Maandag 04/07/2022

AchtergrondFranse presidentsverkiezingen

Adieu Frankrijk, land in brand: ‘Er is het Frankrijk van de grote steden en dat van het arme achterland’

Gelehesjesprotest op de Champs-Élysées in Parijs, 2018. Het was maar een van de vele crisissen die Frankrijk in de afgelopen jaren het hoofd moest bieden. Beeld BELGAIMAGE
Gelehesjesprotest op de Champs-Élysées in Parijs, 2018. Het was maar een van de vele crisissen die Frankrijk in de afgelopen jaren het hoofd moest bieden.Beeld BELGAIMAGE

Correspondent Marijn Kruk neemt afscheid van Frankrijk, een land dat hij de afgelopen vijf jaar van de ene crisis in de andere zag tuimelen. Als Emmanuel Macron zondag wordt herkozen, wacht hem een haast onmogelijke taak.

Marijn Kruk

Vijf jaar geleden was Vladimir Poetin de eerste buitenlandse leider die op bezoek ging bij kersvers president Macron. Dat gebeurde in grootse stijl. Er was een ontvangst in het Grand Trianon, in het park van Versailles. Als Poetin zich nog geen tsaar wist, dan kon hij het zich op bezoek in Frankrijk in ieder geval wanen.

Het persmoment had iets onwerkelijks. Hier stond de pas 39-jarige Macron zij aan zij met de man die even eerder geprobeerd had de Franse verkiezingen met een desinformatiecampagne te beïnvloeden in het voordeel van Macrons tegenstander, Marine Le Pen. Macron toonde zich ferm, zei dat dit niet getolereerd zou worden. Poetin glimlachte vlak.

Twee jaar later, toen de gele hesjes Macron het politieke leven zuur maakten, zouden Russische trollen opnieuw naar hartenlust stoken.

Een maand geleden schitterde Poetin opnieuw in Versailles – nu door afwezigheid. Onder de kroonluchters verzamelden zich dit keer ­Europese regeringsleiders om sancties af te spreken. Dit na vergeefse pogingen om de Russische president tot de-escalatie te bewegen. Volgens dagblad Le Figaro vonden sinds het begin van de oorlog in februari meer dan tien videocalls plaats tussen Poetin en Macron, steeds van minimaal een uur. Een “ondankbare” klus noemde Macron dat twee weken geleden, waarbij het “cynisme bij ieder gesprek op de afspraak was” – zoals toen Poetin expliciet weigerde een humanitaire corridor vanuit de belegerde stad Marioepol te openen. Macrons opstelling inzake Poetin, in lijn met het beeld dat we in het buitenland van hem hebben: dynamisch, constructief, open, ferm als het moet.

Ook binnen de Europese Unie manifesteerde Macron zich de afgelopen vijf jaar nadrukkelijk. Terwijl Merkel amper nog nieuwe initiatieven ontwikkelde, schetste de Franse president het ene na het andere vergezicht. Al bij het begin van het presidentschap zette hij de toon. In een veelbesproken rede aan de Sorbonne pleitte hij voor een ‘Europese soevereiniteit’. In een wereld die in het teken stond van de rivaliteit tussen een opkomend China en de Verenigde ­Staten kon Europa niet achterblijven. Hij zette zich in voor Europese obligaties (Eurobonds) en zelfs voor een Europees leger.

Het resultaat bleef wat achter, maar de ambitie is intact. Zo zou je het presidentschap van ­Macron in één zin kunnen kenschetsen. Via een revolutie door het midden had hij in 2017 het bestaande politieke landschap opgeblazen. Na ‘bling­bling­president’ Sarkozy en de ‘normale’ president Hollande was zijn primaire zorg om de koninklijke mystiek van het Franse presidentschap te herstellen. Daarna wilde hij rust brengen in het door tegenstellingen verscheurde land. Macron was de Obama français, de president van de hoop. Dat liep even anders. Eerst waren er de gele hesjes, begonnen als een half ludieke protestbeweging die zich manifesteerde op rotondes op het platteland, maar die in een paar weken tijd evolueerde tot een jacquerie die het hoofd van de president eiste. Ik herinner me de rijen brandende auto’s in de deftige Rue Saint Honoré op 1 december 2018, de geplunderde Arc de Triomphe, of de politieagenten op de Place de la Concorde die in het nauw werden gedreven door oprukkende ­demonstranten.

