Woensdag 28/09/2022

Alle onderdak kan alleen tijdelijk zijn

Zomerdagboek van Erwin Mortier

Donderdag 21 juli

Ik heb vandaag geen woord gesproken, behalve vanavond heel even aan de telefoon, met mijn man aan de andere kant van de wereld. Een dag van lezen. Zwijgend eten. Proefdrukken corrigeren. Voor realityprogramma's ben ik uiterst schrale materie. Tegen de avond de tuin in. Drache nationale, dus schuilen, en roken en denken. Bedenken dat ik over een paar maanden veertig word, en nog altijd geen aandrang bespeur om ineens snelle motorfietsen te bestijgen, of kereltjes wier dna nog dat van hun ouders was toen ik al de baard in de keel had.

Geen paniek voelen bij de gedachte dat ik, afgaande op de doden in de familie, ofwel nog niet eens aan de helft zit, ofwel nog een jaar of vijftien te gaan heb. Veertig, en de smaak van de onmogelijkheden beproeven, de afdronk van nooit. In het zand aan mijn voeten de omtrekken tekenen van alle continenten die ik niet zal betreden. Lijstjes maken met de namen van de steden die me niet zullen verwelkomen. De wonderen die ik zal missen. De gruwelen die me bespaard zullen blijven, waaronder voordeelweekends voor het hele gezin, zwembaden met getijdenwerking en sublieme spektakels als de ontploffing van de zon.

Voornemens: slechts eens in de week de kranten lezen, wetende intussen dat de hete brij van vandaag ook zonder blazen tot de kouwe kak van gisteren bekoelt. Hangende kwesties laten hangen. Naar het linnen kijken aan de lijn van de buren. Donderdag. Aan het eind van de straat wappert lusteloos de driekleur. Een land wordt honderd en driekwart. In het glas van de serre, onder het harken, zie ik mezelf heel even weerspiegeld als een Belg met vakantie.

Vrijdag 22 juli

9/11, 11/3, 7/7, 21/7, de breukgetallen van een prille 21ste eeuw. De kabbalistiek van een wereld die intussen geglobaliseerder is dan we haar feitelijk blieven. Zappend langsheen de zenders op de beeldbuis gisterenavond heb ik de klank stilgezet en ineens begreep ik alles. Overal pratende koppen, angst in herhaling, overal correspondenten 'ter plaatse', dat wil zeggen ruim na de feiten en achter het dranghek dat de politie rond de onheilsplekken heeft opgetrokken - onderaan het beeld intussen een lopende band van tekst met toverformules en magische aanroepingen als 'Breaking News' en 'Latest developments'.

De weefgetouwen der actualiteit draaien dol, hun illusoire product heet 'nu'. In de tijdruimte van de nieuwszender bestaan geen contexten, historische of andere, tenzij als zijdelingse commentaar, en deze dienen nauwelijks om 'het feit' te duiden, want te veel context berooft een gebeurtenis van het isolement dat nodig is willen we er maximaal door verbijsterd worden. Een expert is op tv veelal iemand die zijn zegje mag doen uit compositorische overwegingen, om artistieke redenen; vanuit de nood aan een rustpunt in de beeldenvloed, een korte adempauze tussen de adrenalinestoten in. Alleen in een wereld waar het geheugen een obstakel is en de herinnering een daad van sabotage kunnen data fetisjen worden, mantra-achtige stoplappen: 9/11, 11/3. "Er is geen enkel verband tussen Londen en Irak", zweert Tony Blair, voor de zoveelste keer.

En toch, ik denk dat het verbod op vergeten vandaag groter is dan ooit tevoren, want zonder vergeten geen geheugen. Dingen in context brengen, komt neer op een rouwritueel en dat is tenslotte weinig anders dan je losmaken van het dode in jou. Het probleem met het hedendaagse verleden is dus niet zozeer dat het onherroepelijk voorbij is. Het probleem is veeleer dat het zelden zomaar voorbij mag gaan. Het is stukken eenvoudiger om te leven alsof er geen toekomst bestaat dan te leven alsof er nooit een verleden zal zijn. Een geschiedkundige probeert wat voorbij is tot leven te wekken, terwijl ons aller leven haast dagelijks bewijst hoe moeilijk het ons valt om van het verleden geschiedenis te maken - wanneer men denken aan vroeger als nostalgie van de hand wijst, als een uiting van rugwaarts verlangen dat nergens heen leidt of een zinloze bezigheid voor bestofte academici.

