van het individu had verlaten. Als ik aan de kant stond van het individu, waarom had ik dan de organisatie aangesproken? Mijn uitnodiging aan het adres van die medewerker was, als je die helemaal doortrok, een uitnodiging om opnieuw een mening van een collectief te doen gelden.

Al kon ik niet exact verwoorden waarom, laat staan algemene regels formuleren over hoe ik denk dat ‘dit soort situaties’ ‘voortaan’ zouden moeten worden aangepakt, dit bleef voelen als een punt waarop ik mijn eerdere mening moest herzien.

De vervolgstap was duidelijk. Komt-ie: ik had het die avond bij mijn eigen kritiek moeten houden, en de organisatie erbuiten moeten laten.

Kijk, dat was dus onwaarschijnlijk moeilijk om te schrijven. En dat ik het überhaupt doe, komt door die ene twijfelaar, die individuele vriendin die me niet volledig en zonder vraagtekens bevestigde in mijn (ons!) gelijk.

Je helemaal terugtrekken in een ‘ik’, kan dat?

Het hoort bij conflicten als deze, over zulke grote thema’s, dat de individuele deelnemers eraan ondergaan in een dynamiek die hen ver overstijgt. Dat is ongemakkelijk.

Maar je helemaal terugtrekken in een ‘ik’, een individuele positie, kán misschien niet. Wie zich uitspreekt over iets als racisme of seksisme, richt zich niet alleen op de particuliere situatie die zich op dat moment voordoet – actie x, uitspraak y – maar (ook) op iets groters. Uiteindelijk zijn deuggleufjes als ik eropuit om ‘het collectief’ een bepaalde kant op te krijgen, om een maatschappelijke verandering uit te helpen lokken.

Een van de moeilijke dingen daaraan is de vraag hoe je je daarbij, zonder je te verliezen in groupthink, als individu staande houdt. Kun je ‘bij jezelf blijven’ als je je uitspreekt over thema’s die jou ver overstijgen? Is die vraag überhaupt relevant, of zou alles in dienst van die grotere thema’s moeten staan?

Hoe je je in het spervuur van extreme meningen terugvecht naar een positie die integer voelt, en naar een situatie waarin je weer een individu bent, weet ik ook niet.

De afgelopen week probeerde ik het twee keer eerder door er een stuk over te schrijven, maar het was steeds te boos, of juist te defensief. Dit is poging drie, en de meeste mensen die dit lezen, zullen niet van gedachten veranderen. De wetten van de polemiek gelden nog steeds, ook voor mij.

Ben ik neutraal? Heus niet. Voel ik me deel van een groep? Tuurlijk. Heb ik gelijk? You bet.

Maakt dat het zinloos dat ik me überhaupt heb uitgesproken, die avond, en nu weer? Of is deze voorspelbare, bijna rituele botsing van bijna helemaal vaststaande meningen uiteindelijk toch de enige manier om iets in beweging te krijgen?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234