Emmanuel Macron op campagne in Marseille, april 2022.  Beeld Photo News
Emmanuel Macron op campagne in Marseille, april 2022.Beeld Photo News

Betweter

We kijken nu huiverig terug op de gebeurtenissen van 6 januari 2021 in het Capitool in Washington. Toen bestormde een meute Trump-aanhangers het Amerikaanse parlement in een poging de verloren verkiezing ongedaan te maken. Maar tijdens de opstand van de gele hesjes had het een haar gescheeld of het Franse presidentieel paleis zou eenzelfde lot zijn beschoren. “Bij mijn collega’s heerste de vrees dat we onze positie niet konden houden”, getuigde een agent die op 150 meter van het tuinhek stond opgesteld op radiozender France Inter. “Als we waren aangevallen op de plaats waar ik stond, zouden we het niet hebben gehouden. Het Élysée zou zijn gevallen.”

Zelf stond ik die middag bij het museum Jeu de Paume, te midden van geradicaliseerde gele hesjes, en kon die agent bij wijze van spreken in de ogen kijken, zo dichtbij was het. Het fundament van de democratie wankelde; er heerste die dag wetteloosheid in Parijs. Het was een angstaanjagend moment.

De verwachting was dat de opstand rond Kerst zou luwen, maar hij duurde nog het hele volgende jaar. Wekelijkse vernielingen hielden toeristen weg en wurgden geleidelijk aan de Parijse middenstand. De Franse oproerpolitie liet zich na de eerdere tegenslag niet onbetuigd en sloeg hard terug.

Na verloop van tijd trad een zeker cynisme in. Met een miljardenpakket aan overheidssteun had Macron de angel uit het conflict proberen te halen. Toen dat niet lukte, speculeerde zijn regering erop dat de beweging zich door haar eigen extremisme zou discrediteren. Dat gebeurde, maar het was voor niemand een fraai gezicht, met uitingen van antisemitisme en de waanzinnigste complottheorieën. De prijs was hoog: demonstranten verloren ogen, ledematen en liepen zware hoofdletsels op – veroorzaakt door omstreden flashballgranaten.

Hier openbaarde zich de tragiek van Macrons presidentschap: hij zou het land hervormen en apaiseren. Hij was de president die alles goed zou maken, en het eerste jaar leek dat hem ook te lukken. Hij slaagde erin om de vakbonden voor zijn omstreden arbeidsmarkthervormingen te winnen, en het beetje protest dat er was zakte snel in. Maar na de gelehesjescrisis kantelde dat. Met zijn nu weer betweterige en dan weer repressieve optreden verdiepte Macron de tegenstellingen eerder dan dat hij bruggen sloeg.

De gelehesjesopstand ging naadloos over in stakingen tegen de pensioenshervorming die het land wekenlang zouden platleggen. Macron bond in en zijn plannen stierven een stille dood tijdens de coronapandemie. De harde Franse lockdown betekende het einde van het gele­hesjes­protest.

Maar de banlieue nam het over. Opgehokte jongeren voerden spectaculaire vuurwerk­aanval­len uit op politiebureaus en zetten die online; drugsbendes grepen het moment aan om territoriumstrijdjes uit te vechten.

Het was koren op de molen van radicaal-­rechtse politici als Éric Zemmour en media als CNews. Valérie Pécresse, de gefnuikte kandidaat van de centrumrechtse Les Républicains, aarzelde niet tijdens haar grote campagnebijeenkomst over ‘Le Grand Remplacement’ te spreken, een extreemrechtse complottheorie. “Al vier jaar en vijftig weken domineren radicaal-rechtse thema’s”, twitterde een Franse commentator afgelopen week. “En twee weken voor de verkiezingen zijn we verbaasd dat ­Marine Le Pen in de tweede ronde staat.”

Dagelijks traangas

Toen ik in 2004 naar Parijs verhuisde – aanvankelijk om een vervolgmaster te doen, later om er te werken als correspondent – kende ik het contemporaine Frankrijk hoegenaamd niet. Ja, ik wist wie Charles De Gaulle was, maar dat was het wel zo’n beetje. Wat ik dankzij mijn geschiedenisstudie in Utrecht wél had leren kennen was de eerste helft van de negentiende eeuw – overschaduwd als die werd door de Franse ­Revolutie.