Men zegt erg snel dat schrijven de kunst bij uitstek behelst die het vergankelijke in de taal wil redden en het aanwezig wil houden in de symbolische daad van het verhalen, waarvan de tekst het gestolde restant vormt. Ook ik kan me met soms verdacht gemak tot deze nobele en welhaast priesterlijke opvatting bekennen. Maar eerlijk gezegd, ik vraag me af of schrijven niet juist een verbeten poging belichaamt om het verleden op een goede manier te vergeten, dat wil zeggen: schrijven als het effenen van het pad waarover later de gevleugelde sandalen van de herinnering kunnen gaan.

Zaterdag 23 juli

Naar huis vandaag, familie zien. Onderweg geef ik me schaamteloos over aan natuurbewondering. Merendree en zijn Sint-Radegundiskerk, daarin het graf van Sint-Gerolf, die niet van de kou te klagen heeft want zijn grafsteen ligt vlak naast de blazer van de centrale verwarming. Achter de kerk, middeleeuws omwald, de pastorie. Bij het hek de buste van de Eerwaarde de Craene, een van de vele dichtende geestelijken van toen. Hij werd in 1931 aangesteld tot pastoor te Bachte-Maria-Leerne, een dorp in een van de Leie-armen. De herder had er luidens een biograaf geen benul van "welke grondige omwenteling deze benoeming in zijn leven en ook in het leven van honderden dichters en poëzieminnaars zou teweeg brengen. Het was in de vruchtbare stilte van zijn pastorij dat hij als vanzelf gedreven door de gunstige atmosfeer van het Leielandschap, en dankzij het stilaan groeiend contact met schrijvers en schilders, gedichten begon te schrijven. Moest daar niet als vanzelf de heerlijk oprechte poëzie ontbloeien die zo treffend de mens De Craene typeert?"

Er ontbloeit nogal wat in het werk van De Craene. Sterren gloren boven avondluchten. Koren zwelt al rijpend en barst open in popcorn van christelijke symboliek. In de zomer van 1937 vond in Leerne de eerste Poëziedag plaats. "'s Morgens reeds stond Pastoor De Craene zijn gasten af te wachten aan het Sint-Pietersstation te Gent", noteerde een deelnemer, "begroette ze met de sindsdien klassiek geworden 'Ge zijt allemaal welgekomen' en loodste het hele gezelschap naar de Leie, waar twee motorbootjes gereedlagen. Het werd een onvergetelijke tocht van twee uren, even onderbroken te Latem, waar aangelegd werd om het traditionele bruine brood van de streek te proeven, zoals het daar traditioneel werd opgediend met een gulle snede rauwe hesp."

Wat beoogde de herder met zijn verzen- en boterhammenfeest?

"Contactname met elkander, in de overgave der natuurlijkheid zonder dat vernis van enige bijbetrachting...."

"Veel geestelijke stand, klamme lakens en krentenbrood", typeerde Wim Zaal een en ander later. "Steeds werd de jeugdige deelnemers ingeprent dat zij onder de dennetjes moesten verbroederen."

"Er is een verrukkelijke argeloosheid in de manier waarop deze dichterlijke pastoor, die er wel enigszins als een fijne dame uitziet, alle scepsis met een bijna kinderlijke gulheid ontwapent", meldt De Telegraaf. "Twee dagen poëzie in het hart van Vlaanderen, bij den pastoor en den kasteelheer, oud en jong gemengd, dicht en ondicht, het is alles gloeiend ernstig, ter ere van de poëzie, het is alles gezellig en grappig. Ik ken tien Nederlandse voortreffelijke geesten die deze Poëziedagen te min zouden vinden, om een soort dooreengooien van alle genres en waarden, om een soort Vlaamse Barok, maar uit deze Vlaamse Barok groeit af en toe een schoon figuur en dat maakt deze Barok zelfs sympathiek."

