Zondag 14/08/2022

Aan het hof van een moderne mecenas

In New York werd de tweejaarlijkse Hugo Boss Prize voor 'ongewone vormen van expressie en vernieuwing' uitgereikt aan de Sloveense artieste Marjetica Potrc. Kunstcriticus Eric Bracke haalde er zijn voorname pak voor uit de mottenballen en gaf zich over aan glamour en bubbels. Een society-journalist zal hij echter nooit worden. 'Er is me verteld dat tal van beroemdheden hier hun opwachting maken, maar ik herken geen hond.'

Woensdag, 20.30 uur

Help, Werner Baldessarini inspecteert stiekem mijn pak. Het gesprek aan de cocktailbar van de Lotus gaat erover hoe trendy deze tent plots is geworden. Een New Yorker vertelt dat in dit stadskwartier, aan de rand van Chelsea, vroeger veel slachterijen waren. Ik laat hem vertellen en richt me tot de grote baas van Hugo Boss die naast me staat, in de hoop dat zijn blik niet langer langs mijn revers naar beneden zal glijden.

"Hoe lopen de winkels in Brussel, mister Baldessarini?" vraag ik. Baldessarini trekt een pijnlijke grimas. Blijkbaar marcheert het in Brussel niet zo best: er is maar één zaak. Wat is dat toch met Brussel? Hij begrijpt het niet goed, in de Europese hoofdstad, waar zoveel rijke mensen wonen zou er toch een markt voor meer dan één Hugo Boss-winkel moeten zijn. Ik kan dat alleen maar beamen.

Over dat pak van mij, het is niet dat het niet past. Misschien dat het hier en daar wat begint te glimmen, maar het zit me nog als gegoten, al heb ik het in jaren niet meer gedragen. Toen ik het meer dan tien jaar geleden kocht, zag ik er heel voornaam mee uit. Een patente jonge kerel, althans dat vond ik zelf. Het probleem is dat toen ik het gisteren paste de voering van de mouw scheurde. Ik stak mijn arm erin en krètscchhhh... Tot op de draad versleten, gewoon van in de kleerkast te hangen. Je kunt het wel niet zien, die gescheurde voering, maar met specialisten in het vak weet je maar nooit.

Eigenlijk was het niet nodig om een pak mee te brengen. Op een prijsuitreiking met artiesten kun je verwachten dat het wat minder conventioneel toegaat. Toch heb ik het zekere voor het onzekere genomen, want in de Verenigde Staten durven ze nogal eens conservatief uit de hoek komen. Enkele jaren geleden was ik te gast bij de directeur van het universiteitsmuseum in Milwaukee, Wisconsin. Ik had alleen een jeans en een velours broek bij me en een winterjas. Dat bleek achteraf een beetje gênant. Omdat hij me 's avonds aan zijn voorname vrienden in de naar sigaren geurende club wilde voorstellen, gaf de professor me een pak van hem te passen. De broekspijpen hingen tien centimeter boven mijn schoenen te wapperen. Ik suggereerde dat mijn geribde broek wel bij zijn jas ging en toen ik nog een das had gekocht, nam hij me mee in zijn Mercedes. Hij reed met een slakkengangetje, elk rood licht negerend. Ik deed het bijna in mijn geribde broek. Dat zou pas een voorstelling geworden zijn, daar in de salons bij de nieuwerwetse aristocratie van Wisconsin. Om dat soort avonturen te vermijden had ik nu dus wel een pak in mijn koffer gestopt.

Woensdag, 22.30 uur

In een privé-zaaltje van de Lotus krijg ik een plaats tegenover de Amerikaanse kunstenaar Barry le Va en naast Ben Harper. De Australiër is van het Guggenheim, hij moet de sponsorgelden helpen binnenhalen voor de musea in New York (2), Venetië, Bilbao en Berlijn. Hij komt uit Sydney en woont nu al twaalf jaar in New York. Zijn charmante vragen zorgen ervoor dat de conversaties aan onze tafel nooit stilvallen. Fijne kerel, die Ben. Als het kan zal hij me vrijdag rondleiden in het Guggenheim, waar momenteel de door Bob Wilson georkestreerde Giorgio Armani-expositie te zien is. Leuk meegenomen, want geef toe, 12 dollar entree is met de huidige wisselkoers een pak geld.