Dat zou een prima handvat blijken. De Franse Revolutie was in 1789 begonnen, maar was ze ­eigenlijk wel geëindigd? De Revolutie zag de geboorte van de moderne politiek. Liberalisme, socialisme, maar ook conservatisme en anarchisme deden zich voor het eerst als ideologie gelden. En in enkele jaren tijd trokken vrijwel alle moderne staatsvormen voorbij.

Tegelijk was er een levensgroot probleem. De mannen en vrouwen van 1789 hadden weliswaar afgerekend met het absolutisme en de klassensamenleving, maar ze waren er niet in geslaagd de principes van vrijheid en gelijkheid te verankeren in stabiele instituties die op een breed maatschappelijk draagvlak konden rekenen.

Van een gedeeld fundament waarop de principes van de Revolutie konden worden geankerd, was ook anderhalve eeuw later geen sprake. “Tussen ons en de communisten is er niets”, schreef André Malraux eind jaren 1940 aan De Gaulle. François Mitterrand, medeoprichter van de Parti Socialiste, zou tot diep in de jaren 70 naar de pijpen dansen van communistenleider George ­Marchais. Pas halverwege de jaren 80 ontwaarden de historici François Furet, Pierre Rosanvallon en Jacques Julliard iets van een institutionele consensus (in een boek met de veelzeggende titel La République du centre).

Geen Franse president die zijn populariteitscijfers niet na een jaar zag inzakken. Maar de virulente haat die Macron oproept is niet eerder vertoond.  Beeld Getty Images
Geen Franse president die zijn populariteitscijfers niet na een jaar zag inzakken. Maar de virulente haat die Macron oproept is niet eerder vertoond.Beeld Getty Images

Tegenwoordig roepen Franse afgevaardigden inderdaad niet langer op tot revolutie. Op een enkeling na noemt iedereen zich republikein. Toch is de geest van de Revolutie springlevend. Ze komt tot uiting in tal van dingen, maar uit zich bovenal in wat de Fransen jusqu’au-boutisme noemen, een bereidheid om tot het gaatje te gaan. Ik zag het bij de stakende kraandrijvers in Marseille en beluisterde het bij de ultraradicale filosofen wier seminars ik volgde aan de École normale supérieure. Mijn Franse vriendinnetje had het te pas en te onpas over de noodzaak ‘wat hoofden af te snijden’. Ook in de rest van de Franse samenleving leefde die wens. Misschien niet zó letterlijk, maar wel was er steeds de diepe overtuiging dat alles anders moest. Il faut renverser la table, heette het dan. De tafel moet omver.

Het ging verloren in het spektakel rond de verrassende overwinning van Macron in 2017. Maar in de eerste ronde, het moment dat de Franse kiezer met zijn hart spreekt, koos een meerderheid voor een radicale kandidaat. Ik moest eraan terugdenken op de gewraakte gelehesjesavond van 1 december, toen op de Place de la Bastille de uiterst linkse econoom Frédéric Lordon begon over de gelegenheid die zich aandiende om “iets te doen, om alle woede in een ketel te gooien en het vuur hoog te draaien”. Hij hield zijn publiek voor dat de macht “minder solide” was dan gedacht, dat ze gemakkelijk zal “ontrafelen”, dat het een kwestie was van haar “te betreden”. “We moeten naar het Élysée gaan, Macron duidelijk maken dat hij gefaald heeft en hem vervolgens zeggen: ‘En nu oprotten, jij.’”

In Frankrijk voelde ik me niet zelden een conflictverslaggever. Mijn eerste halfjaar als correspondent was een ware vuurdoop. Dat begon met Corsicaanse nationalisten die een veerboot van de noodlijdende rederij SNCM hadden gekaapt. Ik herinner me hoe ik vanuit de bus van het vliegveld van Bastia rechtstreeks in een veldslag tussen de Franse oproerpolitie en Corsicaanse jongeren stapte. De grijze huls van een traangasgranaat stuiterde over het asfalt en kwam tegen mijn rolkoffertje tot stilstand.