Sympathiek zijn we altijd geweest. "De ietwat beteuterde Hollanders ontvingen onmiddellijk na het welkomstwoord een flink stuk chocolade", noteert NRC, "omdat die lekkernij in Nederland zo moeilijk is te krijgen."

In 1938 benoemde het bisdom De Craene tot pastoor te Merendree. De riante tuin bood een natuurlijk auditorium voor het poëtische spektakel. "In grote gemoedelijkheid", rapporteerde Vrij Nederland, "verliepen de verschillende zittingen. Katholieken en socialisten, priesters en leken wisselden van gedachten in de schaduw der bomen, waar ook het schaap van de gastheer gelegenheid kreeg te protesteren als de poëzie te overvloedig ging vloeien... Eerlijkheidshalve zij hier gezegd, dat ik die verzen niet allemaal heb kunnen verstouwen, en dat ik, liggende in het gras, menigmaal meer aandacht had voor de snelle mieren dan voor de plechtige toneellisten, die zo verschrikkelijk hun best deden om de verzen, ook de meest subtiele, door dik en dun te dramatiseren...."

Na de dood van de herder ging de tijdgeest stilaan aan Merendree voorbij. De jeugd verbroederde niet langer onder de dennetjes, maar ontdekte onder de plaveien het strand.

Zondag 24 juli

Het is zondag, en dus niet bepaald kalm aan de oever van de Leie. Hier in de rafelige rand van Gent levert de stroom zich over aan een stuurloosheid die hem al eeuwenlang tot pittoresk bochtenwerk inspireert. Hij lijkt wel geschapen om als uitzicht te dienen vanuit de dure villa's aan de overkant van de spoorweg, in de volksmond 'de betere kant van Drongen' geheten. De sloot aan het eind van de tuin is een van zijn oudste armen, door verzanding geamputeerd. De tuin vertoont nog steeds een zwakke helling en hoe lager je gaat, hoe zwaarder de grond wordt. Zwaar van oud bezinksel.

Ringvaart, Leie, kanaal van Schipdonk, dertig jaar geleden markeerden ze voor mij de concentrische cirkels rond de stad, waar het spoor van en naar Oostende dwars doorheen sneed. De stad verwelkomde je of liet je los in fasen, in sferen. Grenzen waren nabijer en sommige waren zo onzichtbaar dat ik ze pas laat leerde te traceren. Een dorp verder schoten uit het dialect al andere vonken weg. Een meikever kon op zijn nachtelijke vlucht met goed geluk verschillende keren van naam veranderen. Een knikker heette in de ene kinderhand een 'lavoor' en in de andere, een paar bochtige landwegen verderop, een 'marpel'.

Ik maakte me vrolijk om het bizarre taaltje van mijn verwanten, half vertrouwd, half mysterie, ook al woonden ze vlak in de buurt. Zodra je de deur uitging, was je al een emigrant. Het einde van de wereld lag waar de lindedreef vanaf het kerkportaal ophield: honderd meter voorbij de laatste huizenrij. Wat zich daar uitstrekte, heette letterlijk het buitenland.

In vele opzichten heerste in die gehuchten tot een flinke hap in de jaren zeventig van de vorige eeuw een vorm van feodaliteit. De plaatselijke kasteelheer bleef ook na de invoering van het algemeen stemrecht het ambt van burgemeester bekleden. Toen mijn grootouders jong waren, werden huwelijken tussen pachterskinderen niet zelden bedisseld in het boudoir van graaf, ridder of baron, en toen mijn ouders kind waren, kon op liederlijk gedrag nog steeds een aristocratische vermaning volgen. Kerk en kasteel vormden generaties lang het zwaartepunt waaraan de dorpen hun cohesie ontleenden, hun verstikkende sociale druk. Die wereld, in de schaduw van het kerkschip, onder de paraplu van de adel verklaart, als zoiets bestaat, de Vlaamse psyche meer dan de vele luchtspiegelingen boven het vlakke land waar het toeval mij heeft neergepoot.

