Zaterdag 28/05/2022

Alle liefde is eigenliefde

In Een Frans leven lukt Jean-Paul Dubois een huzarenstuk: hij banjert met hinkstapsprongen door de Franse geschiedenis sinds 1958 en vermengt deze met het levensverhaal van zijn alter ego Paul Blick. Patrick Lapeyre beschrijft in De zuster-man de bijna incestueuze en fataal aflopende obsessie van de kreukvrije bankbediende Cooper met zijn zusje. In De liefde, een roman tracht Camille Laurens de vinger te leggen op de 'geestverschijningen' van liefde en passie. Dirk Leyman las recent Frans proza.

Laurens mag zich voltijds analiste van de kronkelingen van het hart en de sluipwegen van het verlangen noemen

Down to earth en tegelijk licht zweverig, soms ook bitter en illusieloos, maar altijd met een glimlach die rond de mondhoeken kringelt: zo schrijft Camille Laurens over haar hartsonderwerp, de liefde in al haar dekselse vermommingen. Met recht en reden mag de Franse schrijfster (°1957) zich voltijds analiste van de kronkelingen van het hart en de sluipwegen van het verlangen noemen. Met In zijn armen, het boek dat haar in 2000 de Prix Fémina én internationale bekendheid opleverde, etaleerde Laurens al hoe je schrander over hartstocht schrijft, in een boek waarin ze de mannen uit haar leven aan zich voorbij liet trekken. In zijn armen was een lucide verademing in de rijstebrij van Bridget Jones-achtige luchtbellen over de liefde. Laurens is dan ook niet van de straat en ze kent haar (filosofische) klassiekers in het genre. Ze heeft Roland Barthes' Uit de taal van een verliefde van achteren naar voren gespeld en hangt haar amoureuze discours telkens op aan Franse 'galante' filosofen als Chamfort of La Rochefoucauld, waarbij ze zich verbaast over de onbeperkte houdbaarheid van hun eeuwenoude gedachtegangen. Ook De liefde, een roman is doorspekt met La Rochefoucaulds vaak dubbelzinnige en ontnuchterende aforismen. Hij gelooft immers volmondig dat de liefde niet kan zonder een flinke dosis egocentrisme: "Wij kunnen slechts van iets houden wat overeenstemt met onszelf" of "In jaloezie is meer eigenliefde dan liefde".

De liefde, een roman is alweer losjes opgebouwd rond Laurens' eigen liaisons dangereuses, zoals haar problematische relatie met echtgenoot Yves en die met een rist doortastende minnaars. Hier regeert uiteindelijk het motto: "Het kost veel moeite om uit elkaar te gaan wanneer men niet meer van elkaar houdt." Vervolgens probeert ze na te gaan hoe haar voorouders het er tussen de lakens afbrachten. Dat levert gevoelige, zachtkomische scènes op. Het geheel is omkranst door flarden chansonteksten, spitse dialogen én uitgebreid commentaar die de liefde met vakkundige omhaal van zijn aura ontdoet. Troostrijk is "dat elke liefdeswond vroeg of laat heelt". Toch ontkomt De liefde, een roman niet aan het etiket van verdienstelijke herhalingsoefening. Laurens is bovendien weleens de trappers kwijt. Iets te vaak stuiten we op kabbelende algemeenheden, die de afwikkeling van de roman aanzienlijk stremmen: "Liefde is maar een woord, en het woord roept de zaak op; houden van is de naam 'liefde' geven aan wat je voelt, het is welbewust woorden gebruiken die liefde oproepen, wat anders?"

Camille Laurens

De liefde, een roman

L'amour, un roman, Vertaald door Eveline Van Hemert, De Geus, Breda, 221 p., 19,90 euro.