Nog geen drie weken later werd ik naar een ander ‘buitengebied’ van de republiek gestuurd: de banlieue. Hier broeide het sinds toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy dat voorjaar op werkbezoek had verkondigd dat hij de buitenwijken zou bevrijden van ‘het gespuis’ – met een hogedrukspuit als het moest. Op 27 sepember waren twee jonge tieners in Clichy-sous-Bois omgekomen door elektrocutie toen zij in een transformatiehuisje schuilden voor de politie.

Die avonden braken er rellen uit. Jongeren staken duizenden auto’s in brand maar hadden het ook op stadsbussen, scholen en bibliotheken gemunt. In de Cité des 3000, een wijk van Aulnay-sous-Bois, was ik destijds in een onbesuisde bui op een groepje jongens afgestapt. Er ontstond een gesprek, waarbij de leider, ene Mourad, me onophoudelijk met zijn vinger in de borst priemde om zijn punt te onderstrepen. “Hoe zou jij het vinden als ik je ‘gespuis’ noemde? Nou, zeg op, ik stel je een vraag.” En dat dan een keer of vijf achter elkaar. Indringende ogen vanonder een witte baseballpet. “Wat je de afgelopen dagen zag was een golf”, zei Mourad, verwijzend naar de aanhoudende rellen. “Maar als straks de tsunami komt, wat doet Sarkozy dan? We hebben hier allemaal wapens liggen.”

In Frankrijk is de politie niet je vriend, dat was een van de dingen die ik al snel leerde. De politie is er niet om de burgers te beschermen, maar om de continuïteit van de Franse staat te waarborgen. Soms gebeurde dat met zeer harde hand, zoals in 1961, toen de politie met grof geweld een demonstratie van de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging neersloeg. Zeker tweehonderd mensen kwamen om, velen van hen werden de Seine in geknuppeld en verdronken. Het zou tot 2012 duren eer de Franse overheid, bij monde van president Hollande, deze feiten erkende.

Onheilsprofeet

De rellen in de banlieue doofden half november uit, maar toen diende zich alweer een nieuwe crisis aan. Dit keer was Parijs zelf het hoofdtoneel. In de strijd tegen de endemische jeugdwerkloosheid had de regering een plan bedacht: het contrat première embauche. Dat moest werkgevers verleiden om probleemjongeren een vaste baan te bieden. In ruil kreeg de werkgever twee jaar lang het recht de werknemer zonder opgave van reden te ontslaan.

Vakbonden, studenten en scholieren kwamen vrijwel direct in opstand tegen deze ‘kleenex­banen’ en begin februari vond de eerste grote demonstratie in Parijs plaats. Op universiteiten in het hele land werden ‘AG’s’ bijeengeroepen: assemblées générales, vertegenwoordigende lichamen van de studentenpopulatie, die konden beslissen of er werd overgegaan tot staking en dus tot sluiting van de universiteit. In korte tijd marcheerden dagelijks scholieren door de straten en lag het hele universitaire leven in de hoofdstad plat.

Met Vladimir Poetin in 2019. Beeld AP
Met Vladimir Poetin in 2019.Beeld AP

Na drie maanden ging de regering door de knieën, ze haalde het omstreden plan van tafel. De straat had gewonnen, zoals dat heette. Eigenlijk won de straat altijd. Hervormingen werden ingetrokken of werden dusdanig uitgekleed dat van de initiële ambitie weinig overbleef. Het trauma van 1995, toen president Chirac zich na zes weken van verlammende stakingen en straatprotesten genoodzaakt zag om belangrijke pensioenhervormingen van tafel te halen, zat diep. “Frankrijk is een onregeerbaar land, dat niets van onze hervormingen moet hebben”, verzuchtte Chirac eens tegen een bevriende journalist.

In 2003, een jaar nadat Jean-Marie Le Pen wist door te dringen tot de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, had de liberale publicist ­Nicolas Baverez een klein boekje gepubliceerd: La France qui tombe (‘Het Frankrijk dat valt’). ­Baverez hekelde het Franse onvermogen tot verandering, tot aanpassing aan een ‘nieuwe wereld’ die zich aandiende, dat wilde zeggen: de geglobaliseerde wereld, waarin de Angelsaksische landen de toon zetten. Baverezs boutade veroorzaakte een sensatie. Politici en media reageerden als door een wesp gestoken en zetten hem weg als ‘déclinologue’, een type intellectueel dat de onafwendbare neergang van Frankrijk bezingt, en waartoe ook schrijver Michel Houellebecq en polemist (en onfortuinlijk presidentskandidaat) Éric Zemmour gerekend worden.