Het valt me op hoezeer die oude grenzen nog altijd hier zijn, hoezeer Ringvaart, Leie, Schipdonkkanaal nog steeds stad en buiten scheiden. Op de bus vanuit het hart van de stad klinkt zolang we binnen de oude, allang gesloopte stadsmuren blijven een veelheid van talen op uit de minimulticulturele samenleving die zich in de zitjes heeft neergelaten. Turks, Spaans, een bonte spraakverwarring van Afrikaanse talen, Engels, Frans, veel Slavisch. Wanneer de bus de Ringvaart oversteekt, is zijn lading egaal blank en zo goed als eentalig Nederlands, op die paar Polen na, die al dan niet legaal de was gaan doen in de villa's rond de Leie-oever. Zouden ze weten dat hun pelgrimstocht vanuit de binnenstad, op weg naar een hongerloon, ooit door schilders en schrijvers geïnitieerd is?

"Iets, ik weet niet wat", stelde bijna een eeuw geleden Cyriel Buysse vast, "heeft me daar altijd aangetrokken, van kindsbeen af, en trekt me nu nog aan."

"De vlakke streek, die rust aan de stille Leye, als aan een wijde gestrekte moederarm, welk is haar geheim", vroeg ook Karel Van de Woestijne zich in zwelgende bewoordingen af, "welk is hare gelokene kracht, dat niemand weerstaat aan hare zoetheid?"

De boorden van de Leie werden sindsdien herschapen in één grote brasserie, waar des zondags meer autoalarmen dan runderen tegen elkaar op loeien. Stil is de rivier niet meer, en wie zich iets te geestdriftig in zijn wijdgestrekte armen werpt, zal eerder omkomen van de stank dan door verdrinking.

"Goddank", verzuchtte Van de Woestijne over het tekort aan vervoer naar Latem, maar het kwaad was al geschied. De kunstenaarskolonie, waarvan hij en zijn schilderende broer het middelpunt vormden, lokte naarmate haar faam zich uitbreidde steeds meer kijklustigen stroomopwaarts. Hijzelf kon zich nog vrolijk maken over de bosjes "jonge Gentsche aestheten" die met hun "pré-raphaëlitische liefjes" de Latemse weilanden kwamen begapen. Zelf liet hij zich aan boord hijsen van de plezierboten waarop de Gentse beau monde de grillige rivierloop kwam afgezakt, om de artiesten te verwennen met dure heerlijkheden langs de waterkant - onderwijl misschien "de neus dichtknijpend voor een scherp riekende mestvaalt", zoals Buysse fijntjes opmerkt.

"De prachtige Leie", dichtte diens neef Paul Frédéricq in zijn memoires, "waar de ontelbare grazende koeien tweemaal 's jaars al loeiend, met groot watergespetter overzwommen, daar zij in de grote weide aan de overkant het goed seizoen nacht en dag doorbrengen. De beroemde schilder Emile Claus heeft dat eenig schoon schouwspel op één van zijn meest bekende doeken vereeuwigd."

De grote weide werd beschermd, al moet het uitzicht voor de schaarse koe die er nog graast redelijk hallucinant zijn. Op de andere oever dringen balkons van luxeflats voor goed in de slappe was zittende bejaarden, taveernes en herbergen om de beste plaats aan de waterlijn. Daar dobberen nog steeds jachten voorbij. Een vriend van mijn man vertelde dat hij op een zondag een bootje voorbij zag tuffen dat de eigenaren poëtisch Zwart Geld gedoopt hadden. Een middenstandsnatie zijn we geworden. Een uitzicht is maar interessant voor zover het zich leent tot pittoreske wegwijzers naar Restaurant Leiezicht, Het Loze Vissertje of Het Vijverhof, alwaar men rivierkreeftjes in looksaus serveert, ook al komen die beesten al in tijden niet meer in het Leie-sop voor. De Vlaming propt er zich vol en knoopt het hemdsboord los, voor hij de darmen ledigt in marmeren schijtridderzalen, omkringeld door het penetrante jasmijnaroma van de geurverstuiver op de spoelbak.