Met Barry le Va (1941) heb ik het over zijn tentoonstellingsproject in Genève. Barry is een van de zeven genomineerde kunstenaars voor de tweejaarlijkse Hugo Boss Prize, die morgen in New York wordt uitgereikt. Die onderscheiding is ook de reden van ons beider aanwezigheid op dit dinner. Le Va maakt nu enorme boeken, unieke stukken waar je al je kracht voor moet gebruiken om er een pagina van om te slaan. In de boeken zijn onder andere foto's verwerkt die hij al verschillende decennia tijdens zijn treinreizen maakt. De trein is immers Barry's transportmiddel bij uitstek. Als de trein in een station even blijft stilstaan, springt hij met zijn Pentax automatic op het perron en maakt snel een foto. Nee, zelden of nooit van mensen. Barry houdt niet van mensen, zegt hij, maar toch woont hij in de Big Apple, waar je dag en nacht wel iemand over de trottoirs ziet lopen. Over de expositie van de beroemde Britse kunstenaar Damien Hirst is Barry niet zo enthousiast. Maar ik moet wel gaan kijken, vindt hij, al was het maar om erover mee te kunnen praten. Hirsts expositie in een galerie in Chelsea blijkt namelijk hét gespreksonderwerp in de artistieke kringen van Manhattan.

Er zit nog een genomineerde voor de tweejaarlijkse Hugo Boss Prize aan onze tafel. Tom Friedman (1965) bevindt zich net wat te ver van mij vandaan voor een informeel praatje. Hij lijkt een eerder timide jongen en daar ga je niet zomaar tegen roepen. Ook zijn veelzijdige oeuvre heeft iets breekbaars: potloden aan elkaar bevestigd tot een grillige, dunne lijnsculptuur, een tekening gemaakt met spinnenpoten, een grote kauwgom op de vloer waaruit een draad is opgerekt tot tegen het plafond...

Wie er van de andere genomineerden nog aanwezig is, weet ik niet precies. Nestor Vito Acconci (1940) in elk geval niet. De Italiaan Maurizio Cattelan (1960) evenmin - door de zelfportretten in de vorm van poppetjes die hij geregeld in zijn werk gebruikt, zou ik hem wellicht herkennen. Hoe het Scandinavische duo Michael Elmgreen en Ingar Dragset en de Braziliaanse kunstenaar Tunga (1952) eruitzien, is me een raadsel. En de Sloveense Marjetica Potrc (1953) ken ik eerlijk gezegd van haar noch pluimen, niet van gezicht en niet van haar werk.

