Woensdag 06/07/2022

Aan alle kanten duwt het

'Ik kom niet tot één gedicht per jaar, zodat een eventuele 'Grote prijs voor de minst schrijvende verzenmaker der Nederlanden' mij moeilijk kan ontsnappen', zei Jos de Haes (1920-1974) op het einde van zijn korte leven. Toch liet hij een klein oeuvre na, dat een sleutelpositie inneemt in de naoorlogse Vlaamse poëzie.Jos de Haes

Gedichten

Lannoo/ Atlas, 300 p., 22,50 euro.

Jos de Haes werd ingehaald door zijn eigen spreken, de taal liet hem niet meer uit zijn woorden komen. Hij is niet alleen de dichter van de existentiële, maar ook van de talige ademnood. De Tweede Wereldoorlog moet mee de visie van deze dichter bepaald hebben, die in zijn debuutbundel al veel in twijfel trok en op het einde van zijn leven alle zekerheden op de helling zette. In mei 1940 vluchtte hij samen met de latere directeur van de BRT, Paul Vandenbussche, naar Zuid-Frankrijk. Met de trein en de fiets keerde hij terug naar Brussel. In 1942 werd hij licentiaat in de klassieke filologie en publiceerde hij zijn debuutbundel Het andere wezen. In die bundel zien we hoe twee elementen samenkomen: 'het andere wezen' uit de titel is zeker niet alleen synoniem voor het goddelijke, maar ook voor het zinnelijk-vrouwelijke, alleen al omdat De Haes aan zijn debuutbundel dit motto meegeeft: 'Aan Elsa, die mij het 'Andere' hielp ontdekken'. Klassieke zin voor strak metrum en rijm ook. Vanuit een hedendaags perspectief klinkt dat aannemelijk, maar Geert Buelens wees er in zijn voortreffelijke studie Van Ostaijen tot heden al op dat P.G. Buckinx en René Verbeeck, dichters die het Vlaamse poëzielandschap op dat moment kleurden, sobere en beheerste poëzie schreven, maar dat die minder klassiek in de volle betekenis van het woord was dan die van Jos de Haes. In de jaren vijftig evolueerde De Haes sterk: onder invloed van de experimentelen ontregelde hij hier en daar de beelden en zorgde voor vervreemdende woordcombinaties.

Ook de klassieke mythologie drong meteen de poëtische wereld van De Haes binnen. Ze verruimde het perspectief van zijn debuut. Een gedicht als 'Stervende Koronis', overigens uitstekend becommentarieerd door Erik Spinoy in zijn nawoord bij de verzamelde gedichten, laat zien hoe scherp de strijd is die hij binnen zijn dichterlijke wereld met het vrouwelijke, naast het religieuze, levert. Beide facetten worden in dat gedicht trouwens met elkaar verbonden. Koronis was een Griekse koningsdochter die zwanger was van de god Apollo, maar ze bedroog hem tijdens haar zwangerschap met een gewone sterveling. Apollo zette haar op de brandstapel, maar bracht eerst zijn kind in veiligheid. Het gedicht is zeker geen navertelling van die mythe. Wel laat De Haes het voorafgaan door een citaat uit Pindaros, over wie hij trouwens zijn licentiaatsverhandeling maakte. Pindaros hanteerde exuberante beeldspraak en stond op die manier haaks op de classicistische poëzietraditie. Sporen daarvan zijn duidelijk in het werk van De Haes terug te vinden. Het meest nog heeft hij de complexe en impliciete opbouw van de gedachten in zijn gedichten met Pindaros gemeen. Koronis wordt in het gedicht voorgesteld als een sensuele vrouw die sterk met het aardse en met de natuur verbonden is. Haar sensualiteit is zo groot dat ze dicht in de buurt van de dood komt: 'Het koele loof bedaart de slapen,/ de haren schuiven ver en los/ tot waar haar vingers krullen rapen/ als bloemen uit een tooverbosch,//diep in de dalen van haar flanken,/ diep in de schaduw van haar schoot,/ diep, waar de droomen wilden ranken,/ dicht bij de vrucht, dicht bij den dood...'