Lapeyre doordrenkt zijn portret met verfrissende ironie en een zweem van komische plechtstatigheid in de taal

Niets of niemand kan hem weerhouden te blijven wachten. Al bind je hem vast, stop je hem met een steen in een zak en gooi je hem in een vijver, zijn wachten zal hem weer aan de oppervlakte brengen." Alex Cooper, de eenzelvige hoofdfiguur van Patrick Lapeyres De zuster-man, bedrijft een merkwaardige cultus. Hij wacht op zijn zusje, volhardend en met engelengeduld. Sinds zij drie jaar geleden naar Canada vertrok en sindsdien slechts sporadisch iets van zich laat horen, is zij voor Cooper een regelrechte obsessie geworden. Elke namiddag, na zijn kantoorbaan als routineuze bankbediende, laat hij vanop zijn sofa zijn monomane gedachten aan haar de vrije loop. Het is allemaal gekomen door die ene keer toen ze in de auto tegen zijn schouder in slaap was gevallen, "zo naakt in haar witte katoenen jurkje dat Cooper niet meer had durven bewegen". Het lijkt allemaal onschuldig, maar is het dat wel? Cooper laat niet in zijn kaarten kijken. Voor zijn omgeving is hij een toonbeeld van normaliteit, een man die feilloos binnen de lijntjes kleurt, al is niemand blind voor zijn asociale trekjes. Toch wint de waan het geleidelijk van de obsessie (zo ziet hij zijn zusje in allerlei gedaanten in de supermarkt rondlopen, terwijl hij er zijn "rondedans der eenzamen" maakt aan de rayon kant-en-klare maaltijden). De rand van de afgrond is niet veraf.

Patrick Lapeyre (°1949), auteur van onder meer Welcome to Paris (1994) en Sissy, c'est moi (1998) maakt van Coopers mentale surplace een tragikomedie in schuifjes. Met talloze knipogen naar het werk van Beckett, Perec, Echenoz en de onthechte hoofdfiguren van Jean-Philippe Toussaint worden de existentialistische eenzaamheid en absurditeit van Coopers verlangen haarfijn ontleed. Het wachten wordt haast een olympische discipline die doorgedreven oefening én chronometrage vereist: "Als zijn berekeningen nu klopten, wachtte hij nu al twaalfhonderd en tien dagen op zijn zus. Als het er tweeëntwintigduizend en tien zouden zijn, zou het tijd worden om zich zorgen te maken, want dan zou hij honderddertig zijn."

Ook Lapeyre neemt zijn tijd en bij momenten ontvouwt het boek zich als een vertraagde film. Geen detail over Cooper zal ons ontglippen: de korte hoofdstukken zijn evenzoveel doorkijkjes op zijn tot in de puntjes getimede bestaan. Niettemin is het wonderlijk om te zien hoe Lapeyre dit statische leven spannend maakt: bijvoorbeeld wanneer er vrouwen Cooper uit zijn zelfgekozen lethargie halen of Robine, de punkette-vriendin van zijn zus, de totale ontsporing veroorzaakt. En toch is er altijd die zwaarmoedigheid en dat besef van peilloze mislukking: namelijk het tekortschieten in het wachten. Lapeyre doordrenkt zijn portret met verfrissende ironie en een zweem van komische plechtstatigheid in de taal, maar bijlange niet iedereen zal dit gemaniëreerde, soms té uitgesponnen proza smaken.

Patrick Lapeyre

De zuster-man

L'homme-soeur, Vertaald door Floor Borsboom, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 207 p., 16,90 euro.

Knap is dat Dubois op geen enkel moment de spankracht en de grote greep laat verslappen

Jean-Paul Dubois (°1950) wist vorig najaar niet wat hem overkwam. Na vijftien romans, die vooral fijnproevers schenen te bereiken, sloeg de Amerika-journalist van Le Nouvel Observateur met Een Frans leven in één klap de brug naar het grote publiek. Uitzinnige verkoopcijfers, jubelende kritieken, de Prix Fémina én de prijs van de FNAC-boekverkopers vielen hem in de schoot. Het tijdschrift Lire sprak ongegeneerd van hét boek van het jaar en in ieder geval ving Dubois véél meer aandacht dan Goncourt-winnaar Laurent Gaudé.

Wellicht had dat ook veel te maken met het nostalgisch getinte thema van Dubois' groots opgezette saga: de Franse geschiedenis sinds 1958, gevat op een manier die zowel recht doet aan de maatschappelijke ontwikkelingen als veel ruimte biedt aan de tumultueuze esbattementen van Paul Blick, het onverhulde alter ego van Dubois zelf. De Toulousenaar Dubois, soms afgeschilderd als een 'literaire dandy', heeft zich voor Een Frans leven merkbaar gespiegeld aan de Great American Novels van Philip Roth en John Updike. De ambtstermijnen van de Franse presidenten sinds 1958, van De Gaulle tot Chirac, vormen het structurerende principe van het boek, dat bol staat van een bijna ouderwets én ongelooflijk zwierig vertelplezier.

