Dinsdag 04/10/2022

Aapjes kijken in het menselijke rariteitenkabinet

In de trein van Brussel naar Amsterdam ben ik, zoals wel vaker, zowat de enige blanke in de coupé. Het verschil met anders is dat ik in De Exotische mens zit te lezen, de catalogus van de tentoonstelling die vanaf vandaag te zien is in het Museum Dr. Guislain in Gent. Het boek staat vol met foto’s en affiches van gekleurde mensen die tentoongesteld of anderszins gemaltraiteerd worden. Af en toe meen ik een blik van mijn overburen op te vangen en dan bekruipt me een licht gevoel van gêne.Logisch, zegt schrijver Frank Westerman, bij wie ik even later aanbel. “Je kunt de scènes die in dat boek getoond worden niet afdoen als zaken uit het verleden. Net als de opgezette Afrikaan El Negro in mijn boek El Negro en ik gaan die afbeeldingen net zo goed over het hier en nu, en over jou en mij. De schaamte die je op zo’n moment bekruipt, zegt vooral iets over de manier waarop wij in onze tijd naar andere culturen kijken.” De expo in Gent, die is gemaakt samen met het Teylers Museum in Haarlem, vertelt de geschiedenis van de ‘mensententoonstellingen’, die hun hoogtepunt beleefden rond de vorige eeuwwisseling. Daartoe aangemoedigd door slimme promotors, begon het Europese publiek zich toen massaal te vergapen aan Afrikanen, Indianen, Eskimo’s en alle andere rassen en volkeren die als exotisch werden beschouwd. Duizenden mensen werden als rariteiten geëxposeerd op wereldtentoonstellingen, circussen, jaarmarkten en zelfs in dierentuinen. Daarnaast belicht de tentoonstelling ook de rol van de Europese wetenschappers die deze ‘andere’ mensensoorten vol ijver in kaart brachten door hen van top tot teen op te meten, te fotograferen en te classificeren. De belangstelling van de Europese wetenschap voor niet-blanke volkeren ontstond zo rond het einde van de 18e eeuw, zo leer je al rondwandelend op de tentoonstelling. “Het was een tijd van de grote ontdekkingen”, zegt Westerman. “Linnaeus had een classificatiesysteem bedacht voor planten en wilde plotseling alles gaan rubriceren. Ook de mens. Dat werd een soort rage onder geleerden en uiteraard kwam de blanke Europeaan daarbij steeds als beste uit de bus, gevolgd door de Aziaten, de Indianen en dan pas de zwarten.” Ook het werk van de Nederlandse arts Petrus Camper (1722-1789) had grote invloed op het denken over niet-Europeanen. Camper had een groot aantal lichamen ontleed, en had daarbij opgemerkt dat schedels van Europese en Afrikaanse hoofden aanmerkelijk verschilden. Daarop besloot hij de schedels te gaan opmeten, en ontdekte hij dat Europeanen en Afrikanen een andere ‘gelaatshoek’ hebben. Bij Afrikanen en Aziaten bedroeg deze 70 graden, bij Europeanen 80 graden en bij klassieke hoofden uit de oudheid zelfs 90 graden. Westerman: “De beste Camper heeft daar nadrukkelijk bij gezegd dat je daar geen waardeoordeel aan kunt hechten. Maar zijn bevindingen zijn een eigen leven gaan leiden en als je hem nu gaat Googelen zie je dat Camper als de vader van het wetenschappelijke racisme wordt neergezet.”

