Donderdag 30/06/2022

InterviewDaphne Wellens

Actrice Daphne Wellens: ‘Drank is venijnig. Alcohol besluipt je. De alarmsignalen zijn veel minder duidelijk dan bij een drug als cocaïne’

null Beeld Johan Jacobs
Beeld Johan Jacobs

In F*** You Very, Very Much, de heerlijke reeks over twijfelende dertigers op Play4, is het personage van Daphne Wellens (33) wel érg onderhevig aan de zwaartekracht: Violet verliest zich in een affaire, slobbert elke fles witte wijn in haar nabijheid ongenadig leeg en lijkt vergeten hoe ze eerlijk kan zijn tegen haar twee hartsvriendinnen. Maar hoe kijkt de vrouw achter Violet daar tegenaan?

Jeroen Maris

Daphne Wellens: “Ik ben gedoopt en heb mijn twee communies gedaan, maar ik heb lang niets gehad met religie. Of beter: de katholieke kerk riep vooral wrok bij me op. Moesten we met de Chiro naar een misviering, dan was ik geheid diegene die zich luidop afvroeg wat we daar in hemelsnaam zaten te doen. Want de Kerk was toch één grote magneetstrip voor kindermisbruik? En waar haalde ze de morele autoriteit vandaan om met lijstjes vol geboden en hoofdzonden de weg te tonen? Maar de afgelopen jaren ben ik milder gaan denken. Ik begrijp nu dat we allemaal op zoek zijn naar schoonheid en troost – en dat voor sommigen het geloof de vindplaats is.”

Met Frances Lefebure en Evelien Bosmans in ‘F*** You Very, Very Much’. Beeld SBS
Met Frances Lefebure en Evelien Bosmans in ‘F*** You Very, Very Much’.Beeld SBS

“Die nukkigheid tegenover de Kerk paste in een grotere boosheid. Van m’n 18de tot m’n 30ste had ik het nodig om me heel erg tegen mensen en dingen af te zetten. Ik wilde me losmaken van mijn ouders, ik moest weg uit het dorp waar ik ben opgegroeid, ik verlangde naar een blanco vel.

“Begrijp me niet verkeerd: ik werd niet verteerd door een massieve woede. Het was het klassieke uitbreken van iemand die nog volwassen moet worden. Ik taalde naar de stad: ik zat eerst een jaar op kot in Gent en trok daarna naar Antwerpen. Dat stadsleven was een revelatie, maar ik liep meteen ook op de scherpe kant van het mes. Je moet weten: ik was altijd het argeloze en vrolijke meisje uit Kapelle-op-den-Bos geweest, het kind dat danste in het Samson-ballet. Maar in Antwerpen kwam ik terecht tussen kunstenaars die met elk glas wijn zwaarmoediger werden, en ontdekte ik de literatuur – plots las ik boeken die me vertelden dat het leven eerder een dwaaltocht dan een plezierritje is. Het is toen eventjes heel slecht met me gegaan. Ik kon niet terug naar m’n vorige wereld, want die was me te klein. Maar ik was ook geïntimideerd door m’n nieuwe wereld, want die was me te groot. Leven in Antwerpen was tegelijk een openbaring en iets dat me pijn deed.

“Enfin, daarna ging ik in Maastricht studeren, vervolgens keerde ik terug naar Antwerpen, en vijf jaar geleden verhuisde ik naar Brussel – eindelijk naar Brussel. Want ik weet wel zeker dat die stad me het beste ligt.”

Brussel is mooi, maar ook boos. Agressie is er een taal. Of je je nu in het verkeer begeeft, je kind probeert in te schrijven in een school of gewoon wilt deelnemen aan het sociale leven: je moet luid en zelfzuchtig zijn, of de stad vermorzelt je.

(knikt) Ja, ik begrijp helemaal wat je bedoelt. Heb ik een slechte dag, dan vermoeit de stad me, want alles is hier luid en ruw. Maar dat is ook net wat me zo aantrekt: de dagen waarop Brussel me energie en creativiteit bezorgt, waarop de stad me doet floreren, zijn ruim in de meerderheid.”

Gek genoeg heeft verhuizen naar Brussel mijn band met het dorpje waar ik ben opgegroeid hersteld. Ik moest er weg om het weer graag te kunnen zien.