Op zijn vierenvijftigste ("een vervelende leeftijd die twijfelt tussen twee perspectieven van het bestaan, twee tegengestelde werelden") is Paul Blick gepokt en gemazeld door het leven en van vrijwel alle illusies beroofd: "Ik woon alleen. Ik eet alleen. Ik word alleen oud, ook al doe ik mijn best contact te houden met mijn twee kinderen en mijn kleinzoon." Zopas is Anna, zijn vrouw, omgekomen bij een vliegtuigcrash, toen ze met een van haar minnaars over de Pyreneeën op pleziertocht was. Haar dood opent een doos van Pandora: Atoll, het in schijn bloeiende bedrijf van jacuzzi's van zijn echtgenote blijkt een fata morgana. Een cascade van faillissementen en financiële debacles voor de nabestaanden is het gevolg. Blick, die lange tijd een uiterst succesvol fotograaf van bomen was, blijft berooid achter met zijn verstrooide herinneringen: "De rest van de nacht zat ik de foto's van Bomen in de wereld te bekijken, om nog eens al die dagen te beleven toen mijn enige bezigheid, mijn enige zorg erin bestond te wachten tot een briesje en een mooie lichtinval de gevederde bladeren van een tama-rinde zouden beroeren." Ten slotte komt hij aan de kost als grasmaaier en tuinman. Blick kijkt terug op zijn turbulente leven, dat zich langs de vreemdste paden heeft vertakt. De zoon van een Simca-dealer en een tekstcorrectrice, is amper acht jaar als zijn tienjarige broer aan een ontsteking sterft, voorgoed een leegte achterlatend: "De dood van Vincent heeft een deel van ons leven geamputeerd en ook een aantal essentiële gevoelens."

Ondanks deze vroege slagschaduw is het verhaal van de opgroeiende Blick gewikkeld in een badinerende, vaak luchthartige verpakking. De eerste erotische avonturen met een Engelse, de potsierlijke communistenhatende grootmoeder, de schoolvrienden onder wie de seksueel geobsedeerde David Rochas die hem onthult "hoe hij sinds een jaar zijn roede in een stuk braadvlees" stopt en er maar niet in slaagt zijn "beest aan de lijn te houden", Dubois vertelt het allemaal met veel jus en smaak. Tegen de roerige politieke en culturele ontwikkelingen (mei '68, de dood van Franco, Che Guevara, Bob Dylan, Jean-Luc Godard) raken de contouren van Blicks leven ingevuld: legerdienst, student sociologie, sportjournalist die in het huwelijk zal treden met de overweldigende Anna Villandreux (de dochter van zijn baas), om later triomfen te vieren als fotograaf van bomen. Knap is dat Dubois op geen enkel moment de spankracht en de grote greep laat verslappen. Een Frans leven is, in de elegante vertaling van Corinne Kisling, ook een pageturner. Geleidelijk aan verandert de toon, wanneer er nog meer gestorven wordt in Blicks omgeving. Het hoofdpersonage raakt behept met het gevoel "op een schiereiland te leven", hij is iemand "die zichzelf in de weg zit", die "door achteloosheid en luxe niet meer weet hoe [hij zijn] leven moet leiden". En omdat hun werelden en hun karakters zo verschillend zijn, drijft hij weg van zijn nochtans zo geadoreerde Anna. Zoals het een familiesaga past, ligt de tragiek met een berenklauw op de loer. In de laatste hoofdstukken is het of de hemel een paar keer op Blicks hoofd in gruzelementen valt. Soms loopt alles op hetzelfde moment fout in een mensenleven, zo suggereert Dubois en zijn slotzin is ontnuchterend: "Het leven was niet meer dan een onzichtbaar draadje dat ons met anderen verbond en waardoor we, gedurende een bestaan dat we als essentieel beschouwden, geloofden dat we iets waren in plaats van niets."

Jean-Paul Dubois

Een Frans leven

Une vie française, Vertaald door Corinne Kisling, De Arbeiderspers, Amsterdam, 312 p., 16,95 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234