Tegelijk was het een diepgeworteld sentiment. In 2013 dacht 73 procent van de Fransen dat hun land in verval was. Een jaar eerder had ik Baverez opgezocht ter gelegenheid van de publicatie van zijn nieuwe boek: Réveillez-vous! (‘Ontwaakt!’). Ik had hem cynisch verwacht, want zijn diagnose was na negen jaar nog steeds dezelfde. Maar hij aanvaardde zijn rol als onheilsprofeet gelaten. Hij zei het nogmaals: Franse presidenten hadden het land niet de globalisering binnengeleid, maar “gefunctioneerd als een psychologische hulpverleningsdienst”.

Over François Hollande, die een half jaar eerder verkozen was als eerste linkse president sinds Mitterrand, maakte Baverez zich weinig illusies. En inderdaad: ook Hollande zag zich genoodzaakte forse consessies te doen aan de straat. Die straat was ondertussen een stuk gewelddadiger geworden. Steeds vaker deed het militante, anarchistische black bloc zich gelden, meestal aan het einde van een demonstratie.

De ruiten van banken, verzekeraars, makelaars werden systematisch ingeslagen. Ook de McDonald’s-­vestiging nabij de Jardin des Plantes was regelmatig slachtoffer. Ik herinner me een 1 mei­viering waar de vakbond CGT, ooit de schrik van menig Franse industrieel, verstek liet gaan uit vrees voor ontsporingen.

Had Baverez gelijk? Hadden Franse politici veertig jaar verspild, terwijl de rest van de wereld was opgestuwd in de moderniteit? Dat er in veertig jaar niets was gebeurd, is moeilijk vol te houden. Het verschil met het Frankrijk van 1975 was dat tussen een ontwikkelingsland en een hoog­ontwikkeld land: de gemiddelde koopkracht en de arbeidsproductiviteit waren verdubbeld. De levensverwachting was met zeven jaar gestegen. Flexibele arbeid was spectaculair toegenomen – hoezeer de vakbonden ook voor hun ‘verworven rechten’ op de bres stonden. Wat dat betreft had zich wel degelijk een neoliberale revolutie voltrokken, al ging die trager, en ook minder diep dan in de Angelsaksische wereld.

Er was een diensteneconomie ontstaan; industrie en landbouw verloren terrein. En geleidelijk aan was er een kloof gegroeid met aan de ene kant het Frankrijk van de grote steden, het Frankrijk dat aansluiting zocht bij én profiteerde van de globalisering, en aan de andere kant het verarmde achterland. Het Frankrijk van het elektrische stepje en het Frankrijk dat afhankelijk was van dure, vervuilende diesel. Het was niet dat politici in Parijs het niet probeerden. Sarkozy overlegde met de werknemers van lingeriefabrikant Lejaby, Hollande met de staalindustrie in Florange, Macron met de ex-werknemers van vaatwasserproducent Whirlpool in Amiens: steeds bleven ze met lege handen achter.

Ik vergezelde Hollandes economieminister ­Arnaud Montebourg eens op werkbezoek naar de Auvergne. We bezochten een metallurgiebedrijf dat hoogwaardige legeringen produceerde voor de vliegtuig- en biomedische industrie. Via een investeringsfonds had de Franse overheid 4 miljoen euro bijgedragen aan de 40 miljoen euro kostende fabriek. “Een ander had de productie allang naar het buitenland verplaatst”, vertelde Montebourg terwijl we met een escorte van vijf auto’s met daarin achtereenvolgens de prefect, een regiobestuurder en de burgemeester door het vulkaanlandschap zoefden. “Maar deze directie heeft lef getoond. Dat mag niet onopgemerkt blijven.”