“Ook dat vind ik heel herkenbaar. Ik kijk nu naar het decor van mijn jeugd met iets dat tussen weemoed en liefde zit. Aanvankelijk was ik nog boos, en daar had ik ook best wel concrete redenen voor. Want toen ik een jaar of 18 was, werd er in het dorp niet zo fijnzinnig gereageerd op de breuk met mijn jeugdlief: er waren veel roddels en verwijten. Daardoor werd ik nog méér naar de stad gedreven. Maar dat is zo lang geleden, en intussen ben ik ook volwassen geworden: ik kan de plek waar ik vandaan kom nu gewoon graag zien.”

Violet, je personage in F*** You Very, Very Much, ontziet haar partner en haar vriendinnen: ze drukt nooit uit wat haar dwarszit. Tot het deksel van de pot vliegt, en de grote uitbarsting volgt.

“Zo heb ik het zelf ook lang gedaan. Ik wilde een conflict altijd zo snel mogelijk uit de weg, dus ging ik maar zelden openlijk de confrontatie aan. En werd ik een zeldzame keer wel kwaad, dan was het meteen een massieve uitbarsting, een waarvan ik vervolgens dacht: fúck, dat was een scherpe monoloog.

“Therapie heeft me geleerd dat er niets mis is met de dingen in de ogen te kijken; dat conflict bestaat, en dat er meestal een goeie reden voor is. Ik vind het nu heel belangrijk om te doen wat Violet niet doet: vermijden dat spanningen zich ophopen omdat ze onuitgesproken blijven, om dan in een rotvaart te escaleren. Ik word heel nerveus als er onderhuids allerlei dingen etteren, maar niemand dat durft te benoemen.”

Is die eerlijkheid ook de basis van de innige vier-eenheid die je vormt met Frances Lefebure, Evelien Bosmans – met wie je in F*** You Very, Very Much speelt – en schrijfster Astrid Haerens?

“Een poosje geleden zei Frances in Humo iets heel treffends over die vriendschap: ‘Vroeger ging alles vanzelf tussen ons. Nu is het meer een actieve keuze om bevriend te blijven. Vergelijk het met een huwelijk: de vlinders zijn gaan vliegen en er moet gewerkt worden aan de relatie.’ Ja, dat klopt, hè. Net als in een liefdesrelatie ontwikkelen er zich in een langdurende vriendschap vanzelfsprekende, vastgelegde patronen. Dan moet je de boel eens durven op te schudden. En gelukkig zien wij elkaar zo graag dat een moeilijk gesprek nooit écht moeilijk is. We zijn heel open: wat we zeggen, is wat we bedoelen. Ik vind dat fijn, want vriendschap betekent voor mij niet dat je voortdurend lief moet zijn voor elkaar. Het mag botsen! Als een vriendschap geblutst wordt omdat je je hart op tafel legt, is het dan wel echte vriendschap?”

Je bent een erg mooie vrouw – daar bestaat een mondiale consensus over. Maar ben je daar zélf mee bezig?

“Of ik ijdel ben, wil je weten? Natuurlijk wel, maar niet in die mate dat het pathetisch wordt. (denkt na) Ik ben me er pas onlangs bewust van geworden dat ik in mijn jaren als twintiger mijn vrouwelijkheid actief heb ingezet. Dat ik zo van het spel genoot: kwam ik als 22-jarige een café binnen, dan draaiden de mannenhoofden zich automatisch. Dat is het mooie aan die jaren tussen twintig en dertig: je wordt gezien, je moet niet vechten voor bevestiging. Daarna verandert dat wat, merk ik nu. Het zijn nog maar een paar mannenhoofden die zich draaien. (lacht) Neen, ernstig: ik voel me niet minder mooi dan toen ik nog een twintiger was – al bij al slaag ik er goed in om tevreden te zijn met mijn lichaam. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee ik vroeger de aandacht kon opeisen, die taant.