Je kunt in dit gedicht gemakkelijk de tegenstelling tussen het mannelijke, rationele en hemelse apollinische en het vrouwelijke, aardse, zinnelijke en tijdelijke dionysische zien. De Haes was zeker door het denken van Pascal en Teilhard beïnvloed: de mens komt uit het stof, 'le néant', hij is een nietige, lichamelijke figuur en hij beseft dat hij opnieuw stof zal worden. Daarom wil hij zich bevrijden en het spirituele bereiken. En dat kan pas na de dood. Een magere troost, natuurlijk.

Jos de Haes is zich bij zijn debuut al van die tragiek bewust. En hij zet de tegenstelling tussen het apollinische en het dionysische onder spanning. Een dichter van volbloed klassieke poëzie zou naar een synthese streven, maar zijn fascinatie voor het vrouwelijke, dionysische is in een gedicht als 'Stervende Koronis' te groot. Het schrijven kan in dat opzicht vanaf het begin als iets dubbels gezien worden: als je merkt hoe hij in het gedicht door het ritme de seksuele daad weergeeft, is dat een lofzang en een elegie tegelijk. Want Apollo, als god van de dichtkunst, is hier ook de doder uit de mythe die het decor van het gedicht uitmaakt. Schrijven is voor De Haes een zinnelijke daad, vervoering via de taal, maar tegelijk dodelijk. Zo harmonisch-religieus is dat allemaal niet. Daarom is het jammer dat De Haes in het verleden voor het gemak bij Anton van Wilderode en Hubert van Herreweghen gecatalogiseerd werd, dichters met een veel rustiger wereldbeeld dan De Haes.

Niet toevallig vindt De Haes in het slotvers van Het andere wezen geen soelaas bij God, maar bij de vrouw: 'Ik sta gezuiverd voor uw zoete mildheid/ en ik ben rijk, want aan uw borst is, rust, o vrouw.'

Ook in de bundels die volgen, Ellende van het woord (1946), Gedaanten (1954) en Azuren holte (1964), De Haes' pièce de résistance waarvoor hij in 1965 de toenmalige Driejaarlijkse Staatsprijs voor poëzie ontving, komen bijzondere, complexe vrouwenfiguren voor. Ze vormen de kern van zijn oeuvre. Sibylle en Medea duiken zowel in Ellende van het woord als in Gedaanten op. En ook in de cycli 'La noue' en 'Le vieux moulin' krijgt de vrouw allures die de anekdotiek overstijgen.

Sibylle is niet zomaar symbool of muze, want bij De Haes wordt ze een heks. Eerst zorgt ze nog voor zuiverende, louterende taal ('Zij leerde spreuken voor den boeteling,/ en brandde kruiden voor zijn rauwe pijnen.') Maar tegen het einde van het gedicht is ze een zinnelijke, kwaadaardige figuur geworden: 'Zij troont vanouds en voedt het hart/ der slechten/ met bittere wetenschap en groot geheim,/ met angst en 't ruw aroom van wilden tijm,/ die uit de wrongen puilt der grauwe vlechten.' Medea is in het gelijknamige gedicht de door Jason verstoten, bedrogen minnares, maar ook synoniem voor het ontgoochelde stilzwijgen. Zij is de belichaming van de taal die geen troost kan bieden, want een lege melodie geworden: 'Ach, ieder woord is rinsel in haar bloed,/ het vangt het hart, en 't hart vaart in de gorgel./ De mensentaal is een ellendig orgel/ dat eeuwenlang dezelfde noten toet.'

Het failliet van de taal wordt nog verder doorgevoerd in Azuren holte, de bundel waarin gedichten staan die met een beetje goede wil - we moeten de archaïserende formulering dan wegdenken, al maakt die onverbrekelijk en prachtig deel uit van De Haes' dichterlijke stem - vandaag geschreven zouden kunnen zijn. Het openingsgedicht 'Schrijven' laat niet alleen de ontgoocheling zien - het is maar krassen op een dun laagje -, maar er zit ook koppigheid in. Het is een soort zingen tegen beter weten in: 'In die glaslaag over asse/ dat de vingernagel krasse,/ dat hij als een sprinkhaan kriepe,/ doende alsof een vogel zong./ Dat de boosheid zich verdiepe:/ schrijven met des vogels tong.'