Exotische schonen

Hadden wetenschappers als Camper tenminste nog eerbare intenties, dat kon niet gezegd worden van de impresario’s die vanaf het eind van de 19e eeuw allerlei ‘exotische’ volkeren naar Europa haalden. De bekendste onder hen was de Duitser Carl Hagenbeck (1844-1913). Hij was de zoon van een dierenhandelaar, en leverde op 18-jarige leeftijd al dieren aan grote Europese dierentuinen. Later ontdekte hij een gat in de markt toen hij behalve een groep rendieren uit Lapland ook een paar authentieke Lappen naar Duitsland haalde, compleet met sledes, tenten, huisraad en honden. Hiermee boekte hij veel succes in zijn eigen Tierpark en in het Nordpoltheater in Hamburg en aansluitend ook in Berlijn en Leipzig. De volgende zomer programmeerde hij Nubiërs uit Soedan, en toen was het hek van de dam. Tot 1940 zouden er alleen al in Duitsland 400 van dergelijke groepen uit de hele wereld optreden. Hagenbeck werd tevens bekend vanwege de karakteristieke, kleurige affiches waarmee hij zijn volkerenshows aankondigde. Deze werden gemaakt door de Hamburgse drukkerij Friedländer, en een aantal ervan is te zien in Gent. De groepen die door Hagenbeck en zijn collega’s werden geprogrammeerd, dienden meestal een aantal stereotiepe kunstjes op te voeren. Zo was voor Eskimo’s het mennen van sledehonden en het varen in de kajak een vast onderdeel van het programma. Afrikanen voerden krijgsdansen uit, Arabieren deden aan buikdansen en slangenbezweren. Vaak was er ook een seksuele, voyeuristische kant. Dit was al begonnen bij Saartje Baartman, de zogenaamde ‘hottentot venus’ wier enorme achterwerk en dito schaamlippen tot in de eerste helft van de 19e eeuw tot grote opwinding hadden geleid in Frankrijk. Vijftig jaar later werd het heel gebruikelijk om de exotische schonen sexy poses te laten aannemen. In Berlijn was men een tijdje helemaal wild van een schaars gekleed Afrikaans amazoneleger, dat door Hagenbeck als ‘Die Wilde Weiber aus Dahomey’ werd geafficheerd.

Razend populaire attracties

Ook in België deed men volop mee aan de trend. Al halverwege de 19de eeuw had de Antwerpse Zoo een razend populaire attractie met Jefke, een negerjongetje dat in 1846 vanuit de Goudkust in België aankwam en als curiosum aan de dierentuin werd geschonken. Jarenlang was hij daar oppasser en verwelkomde hij mensen bij de entree. Jefke kwam trouwens goed terecht, want hij trouwde met een meisje uit Boom en ze kregen samen een dochter.Maar het waren vooral de wereldtentoonstellingen die een dankbare aanleiding bleken voor het neerzetten van ‘negerdorpen’. Voor de wereldtentoonstelling van 1897 in Tervuren werden uit 600 vrijwilligers zo’n 269 Congolezen gekozen, die naar België werden gehaald. Hiervan overleden er twee onderweg, en nog eens zeven in Tervuren, wat tot een nationale rel leidde. Niettemin werden er in 1913 voor de wereldtentoonstelling in Gent weer twee dorpen opgetrokken, al waren deze iets anders van opzet. Het Senegalese dorp bevond zich midden in de stad in het Park der Aantrekkelijkheden, dat het grootste deel van het huidige Citadelpark bestreek. Het telde honderdvijftig bewoners. Dat hun verblijf niet onopgemerkt bleef, mag blijken uit het volgende krantenverslag: “De bewoners van het Zwarte Dorp zijn gisteren morgen eindelijk vertrokken. De spoorwegkaaien stonden vol volk, waaronder ook vele vrouwen en er waren er zelfs die weenden, waarop zij […] geweldig uitgescholden werden. Sommige ‘juffers’ aarzelden niet de zwarten, waarmede zij tijdens hun verblijf in de Tentoonstelling bepaald kennis hadden gemaakt te omhelzen en hun een hoopvol: Tot weerzien! of een droevig: Vaarwel! toe te roepen. Geen wonder dat dergelijke betoogingen bij vele omstanders verontwaardiging wekten.”Over het Filippijnse dorp, dat zich elders in de stad bevond, wist schrijver Cyriel Buysse te melden dat het bestond uit “Zoowat driekwart-naakte, bruine kerels, die een mengselprodukt leken van apen en mongolen. Zij wierpen met speren en gilden daarbij geweldig, zoals men van wilden verwacht.”Niet alle volkeren viel overigens dezelfde behandeling te beurt. Indianen bijvoorbeeld genoten duidelijk een hogere status, en werden veeleer als gasten behandeld. De Wild West Shows van Captain William Frederick Cody, alias Buffalo Bill, waren in België net als elders razend populair, en leven nog altijd voort in het clublied van de voetbalclub AA Gent. Een aantal jonge supporters van de club was de indianenshow gaan bekijken en hadden daar diens strijdkreet ‘Buffalo! Buffalo!’ opgepikt. Sindsdien is ze in Gent nooit meer uit de lucht geweest.