Dergelijke pogingen konden niet verhinderen dat het sentiment stilaan keerde. Gele hesjes met wie ik sprak toen de onvrede tot ontploffing was gekomen, klaagden over gestaag toenemende lasten, achterblijvende koopkracht, een ziekenhuis dat maar niet klaar raakte, boodschappen waarvoor je steeds verder moest rijden. Het establishment in Parijs werd beschouwd als een zichzelf verrijkende kaste. De accijnsverhoging op diesel was de vonk, maar de onvrede zat dieper. Onderweg in de Auvergne maande Montebourg de chauffeur te stoppen, stapte uit, stak de weg over en leegde zijn blaas tegen de vangrail met uitzicht op de Puy-de-Dome. “Que c’est beau!”

Een paar jaar later was het in dit landschap dat Macron op een haar na werd gelyncht. De haat die de huidige president oproept is verontrustend en heeft tegelijk iets raadselachtigs. ­Macron is communicatief, charmant, begaan, al zijn hele leven samen met de vrouw die ooit zijn theaterdocente was. Geen Franse president die zijn populariteitscijfers niet na een jaar zag inzakken. Het is een logisch gevolg van de abusieve relatie die de Franse burger en de president in de Vijfde Republiek met elkaar onderhouden. De presidentiële macht is zo groot dat ze verwachtingen wekt die onmogelijk kunnen worden waargemaakt. Maar de virulente haat die Macron oproept is niet eerder vertoond.

De gele hesjes in Parijs, 2018. Het is het Franse equivalent van de aanval van Trump-aanhangers op het Capitool op 6 januari 2021. Beeld BELGAIMAGE
De gele hesjes in Parijs, 2018. Het is het Franse equivalent van de aanval van Trump-aanhangers op het Capitool op 6 januari 2021.Beeld BELGAIMAGE

Is hij gewoon té slim, té bedreven? Te veel ideale schoonzoon, te veel het beste jongetje van de klas? Te veel een president van nergens, te veel manager, terwijl de kiezer hem te midden van de koeien op de Salon d’Agriculture wil zien? Is het zijn verleden als bankier bij Roth­schild dat sluimerend antisemitisme wekt? Commentatoren breken zich er al vijf jaar het hoofd over. Nicolas Domenach, coauteur van Macron, pourquoi tant de haine? (‘Macron, vanwaar al die haat?’), vertelde dat hij tijdens demonstraties kinderen met guillotines had zien slepen met een Macron-pop. “Onder het goedkeurende oog van de menigte, zoveel haat: ik heb nooit eerder zoiets gezien. Tegen Sarkozy was er verzet, weerzin zelfs, maar niet dit…”

‘Aftreden, hoerenzoon!’

Op 4 december 2018 brengt Macron een verrassingsbezoek aan Le Puy-en-Velay, niet ver van waar ik eerder was met Montebourg. De crisis van de gele hesjes is op het kookpunt en een nacht eerder is een vleugel van de prefectuur in vlammen opgegaan. Een gemeenteambtenaar vertelt Macron dat er van buiten werd geroepen dat ze “als kippen gegrild zouden worden”. Nog steeds is de sfeer grimmig. “Daar is ie, daar is ie”, klinkt het als de presidentiële DS Crossback de poort van de prefectuur uitkomt en de openbare weg opdraait. “Hoerenzoon! Aftreden! Aftreden!” Macrons konvooi geeft gas, maar komt even verderop vast te zitten in een rij auto’s die wachten voor het rode licht. De groep mensen die hem eerder uitschold, zet het nu op een rennen in zijn richting. “Daar is ie, daar is ie”, wordt er geroepen zodra de auto is bereikt. “Aftreden!” Iemand maakt een beweging naar de deur. Dan geeft de chauffeur gas.

Is het Macrons persoonlijkheid? Zijn beleid? De Franse samenleving? De politieke cultuur? Macron zou Frankrijk tot rust brengen. Dat is hem niet gelukt. Je zou zelfs kunnen beargumenteren dat hij de basis voor nog meer spanning heeft gelegd met zijn tactiek van de verschroeide aarde, waarbij eerst de centrumlinkse Parti Socialiste en vervolgens de centrumrechtse Les Républicains het moest ontgelden. Resultaat is een driestromenland met Macron stevig in het midden, maar waar geen gematigd alternatief meer is. Als Macron komende zondag wordt herkozen, en daar lijkt het op, begint hij in veel opzichten weer bij nul.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234