Ook in de titel zit er een interessante spanning: het weidse azuur, de ruimte van het volledige leven, tegenover een afdaling in zichzelf en in het vrouwelijke, aardse, om dat azuur te kunnen bereiken. Maar het is duidelijk dat de hemel in het werk van De Haes steeds meer betrokken raakt. In 'De bol' lezen we: 'Door het heelal met zijn glazen kaken/ schuift in de holte van de tijd de bol/ met in zijn huid de schimmels van het leven.' In dat duistere landschap staat de dichter verbaasd te kijken naar de drukte die anderen maken. Dat zij niet sprakeloos worden: 'Maar als ik in de morgen stuik/ bij mijn collega's op 't geboden uur,/ wat ben ik dan, hoe sta ik daar/ ineens met opgebonden botten,/ een dungetakte dorenstruik tegen een witgekalkte muur,/ als een Kretenzer gapend naar/ verlichte pinksterpolyglotten.'

Er doet zich ook een merkwaardige evolutie in het vrouwbeeld voor: waar Sibylle en Medea boosaardige, dodelijk gevaarlijke figuren worden, brengt de ikfiguur in 'La noue' de vrouw zelf om. En op die manier maakt hij ook een einde aan zichzelf. Hij is zelfs een naamloze geworden in deze genadeloos cynische regels uit 'Le vieux moulin': 'Sibylle, noem mij. Vind verteerd in 't sap/ van al uw weefsels mij, een hoopje haar en tanden./ Plant die kanker. Of duld mij desnoods als grap:/ een mannelijke zeeworm in uw ingewanden.'

De laatste gedichten die De Haes schreef tijdens de laatste twee jaren van zijn leven zijn zo mogelijk nog radicaler. 'Een kus in Ter Kameren' is zo'n weergaloos gedicht omdat het ook vormelijk getuigt van de 'stuiptrekkingen', het 'verduisteren', en het gedicht als 'een uiteenvallend conglomeraat' die zijn poëzie hem steeds meer openbaarden, zoals blijkt uit een radiocauserie over zijn eigen werk die hij in de jaren zestig hield. (Jammer trouwens dat Yves T'Sjoen en Willem van den Daele, die met deze kritische leeseditie eindelijk voor een puike, wetenschappelijk verantwoorde uitgave zorgden, met respect voor de oorspronkelijke spelling en met oog voor het niet in bundels verschenen werk, de tekst van die causerie, de toespraak voor de studenten van Germania uit 1965 én De Haes' essay over Richard Minne niet opgenomen hebben, omdat ze erg verhelderend zijn voor De Haes' poëticale opvattingen). 'Een kus in Ter Kameren' eindigt onvermijdelijk in sprakeloosheid, volgens mij voor een dichter erger dan de dood: 'Maar lief, de rand vandaag,/ koorts aan de dunne wondrand, zwart en nat aan de rand,/ heilige pest der geschiedenis,/ naar mijn begrip, ik,// bewegend lipvlees tegen been,/ aan alle kanten duwt het, jouw koude speeksel zuig ik,/ als het gaat gisten zal ik,/ het kan niet dat ik'.

Ik ken maar weinig dichters die hun poëtica zo consequent tot het einde doorgevoerd hebben als Jos de Haes. Daarom is hij, samen met Paul van Ostaijen, Richard Minne, Hugues Pernath en Hugo Claus, een van mijn vijf Vlaamse voorkeurdichters van de voorbije eeuw.

Paul Demets

Schrijven is voor De Haes een zinnelijke daad, vervoering via de taal, maar tegelijk dodelijkBijzondere, complexe vrouwenfiguren vormen de kern van zijn oeuvre

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234