Vrijdag 19/08/2022

'Altijd staat het alarm op'

'De Kempen, dat was daar bij die stille molen. Je kon er niet over schrijven of het moest lovend zijn. En ik schopte dat overhoop'

Gesprek met Leo Pleysier

'Op mijn veertiende wist ik zeker dat ik zou schrijven. En dat ik daar zeeën van tijd voor had. Nu ik zestig ben, slinkt dat vooruitzicht. Maar dat vind ik ook niet zo erg. Zoals ik bij nacht en ontij zwetend wakker kan worden om wat er allemaal fout kan lopen, zo ook overvalt mij de gedachte dat het uit kan zijn met schrijven. Ik kan me heel goed voorstellen dat ik de rest van mijn leven geen letter meer schrijf, dat ik zeg: genoeg.' Leo Pleysier wordt zaterdag zestig. Wat vijfendertig jaar schrijven hem heeft bijgebracht? 'Ik heb aan lichtheid gewonnen. Het heeft mij in staat gesteld om op momenten dat het ertoe doet, op te stijgen.' Door Filip Rogiers

'Nieuw is", zegt hij, "dat ik bij het schrijven soms geconstipeerd raak. Dan staat er een zin op papier die mij doet vloeken. Kan dat godverdomme niet beter? Dat lijkt toch nergens op, Pleysier? Niet dat het schrijven vroeger vanzelf ging, maar dit is toch nieuw." Wat hij dan doet, behalve vloeken? De tuin in, onkruid wieden?

"Na elk boek beland ik even in een diep gat. Dan heb ik het gevoel dat ik nooit nog een letter op papier zal krijgen. Dat ik zoveel in dat ene boek heb geïnvesteerd, het allerbeste heb gegeven, dat er niets meer aan kan worden toegevoegd. Dat duurt dan enkele weken en dan begin ik plots weer te krabbelen op het papier. Tot er weer een figuur in opduikt en ik voort kan.

"Op den duur herken je het gat wel en laat je je er niet aan vangen. Vooruit Pleysier, doe niet flauw. In de loop van de jaren bouw je die routine op. Het zou erg zijn mocht je in die vijfendertig jaar niets bijgeleerd hebben. Ik heb een paar zekerheden opgebouwd, handvatjes die ik weet te vinden op het moment dat ik de bodem voel wegslaan. Dat je dan nuchter weet: het komt goed, het gaat over."

In 1971 debuteerde Leo Pleysier met de verhalenbundel Mirliton. Een jaar later nam hij met zijn vrouw Leen zijn intrek in het huis in Rijkevorsel waar hij nog altijd woont. De opbrengst van de Stijn Streuvelsprijs voor zijn debuut, 100.000 oude Belgische franken, ging op aan de vloer. "Streuvels moest het weten! Dat ik met zijn goed geld tegels heb gekocht, in plaats van het over de balk te gooien, een wild feest te houden." Ze waren oudere twintigers toen. "Erg jong", zegt de nu zestiger.

Twee lootjes die in 1972 in de aarde geplant werden, zijn intussen uitgegroeid tot ferme beuken. Ze steken fier hun kop op, als de signatuur van de jonge snaak die zich vijfendertig jaar geleden voornam om niet alleen het fysieke maar ook het mentale landschap van zijn jeugd naar eigen zin te herscheppen, er zijn stempel op te drukken.

"De Kempen, dat was daar bij die stille molen. Je kon er niet over schrijven of het moest lovend zijn. En ik schopte dat overhoop. Ik had het over de streek, men herkende er de regio in, maar ik liet er de lelijkheid ook van zien, de hardheid. Dat is me niet altijd in dank afgenomen."

Pleysier zou nergens anders willen wonen, maar wil er wel met rust gelaten worden. Na vijfendertig jaar is het naamplaatje op de deurbel nog altijd blanco. "Ik ben een trots iemand, hoor." Altijd in cirkels blijft het hier rond deze plek draaien, rond deze man en zijn familie en hun in elkaar gevlochten werelden. Man van de streek. Vaak ook vàn streek, het innerlijke alarm altijd aan.

"Ik ken mijn neurotische reflexen wel onderhand. Mijn schrijven is een monomane bezigheid. Ik vind het erg en ik zou het toch niet anders willen. Soms denk ik weleens: waarom doe ik niets daarbuiten? Als een boek af is, val ik een poos stil. Na mijn jongste boek, De trousse (2004), heeft het een half jaar geduurd voor ik weer aan de slag ging. Na Afrika (Zwart van het volk, 1996), China (De gele rivier is bevrozen, 1993) en Indië (De trousse), zit ik nu in Zuid-Amerika. Meer zeg ik er niet over, want het is nog niet geschreven.

"Maar in de periode na een boek, als de batterij plat is, denk ik weleens: het zou mooi zijn als ik even iets anders kon gaan doen. Vertalen bijvoorbeeld. Maar opdrachten kosten mij zoveel energie dat ik het maar laat. Laat mij maar doen wat ik al vijfendertig jaar doe. Dat schrijven is wel monomaan, maar het geschrevene is het niet. Leg Mirliton naast Volgend jaar in Berchem (2003), dat lijken twee verschillende pennen.

"Dat ik zou schrijven vanop deze plek, hier in Rijkevorsel, dat stond ook al vrij vroeg vast. Hier zou het gebeuren en nergens anders."