“Mijn grote ijdelheid zit ’m trouwens in iets anders. In de uren voor jij kwam, kon ik me nauwelijks concentreren, omdat ik voortdurend dit interview luidop aan het oefenen was. Wat zou ik allemaal zeggen, en hoe kon ik het intelligent doen klinken? (lacht) Zo heb ik ook al lang mijn speech klaar voor wanneer ik een Oscar win. Ik had het ook toen ik mocht meedoen aan De slimste mens: vooraf was ik meer bezig met vinnige antwoorden te verzinnen op potentiële vragen van Erik Van Looy dan met studeren. Het resultaat was er ook naar: ik lag eruit in de eerste aflevering. (lacht)

Hoe groot is je zelfvertrouwen? Vind je jezelf een cadeau voor de wereld, of excuseer je je voortdurend omdat je ademt?

“Ik ben in transitie. (lacht) Heel lang heb ik tot de tweede categorie behoord. Bij mijn vrienden was ik altijd diegene die makkelijk en meegaand was: werd er iets georganiseerd, dan plooide ik me naar de wensen en de agenda van de anderen. Daar raakte ik een beetje gefrustreerd over, en nu durf ik mezelf meer te laten gelden.

“Ik lijd aan uitstelgedrag: mijn motor moet eerst warmlopen voor ik écht aan iets begin. Maar zodra die motor brult, kan ik me echt verliezen in een project. Als ik een rol speel, leid ik een eendimensionaal leven: dan is er alleen maar die rol. Ontspanning is ook iets moeilijks voor mij. Ik voel me al schuldig als ik gewoon televisie zit te kijken. Nee, ik kan niet zo goed chillen. Het is een contradictie: ik roep luid dat we in onze samenleving werk een te grote plaats hebben gegeven, en dat we net meer moeten chillen. En ik vind dat ook echt, maar ik pas het zelf niet zo goed toe.

“Ik probeer nu om selectiever te zijn in mijn professionele keuzes. Ik sta bijvoorbeeld in de musical ‘40-45’, en ik vind het leuk om gewoon dát te doen – en even niets ernaast. Maar als iemand me dan vraagt met wat ik nog zoal bezig ben, voel ik toch een zekere schroom om dat toe te geven. Terwijl ik het dus eigenlijk helemaal niet meer stoer vind om jezelf kapot te werken, integendeel, het is triest.”

Heb je het gevoel dat je je vak onder de knie hebt?

“Ik ben vaak bang dat ik dingen fout zal doen, en dat zit me nog wat in de weg. Soms moet je gewoon iets proberen, hè, en dan zie je wel hoe het afloopt. Zo gaat dat met acteren ook. Ik zou baat hebben bij wat meer nonchalance. Bij de gedachte: ik probeer iets, en als het niet goed is, dan los ik dat vervolgens wel op.”

Is een mens iets verschuldigd aan z’n talent? Móét je met je gave aan de slag?

“Ik vind van niet. Ik geloof wel dat het gelukkig kan maken, je talent vinden en daarmee je leven inrichten. Dat het een mens goed doet te voelen dat hij een klein beetje van betekenis kan zijn. Maar een verplichting mag dat nooit zijn – ik geloof niet in móéten.

null Beeld Johan Jacobs
Beeld Johan Jacobs

“Ik werk via interimkantoren. Dat betekent onder meer dat ik, als ik in een jaar een bepaald aantal dagen gewerkt heb, op het einde een dertiende maand krijg. Vorig jaar kwam die niet, terwijl ik het naar mijn gevoel héél druk had gehad. En toen besefte ik dat ik wel veel dagen gewerkt had, maar niet voldoende dagen betááld gewerkt had. Ik had bijvoorbeeld een vriend van me beloofd om een stuk van zijn amateurtheatergezelschap te regisseren. ’t Was iets van Oscar Wilde waar ik veel zin in had, en ik vond het ook nuttig om mijn skills als regisseur aan te scherpen. Maar ik deed het op vrijwillige basis, en tijdens de kerstvakantie besefte ik: als je in dit vak zit, moet je er op een bepaald moment wel voor zorgen dat je betaald wordt. Ik heb toen met veel spijt in het hart moeten zeggen dat ik dat onbetaalde regisseren geen jaar lang vol kon houden.”

Hoe creatief je vak ook is, er zit ook een zakelijke kant aan.