Matthew Barney, de winnaar van de eerste Hugo Boss Prize in 1996, is wel aanwezig. Hij zit aan de eretafel bij Werner Baldessarini en de hoofdconservatrice van het Guggenheimmuseum, Lisa Denisson. Met de uitreiking van de eerste prijs aan deze kunstenaar, was de toon meteen gezet. Het werk moet een beetje onconventioneel zijn om kans te maken op de Hugo Boss Prize, een schilder zal niet zo snel genomineerd worden. Dat blijkt ook uit het voorwoord dat Baldessarini schreef in de catalogus bij deze prijs: "De onderscheiding wordt uitgereikt aan kunstenaars wier werk getuigt van ongewone vormen van expressie en vernieuwing - kunstenaars die frisse perspectieven bieden en onze manier van denken uitdagen". De bizarre sprookjesachtige performances en videofilms van Barney zijn inderdaad bijzonder fascinerend, al worden ze soms ook wel eens als aanstootgevend ervaren. Vijf jaar geleden zorgde de openingsshow van Barneys expositie in het Rotterdamse Museum Boijmans-Van Beuningen, zijn eerste solotentoonstelling in Europa, bijvoorbeeld voor opschudding. In de wervelende performance werd een naakte man op een zijspanmotor met een dildo gepenetreerd en topmodellen figureerden als cheerleaders. Goedkope sensatie, zult u misschien denken, maar als je enkele van zijn films uit de Cremaster-reeks hebt gezien, moet je wel toegeven dat Barney een groot en vernieuwend talent is. Het voorbije eindejaar riep de gerespecteerde krant The New York Times Cremaster 2 trouwens uit tot een van de belangrijkste visuele gebeurtenissen van 1999. De eerste Cremaster-videofilms waren geïnspireerd op het leven van beroemdheden, respectievelijk de legendarische footballheld Jim Otto en de ontsnappingskunstenaar Houdini (vertolkt door Norman Mailer), daarna creëerde de kunstenaar een pure fantasiewereld met saters, faunen en zeekoningen. De films hebben gemeen dat het vertellingen zijn, met wervelende choreografieën en theatrale mise-en scènes, zonder logische samenhang. Je kunt ze metaforisch omschrijven als intrigerende heidense dansen rond de thema's verlangen, seksualiteit, androgynie, dood en geboorte. Kortom, Matthew Barney is een interessant kunstenaar om te interviewen, maar kijk, hij neemt afscheid van zijn gezelschap en stapt naar buiten terwijl het dessert nog wordt rondgedragen.

Kort na één uur vinden ook wij het welletjes geweest. Vierentwintig uur ben ik dan al op de been en de collega's uit Hongkong en Singapore nog veel langer. Dan valt het niet mee om in de Hudson je bed op te zoeken. Het interieur van dit nieuwe, onconventionele hotel op West 58th Street is ontworpen door Philippe Starck. De gangen zijn er dag en nacht verduisterd, zodat je inwendige klok wel helemaal ontredderd moet raken en de piepkleine kamers laten zo weinig bewegingsruimte dat je jaloers zou worden op een kip in een legbatterij.

Donderdag, 20 uur

De lift zoemt naar de twaalfde verdieping van het pand waar de New Yorkse zetel van Hugo Boss is gevestigd. In een lege ruimte - betonnen vloer en naakte, witgeschilderde muren - hangt van een werk van elk van de genomineerde kunstenaars een fotografische afdruk op zeildoek. De champagneflessen staan gekoeld en er wordt gul geschonken. De genodigden voor de prijsuitreiking en de after-party stromen naar binnen. Ik ben een slechte society-journalist: er is me verteld dat tal van beroemdheden hier hun opwachting maken, maar ik herken geen hond. Of zou dat Jeff Koons zijn die daar snel in een aparte vip-ruimte glipt? Jawel, zo blijkt. Miss Rusland, Anna Malova, bevindt zich ook onder de genodigden, meldt een collega. Zou ook zij door de immigratieambtenaren op de JFK-luchthaven op de rooster zijn gelegd? Ik werd aan een streng verhoor onderworpen vanwege een stempel van de volksdemocratie Laos in mijn paspoort. Rusland mag dan niet meer communistisch zijn, Uncle Sam blijft nog steeds beducht voor de spionnen van ginds.

Ik word voorgesteld aan een of andere actrice. Ze begroet me alsof ze blij is me eindelijk eens in levenden lijve te zien. Dat is leuk aan Amerikanen: ze zeggen nooit 'Eric who?' maar zijn altijd enthousiast je te mogen ontmoeten. Ik besef dat mijn koele beleefdheidsformules wel wat vreemd zullen overkomen. Ik moet blij zijn dat ik haar in de ogen mag kijken, zij is de celebrity. Maar wie zou ze in godsnaam geweest zijn? In de drukte heb ik haar naam niet kunnen verstaan. Als ik het later op de avond probeer uit te vissen, oppert iemand dat het misschien wel Patricia Arquette was. "Euh...?" "Patricia Arquette, de vrouw van Nicholas Cage." "Wow," zeg ik, "is die hier ook?"