Maandag 25 juli

Man is weer thuis, met jetlag en slaap, dus het blijft stil in huis vandaag. Aan de telefoon zegt iemand me dat hij het niet begrijpt van die jonge kerels in Londen, die een diploma hebben en vrouw en kinderen en dat ze er zo normaal uitzien. Intussen staan op de beeldbuis de woordvoerders aan te schuiven. Dat moord niet tot het wezen van godsdienst behoort. De zacht zoemende anesthesie van de redelijkheid. Hoeveel zelfspot kan een religie dragen, vraag ik me af? Godsdienst zou iets banaals moeten hebben, potje vrijen met het ultieme waarom van zo ongeveer alles, en daarna: een sigaretje opsteken, opstaan, haar en hemd fatsoeneren, en dan de keuken in om de patatten te schillen. De onmogelijkheid van god is me veel liever dan zijn mogelijkheid. Zijn alomvattende onmacht ligt me beter dan zijn nietszeggende almacht. Een kathedraal kan de oneindigheid maar uitdrukken door een deel ervan te omspannen en te ritmeren in gewelven, door haar teniet te doen en de blik te geleiden naar het onbereikbare, dat langs de slanke boogramen naar binnen valt en illusoire patronen op de blauwe plaveien tekent.

Zeldzaam zijn figuren als de anarchist in De Geheimagent van Joseph Conrad, die jaloers verzucht: "Kon ik maar een bom werpen op de zuivere wiskunde". Het lijf is de enige plaats in het universum waar ik me werkelijk van mezelf bewust kan zijn, en een zijn daarbuiten kan dromen. Vermoedelijk weten we dat allemaal en grijpt terrorisme daarom terug naar het vlees, de angst om de kwetsbaarheid van het vege lijf, de symboliek van het offer, de rauwheid van de slachting. Lijf, mijn gekerkerde ruimte, je begint hier en daar wat door te hangen en in te zakken, zag ik vanochtend na het douchen, en sommige onderdelen maken bij het ontwaken vervaarlijk slagzij.

Dinsdag 26 juli

Op zoek naar literaire fossielen in de zompige ondergrond van de Leie stuit ik op de feestrede die Maurits Roelants bijna tachtig jaar geleden gaf toen Van de Woestijne vijftig werd. Een taal als het vergeten rekwisietenmagazijn in een vervallen theater: "Zingende van het plan der edele ethische verzuchtingen kan de dichter thans worden voorgesteld in peplum en draperie van ethisch en godsdienstig weldenkende. Gij, die op vijvers van modder en aal de plompe en hemelsche bloemen hebt opengelegd, die het al in het licht der eeuwigheid hebt gedragen langs dien weg van walg en verzadiging, die het wurgen tot deugd hebt verheven en de ziel binnenst buiten hebt gebraakt, gij wordt voor ons de sereene, de zuivere, de zoete, dien de tong eerst proef (door het bittere gift van den notebolster..."

Hij sprak deze woorden bijna tachtig jaar geleden uit en als ik ze nu lees, zakken ze in onder hun eigen bombast. Terwijl de zinnen van Van de Woestijne zelf, deze bijvoorbeeld, geschreven bij de aanvang van de Eerste Wereldoorlog, nog ouder zijn, en ondanks de spelling, nog altijd puntig: "De louterende beteekenis van dezen oorlog, zegt een volksvertegenwoordiger naast mij. Hij schudt zijn zwarte lokken, zijne ogen schitteren, zijn dunne neusvleugels trillen. 'Ja', gaat hij voort, de economische zuivering door het noodzakelijk draineren der groot-kapitalen, de sociale door het feit, dat rijken en armen elleboog aan elleboog tegenover den vijand hebben gestaan, de politieke, omdat tien jaren lang alle partijbelangen zullen te wijken hebben voor gezamenlijk herstellen van het lijdend vaderland. Welk eene schoone toekomst, mijn vrienden, waar zelfs rastwisten als vanzelf zullen opgelost zijn door het gevoel, dat voortaan Waal en Vlaming samen hooren, de Vlaming die onder het zingen van den 'Vlaamschen Leeuw' Luik verdedigde, de Waal, die onder de muren van Antwerpen de oprukkende Duitschers afwacht."