“Precies. Ik was nogal goed in het bedotten van mezelf. Bij het regisseren van dat stuk hield ik mezelf voor dat het een onderdeel van mijn opleiding was, of gewoon een hobby. Maar dat klopt natuurlijk niet: het is mijn job, en voor een job moet je betaald worden.”

Geef je graag geld uit?

“Ik vind gierigheid een lelijke eigenschap, waardoor ik al mijn geld uitdeel. (lacht) Neen, da’s niet waar, maar ik vind het wel wonderlijk hoe makkelijk geld verdwijnt. Ik heb nochtans helemaal niet het gevoel dat ik zo’n big spender ben. Mensen die voor het slapengaan nog een rondje online shoppen: ik begrijp het niet, want ik heb een hékel aan shoppen. En ik ben ook al niet het type dat absoluut dure meubels wil. Waar ik wél graag geld aan uitgeef, zijn ervaringen. Eten, reizen – dat soort dingen. Maar sinds enkele jaren zit ik in de fase waarin iedereen rond me een huis of een appartement koopt. Dat zijn Robby – mijn vriend – en ik nu ook aan het doen: we hopen binnenkort onze eigen stek te hebben.

“In mijn jaren als twintiger werd mijn vriendenkring er eentje van acteurs. Dat is een competitieve wereld, want iedereen wil spelen. Maar ik dacht oprecht dat ik mijn hechtste vrienden – Frances en Evelien, bijvoorbeeld – al het licht van de wereld gunde. Dat ik niet vatbaar was voor jaloezie. En dat dacht ik ook nog toen Evelien haar grote doorbraak beleefde: plots liep het geweldig voor haar, en holde ze van het ene succes naar de andere mooie ervaring. Ik vond het allemaal prachtig voor haar. Maar een paar jaar later voelde ik de jaloezie plots opzetten. Een grote, overweldigende golf was het, en ik schrok van het gevoel op zich, en van de felheid ervan. Maar eigenlijk, zo besef ik nu, was het gewoon logisch. We wilden beiden zo graag actrice worden, en bij Evelien lukte op een bepaald moment gewoon alles, terwijl het voor mij allemaal veel moeizamer liep. Ik ging mee naar premières en feestjes, en daar draaide het allemaal rond haar. Ik was decorum. Natúúrlijk zat dat me niet lekker! Maar het heeft dus lang geduurd voor ik dat durfde te voelen. Achteraf bekeken was het absurd en ongezond om te geloven dat ik alleen maar de supportive friend was. Maar het is net omdat we van jaloezie zoiets lelijks en gruwelijks maken, dat we het niet willen zien, en het onderdrukken. Liever maken we onszelf wijs dat we iedereen alles gunnen.

“In de zomer voor we F*** You Very, Very Much zouden opnemen, heb ik het ook allemaal uitgesproken tegen haar. ‘Sorry, Evelien, maar ik moet je zeggen hoe ik plots geweldig jaloers op je ben geworden.’ Het grote gesprek, ja, met veel drama en tranen. Maar: het was prachtig. Want Evelien begreep het helemaal, en haar besluit was ontroerend: ‘Ik zie je nu nog liever, Daphne.’

“Het is een belangrijke les voor me geweest: jaloers zijn is heel menselijk, en het heeft geen zin om dat gevoel te ontkennen. Spreek het gewoon uit!”

Geldt hetzelfde in de liefde?

“Daar ligt het toch enigszins anders. Mensen zeggen soms dat jaloezie een uiting van liefde is. Dat is je reinste onzin. Als ik jaloers ben op een chick met wie mijn lief staat te praten, gaat dat niet over hem, hè – wel over mij.

null Beeld Johan Jacobs
Beeld Johan Jacobs

“Ik ben op het perverse af gulzig. In de eerste jaren van onze relatie is Robby daar wel een beetje van geschrokken, geloof ik: hoe ik voortdurend wil dat alles echt en vol en veel is. Hij is een pak rationeler dan ik. En in die eerste jaren zat ik misschien iets te vaak in hem te prikken. ‘Jij bent blij als ik huil’, zei hij me eens. En hij had gelijk, besefte ik: alles moet intens zijn voor mij.”

Stelt het leven je dan niet vaak teleur? Veel is toch routine, aanmodderen, praktische wissewasjes.