Inmiddels is de uitreikingsplechtigheid begonnen. Maar de geluidsversterking laat het afweten: van de sprekers is geen woord te verstaan. Ik heb te doen met Dennis Hopper, die al zijn stemtechniek aanwendt om gehoord te worden, maar de honderden drinkende genodigden blijven doorkletsen. De man die naast James Dean in de film Rebel without a Cause speelde en in 1969 voorgoed onsterfelijk werd als regisseur en acteur van Easy Rider, staat daar nu voor de ganzen te preken. Het publiek kijkt wel naar hem, misschien is dat voor een acteur ook al een troost. En voor een man van zijn leeftijd, die in de jaren zeventig zwaar aan drugs en alcohol verslaafd raakte, ziet hij er verdomd goed uit.

Twee jaar geleden reikte Dennis Hopper ook al de tweede Hugo Boss Prize uit. Douglas Gordon, de Schotse kunstenaar die bestaand filmmateriaal manipuleert door het te vertragen, te dissecteren of beelden in juxtapositie te plaatsen, was toen de winnaar. Nu staat Hopper opnieuw met de trofee in zijn handen. Een dame met opgestoken rood haar maakt zich los uit de eerste rijen en stapt op Hopper af. Het publiek vraagt zich af wie zij is. Het is Marjetica Potrc, de mij onbekende Sloveense kunstenares die de cheque van 50.000 dollar mag incasseren. Een medewerker van het Guggenheim, dat de prijs mede organiseert en volgend voorjaar een tentoonstelling van de winnares zal houden, kan haar wel situeren. Potrc bouwt erg bescheiden architecturale constructies na die ze isoleert uit de context van het grootstedelijke randgebied waar de uitgestotenen zich noodgedwongen groeperen. Ze vertegenwoordigde Slovenië op de biënnale in Venetië in 1993 en nam drie jaar later deel aan de biënnale van São Paulo. Ze werd voorts geselecteerd voor belangrijke internationale manifestaties zoals in Münster (1997) en Manifesta 3, dat dit jaar in Ljubljana plaatsvond. Ha, bon. We drinken nog een glas op de bekroning van een artieste die in haar werk getuigt van een sociaal engagement.

Vrijdag, 9 uur

Ik loop met flanellen benen naar de ontbijtzaal. Jetlag, zo benoem ik het nare gevoel wat eufemistisch. Hjoerdis Jahnecke, die instaat voor de artistieke projecten van Hugo Boss, komt erbij zitten. Ze is tevreden over de voorbije avond. De beroemdheden die beloofd hadden aanwezig te zijn, hebben woord gehouden. Nee, Germano Celant, de beroemde kunstcriticus en tentoonstellingsmaker, heb ik niet gezien. Jahnecke vertelt me ook dat er in februari 2001 in het Stedelijk Museum in Amsterdam een expositie zal openen met de schilderijen van Dennis Hopper. De acteur schildert en fotografeert allang, maar durfde met zijn werk niet naar buiten komen omdat je als bekend acteur toch niet op de kwaliteiten van je werk beoordeeld wordt. Zijn vriend Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk, heeft hem overgehaald om toch met zijn schilderwerk in de openbaarheid te treden. Hugo Boss sponsort de tentoonstelling. Exposities sponsoren en artistieke partnerships aangaan doet het bedrijf sinds 1995. In dat jaar besliste de firma aan de buitenwereld te tonen dat het meer wilde zijn dan een geldmachine. Zo werd Hugo Boss nu een van de nieuwe mecenassen, een navolger van Lorenzo de Medici, bijgenaamd Il Magnifico.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234