Inspelen op vooroordelen

Voor wie denkt dat het aapjes kijken na 1940 definitief tot het verleden is gaan behoren, is er in het laatste gedeelte van de tentoonstelling plaats ingeruimd voor hedendaagse televisieprogramma’s als Toast Kannibaal en de Nederlandse tegenhanger Groeten uit de rimboe. “Dat soort programma’s lijkt heel integer gemaakt”, zegt Westerman. “Maar eerlijk gezegd: als je zulke titels bedenkt moet je niet lullen dat je niet aan het inspelen bent op bepaalde vooroordelen. En die programma’s zijn niet echt integer zolang ze niet gemaakt worden vanuit een gelijkwaardige uitgangspositie.”Maar ook zonder deze hoogtepunten uit de recente televisiegeschiedenis is het voor Westerman wel duidelijk dat de strijd nog lang niet gestreden is - zo dat al kan. “Ik denk dat de manier van kijken naar de ander voortdurend in beweging is geweest en dat nog steeds is. Toen ik El Negro en ik schreef kon je het woord ‘neger’ niet zonder bijsluiter gebruiken. Maar sinds het boek verschenen is, en misschien heb ik er een antenne voor ontwikkeld, lees ik gewoon in NRC Handelsblad over een neger op de roltrap van de metro. Ik zeg niet dat dat per se slecht is, maar het verbaast me wel dat de lading van een woord zo snel kan veranderen.” We zijn nu verder dan honderd jaar geleden, erkent Westerman. Maar zijn we ook verder dan tien jaar geleden? “Ik denk niet dat er een lineaire lijn is die ergens naartoe gaat. Als ik terugkijk naar de heftigheid waarmee destijds op de vertoning van El Negro werd gereageerd door mensen als Jesse Jackson, dan vraag ik me af of die reactie in de huidige tijd nog even heftig zou zijn. Anderzijds zal de positie van Barack Obama ook weer een heleboel ten goede veranderen. Ik las dat hij zelfs wordt gezien als post racism, voorbij het racisme. Als dat zo is en het beklijft, dan is dat geweldig.” Zijn de trends in de samenleving dus niet eenduidig, in de museumwereld zijn wel een paar zeer positieve ontwikkelingen gaande, vindt Westerman. In 2000 liep de repatriëring van El Negro nog op een dramatische mislukking uit. “Alles wat daar mis kon gaan, ging daar pijnlijk mis. Hij is ontmanteld, en ze hebben hem voor de tweede keer gemaltraiteerd. Uiteindelijk zijn alleen een paar bottten teruggestuurd, en die zijn ook nog naar het verkeerde land teruggestuurd.”Maar een jaar later werden de resten van Saartje Baartman vanuit het Parijse Musée de l’Histoire Naturelle gerepatrieerd naar Zuid-Afrika, en die teruggave werd een voorbeeld van hoe het wel moet, zegt Westerman. “Die zaak is op het hoogste niveau gecoördineerd door Nelson Mandela en Jacques Chirac. De Franse Nationale Assemblée heeft zelfs een wet aangenomen waardoor het mogelijk was om die resten te repatriëren zonder dat het een precedent zou scheppen voor de rest van de verzameling.”Sindsdien gaat het heel hard, aldus Westerman. “Je ziet dat musea overal ter wereld bezig zijn om hun collecties tegen het licht te houden en te kijken wat men wel en niet wil laten zien, en waar men op een fatsoenlijke manier van af kan komen.” Steeds vaker wordt ook het publiek daarbij betrokken: “Het Oudheidkundig Museum in Leiden heeft vorig jaar een tentoonstelling gehouden waarbij ze hun Egyptische mummies uit de context hadden gehaald. Ze hadden een jongetje zonder wikkels in een hemelbedje gelegd, waarbij het aan de bezoeker was of je wel of niet het gordijntje opzij trok en keek. Ook was er een interactief paneel aangebracht waarop bezoekers konden laten weten hoe hun ethische kompas reageerde. Dus de musea gaan de discussie met het publiek aan. Ik vind dat allemaal grote winst. Uiteindelijk gaat het toch over de manier waarop we met elkaar omgaan.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234