“Nee, daar heb ik eigenlijk geen last van. Er zit veel chaos in mijn leven: ik beland niet snel in sleur, en ik vind dingen zelden saai. Als het in mijn hoofd maar broeit: dan is het goed.”

Ben je ook gulzig in de letterlijke zin?

“O, ja. Ik kan echt véél eten. Er bestaan mensen die neen antwoorden op de hypothetische vraag of ze nog zouden eten als dat niet noodzakelijk was om in leven te blijven. Dat is toch gestoord? Iets dat met kunde en liefde voor je wordt klaargemaakt, en dat dan opeten: hemelser wordt het toch niet?”

Slik of snuif je je weleens naar de roes?

“Neen. Drugs hebben me nooit iets gezegd. En ik schrok heel erg toen ik begreep hoe wijdverspreid pakweg cocaïne is. En niet alleen in het wereldje van de kunsten, hè: het is overal. Op café heb ik me weleens eenzaam gevoeld als mensen in de toiletten gingen snuiven en dan als een andere, lelijkere versie van zichzelf weer buiten kwamen.

“In mijn periode in Nederland zag ik veel mensen die er serieus aan hingen. Vaak leidde dat tot een treurige climax, en stopten ze er vervolgens voorgoed mee. Drank is venijniger, denk ik. Alcohol besluipt je. De alarmsignalen zijn veel minder duidelijk dan bij een drug als cocaïne.”

Je personage heeft een stevig alcoholprobleem.

“Ik ben snel alert als dingen niet goed zitten – problemen wil ik op tafel gooien, ze aanpakken. Maar Violet doet net het omgekeerde: ze schuift de problemen opzij, en verdooft zichzelf voortdurend.

“Ik vond het fijn dat Bert Scholiers (scenarist, red.) net dát personage voor mij had uitgedacht: een tandarts met een minnaar en een alcoholprobleem. Het was boeiend om helemaal in Violet en haar destructie te kruipen. In die mate dat ik er zélf destructiever van werd: ik begon bijvoorbeeld weer te roken. Ik dacht: het mag, want het past bij mijn personage. Nu goed, daarna ben ik weer netjes gestopt.”

Met een zelfhulpboek? In een interview zei je eens dat je daar gek op bent.

“O, ja! Ik vind het ontspannende lectuur. Hoopgevend, ook, omdat zo’n zelfhulpboek je ervan overtuigt dat je een stukje van je leven béter kunt maken. Ja, misschien is dat wel m’n grote verslaving. (lacht)

Voor het overige ben je niet vatbaar voor verslaving?

“Neen, dat denk ik niet. Acteur Jeroen Perceval zei onlangs wel dat je je geen illusies moet maken: als je ’s avonds een glas wijn nodig hebt, ook al is het er maar één, dan ben je jezelf aan het verdoven. En dat doe ik wel geregeld, net als uitgaan en me heerlijk volgieten. Maar toch loop ik niet het risico om zoals Violet helemaal in de armen van de alcohol te vallen. Net omdat drinken je de dingen minder scherp doet zien, en je problemen wegmoffelt. Ik wil het omgekeerde: het leven vol aangaan.”

Maar alcohol kan de dingen toch net ook verhevigen?

“Dat is ook waar: je durft meer, je spreekt je sneller uit. En zonder alcohol had ik veel minder seks gehad in mijn leven. (lacht)

Je personage leidt een soort van dubbelleven met haar minnaar.

“Au fond vind ik niet dat het een regel moet zijn dat seks exclusief is. Maar bij Violet is er wel een groot probleem, natuurlijk: ze slaagt er niet in om eerlijk te zijn. Ze liegt de boel bij elkaar. Dat hoop ik te vermijden in mijn leven. Ik zeg mijn lief weleens dat het geen dealbreaker zou zijn als hij eens met iemand anders zou slapen, maar dat ik het dan wel graag zou willen weten. Ik vind het eng als dingen stiekem gebeuren.”

Want dat is eigenlijk het fundamentele probleem van Violet: ze laat zich niet zien aan haar partner.

“Precies. Dat gaat veel verder dan wat buitenechtelijke lust. Ze verbergt haar gedachten, haar verlangens, wie ze werkelijk is.”