Taal. Je zou willen dat je klopt als je boeken. Dat je balans een gezond evenwicht vertoont. Ja, dat er zelfs sprake mag zijn van een zekere winst. Je zou willen dat alles taalbaar is - alles verkrijgbaar in woorden, want de goudreserves waarover je beschikt zijn onuitputtelijk. Je zou graag een oliesjeik zijn uit Bahrein. Voor hem is alles te koop. Je hoeft je nergens zorgen over te maken, want al wat zich ooit aandient of voordoet, zal zich volgens de wisselkoersen van het moment naar je verbale koopkracht plooien. Je bent een gevestigde waarde, volkomen solvabel. Geen lening wordt je ontzegd. Je hebt meerdere beleggingen uitstaan. Dag in dag uit volg je de vibraties van de markten, de schommelingen der betekenissen. Er zijn er die zeggen dat je geen leven hebt, en je wilt ze niet eens tegenspreken. Je geeft ze volmondig gelijk.

Woensdag 27 juli

Ik steek vandaag de aardappels uit, en een van de kippen legt een eerste ei. Het ziet er merkwaardig langwerpig uit, een torpedo van kalk waarin twee dooiers huizen.

Ik zaai bonen, de laatste, en denk: wat een drukte vandaag.

Tegen de avond onweer en regen. Lees op de bank in de kortverhalen van Henry James. Wonderlijke schriftuur. Zinnen die nooit vergeten dat ze zinnen zijn. H.G. Wells noemde James' stijl ooit, in een volzin die diens grammaticale acrobatiek parodieert, "een magnifiek maar gepijnigd nijlpaard, vastbesloten om te allen koste, zelfs die van zijn waardigheid, een erwt op te rapen". Speculatie: wat zich niet laat persifleren is verdacht.

Wanneer ik me mijn eerste kennismaking met de taal en het woord voor de geest wil halen, keer ik gewoonlijk terug naar mijn eerste confrontatie met het schrift. De jaren daaraan voorafgaand, waarin ik leerde spreken, vertegenwoordigen blijkbaar een tijd waarin de taal zich in een te innige verstrengeling bevond met mijn binnen- en buitenwereld om haar naderhand als een afzonderlijk weefsel te kunnen herkennen. Ik kan me nog iets van de schok herinneren die de eerste leeslessen in me veroorzaakten. Een schok van de Openbaring, die ons iets bijbrengt door ons van onszelf te beroven.

Leren lezen en schrijven weekte het woord los uit mezelf, en met de jaren groeide alleen maar het besef dat ik voor de rest van mijn bestaan alles wat me het dierbaarst zou zijn zou moeten huisvesten in gehuurde kamers, in zoveelstehandskledij. De ervaring van een volledig samenvallen met de wereld in de taal werd door de overgang van taligheid naar geletterdheid radicaal tenietgedaan. Leren lezen en schrijven kwam aldus neer op een onteigening. Ik werd door het schrift uit het woord gezet. Sindsdien kan alle onderdak alleen maar tijdelijk zijn.

Ik denk dat ik dit nomadische bestaan in het woord voornamelijk in mijn adolescentie heb uitgeleefd. Nu eens zwolg ik met alle registers die het sarcasme voorziet in de vergeefsheid van het woord, dan weer ging ik op in een Dionysisch gebruik van de taal, zoals men het eigen lijf of dat van anderen gebruikt om te ervaren wat genot is: een groot vergeten, jezelf in vergeten voelen opgaan. Stapels vellen heb ik betekend, mijlenlange voorspelen beproefd met het woord in de hoop dat het me tenslotte tot zijn ontelbare amnesieën toeliet.

Ondanks de grijze lucht, de zwoele temperatuur en het gerommel in de verte drijft er rook over de schutting, en de geur van Provençaalse kruiden. Barbecue: de kunst van het keren.

Een middenstandsnatie zijn we geworden. Een uitzicht is maar interessant voor zover het zich leent tot pittoreske wegwijzers naar Restaurant Leiezicht, Het Loze Vissertje of Het Vijverhof, alwaar men rivierkreeftjes in looksaus serveert, ook al komen die beesten al in tijden niet meer in het Leie-sop voorIk vraag me af of schrijven niet juist een verbeten poging belichaamt om het verleden op een goede manier te vergeten, dat wil zeggen: schrijven als het effenen van het pad waarover later de gevleugelde sandalen van de herinnering kunnen gaan

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234