Je bent vier jaar samen met je lief.

“Ja, en het is ook voor het eerst dat ik echt samenwoon. Heel spannend vind ik dat, ook op seksueel vlak. Als single had ik ook seks, en op die momenten voelde ik me op en top vrouw. Ik werd er zelfzeker van. Want bij een onenightstand is er alléén de lust en alléén de seks: twee lijven die elkaar heel graag willen. Ik zag geen slappe piemels, terwijl mijn seksuele beleving in die vaste relatie veel intiemer voelt, net omdat ik niet meer de hele tijd een erectie zie. Begrijp je wat ik bedoel? In een relatie geef je jezelf bloot, maak je jezelf kwetsbaar. Ik vind het zoveel intiemer dat mijn lief mij echt kent zoals ik helemaal ben, en vice versa. Waar ik altijd bang voor was – dat ik het nooit jaren met dezélfde man zou kunnen – blijkt nu helemaal geen probleem.

“Ik vind het ook fijn om over seks te praten met mijn lief. Iemand die zich durft te laten zien, die benoemt wat hij verlangt, dat vind ik aantrekkelijk. Sommige mensen vinden dat dat de spanning weghaalt. Ik vind het net tof om te zeggen: ‘Kom, we gaan nu seksen.’”

Vier jaar geleden noemde je je beeld van de liefde nog ‘cynisch’.

“Dat was ook echt zo. Zodra ik een relatie had, flipte ik op het zogenaamd burgerlijke daarvan. Dan begon ik te oreren: ‘Ik wil dit conventionele leven niet!’ Na vier maanden samen met Robby maakte ik het uit. Hij schudde zijn hoofd: ‘Neen, dit klopt niet, Daphne.’ Een week later waren we weer samen: ik had ingezien dat mijn angst voor sleur en routine me weghield van mijn geluk. We hebben elkaar op dat moment beloofd om samen onze weg te zoeken, op onze eigen manier, zonder ons iets aan te trekken van wat anderen ervan denken.”

Maar waarom was je zo bang? Heeft het te maken met je familiegeschiedenis – zowel je ouders als al je grootouders zijn gescheiden?

“Het zal er wel veel mee te maken hebben, ja. Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik een puber was. Ik was 14 en reageerde er sterk en volwassen op. Ik heb jaren niet gehuild. Ik had mezelf op slot gedraaid, ja, omdat ik voelde dat mijn ouders het moeilijk hadden, en ik dacht dat ik het niet nog erger mocht maken. Als twintiger kwam de woede pas. Niet op mijn ouders, hoor. Wel op Disney – op het zoetsappige, ‘op het einde leeft iedereen nog lang en gelukkig’-verhaaltje. En ik schoot door naar de andere kant, en zag de liefde als een grote mestvaalt.

“Als mijn lief in het begin van onze relatie het woord trouwen uitsprak, lachte ik hem uit. Ik deed echt meewarig over de grote, stabiele liefde. Ik zag alleen pragmatisme, hang naar veiligheid – en dat kon allemaal niets met passie te maken hebben, dacht ik. Nu weet ik dat ik gewoon bang was om in te dommelen. En dat dat niet nodig is, omdat Robby en ik dat simpelweg niet laten gebeuren.”

Je hebt het nooit meer uitgemaakt?

“Ik stond eens voor een intensieve draaiperiode, en toen hebben we een formele afspraak gemaakt: in de volgende zes maanden gaan we niet uit elkaar. Dat was een grapje, maar toch niet helemaal. Want anders had ik het misschien wel weer geflikt. Tijdens zo’n draaiperiode word ik helemaal opgeslorpt door mijn werk, en vergeet ik de liefde soms. Daardoor wordt die minder intens, en krijg ik weer de neiging om het af te bollen – wat een destructieve logica, eigenlijk. Enfin, we hebben het toen dus zo gedaan, en na die draaiperiode stroomde de liefde weer. En ik besefte: je moet niet élke kans grijpen om weg te gaan. Dat is mijn grote winst van de afgelopen jaren: dat ik nu weet dat mijn geluk ook kan liggen in blijven.”

F*** you very, very much, maandag om 21.45 uur op Play4.

© Humo

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234