Zijn radar, zijn kraaiennest, staat achteraan in de tuin. Het is een omgebouwd tuinhuis annex rommelhok. Oneerbiedig zou je het een Vlaamse koterij kunnen noemen, maar het is kunstig gemaakt. Zo ongeveer doet Pleysier dat ook al vijfendertig jaar in zijn schriftuur: wat Vlaams is, verkunsten.

"Ik weet dat mijn schrijven uitnodigt om veel te praten over volksverbondenheid en zo, maar het stoort me als men alleen dat daaruit haalt. Je bent niet waar je woont, je bent wat je doet, denkt en schrijft. Ik woon trouwens niet in Rijkevorsel, ik woon hier in dit huis. In dit dorp, omdat er hier geen bal te beleven is en niets mij afleidt."

Als dertiger boekstaafde hij in het begin van de jaren tachtig met het drieluik De razernij der winderige dagen, De weg naar Kralingen en Kop in kas zijn haat-liefdeverhouding met streek en afkomst. Die boeken, in 1990 gebundeld onder de titel Waar was ik weer? zijn geschreven in het harnas. Als de schrijver er vandaag passages uit hoort voorlezen, wordt hij zelf onaangenaam verrast door de stijl. "Zo zou ik het vandaag niet meer schrijven. Ik sta er nog achter, maar vandaag klinkt het soms pathetisch. Het had wel zijn functie toen. Er moest iets bevochten worden, ik had iets van mij af te bijten."

Hier in Rijkevorsel, de post ligt op tafel. Vers van de pers: het eerste exemplaar van de veertiende druk van Wit is altijd schoon. Dit kleinood waarin zijn moeder over de dood heen voortpraat in het hoofd van de zoon. Eerste druk: 1989.

"Ik kreeg onlangs een briefje van iemand die dat op zijn zeventiende had moeten lezen op school en er niets aan vond. 'Is dat nu ook al literatuur?', vroeg die man zich af. Met dat dialect, het is zo aards. Het ging niet over verheven thema's, het was niet in een taal gesteld die je van literatuur zou verwachten. Pas vele jaren later had die man dat boek echt leren lezen. Je vraagt je af: is het wel goed dat je boek op zo'n leeslijst komt? Heeft het geen averechts effect? Misschien is het goed voor twee of drie leerlingen, maar jaagt het de rest niet juist weg van het boek? Zoals het Ivo Michiels overkwam met Het boek alfa. Toch denk ik dat het beter is om de lat te hoog dan te laag te leggen. Ik was zestien of zeventien en onze leraar onderhield ons over la logique de l'absurde in het werk van Albert Camus. Hij analyseerde gedichten van Baudelaire en Rimbaud. Dat ging mijn petje absoluut te boven, maar dat maakte het juist zo aantrekkelijk."

Wit is altijd schoon bevat een van de mooiste passages uit de Vlaamse en misschien wel hele Nederlandstalige literatuur. Of hij tijdens het schrijven al wist dat hij met iets bijzonders bezig was? "Ja. Het is het boek waarmee ik mijn complexen compleet kwijt ben gespeeld. Weg was dat tobberige van Waar was ik weer?, dat overspannen zoeken ook. Met Wit is altijd schoon klapte er iets open. Dat was bevrijdend. Het schoot alle kanten op. Het minste wat je kunt zeggen, is dat het heel erg uit de hand is gelopen, met al die boeken die daar nog op gevolgd zijn, tot en met Volgend jaar in Berchem. Tijdens het schrijven van Wit is altijd schoon stak de twijfel weleens de kop op. Of het wel gelezen zou worden zoals het uit mijn pen aan het komen was? Maar tegelijkertijd kon het mij niet schelen. Wit is altijd schoon, dat is: neem en eet, dit is mijn lichaam, te nemen of te laten. Kust mijn kloten, dacht ik (lacht)."

Ja dus, hij wist dat het bijzonder was. Hij wist ook dat hij de AKO-prijs had moeten krijgen in 1989. Dat hij naast de prijs greep (hij ging toen naar Het koekoeksjong van Brigitte Raskin), was geen blaam voor boek of schrijver, wel voor de prijs. Dat zegt Pleysier niet zélf, wij zeggen dat. En te bedenken dat dit boek bijna aanleiding was voor een breuk tussen schrijver en uitgever. "In de eerste versie kwam ik, de verteller, halfweg tussen. Ik onderbrak die monoloog van de moeder met mijn commentaar. 'Niet doen', zei Bezige Bij-redacteur Oscar Timmers. 'Dat verbrodt het een beetje. Het is alsof je het haar niet gunt dat ze voortdurend aan het woord is. Alsof je de lezer wilt laten weten: ik ben er ook nog, het is mijn werk. Schrap jezelf.' Ik was daar nogal kwaad om. Ik zou een brief schrijven naar de uitgeverij, mijn manuscript terugtrekken. Maar Leen hield me tegen. Ze vond dat Timmers gelijk had, en dat was ook zo."

Van de verteller bleef in het boek uiteindelijk enkel de magistrale uitsmijter op de laatste pagina over. Na honderd bladzijden moeder en moedertaal, legt hij haar in zijn taal af. Het is taal die het verdient om opnieuw en opnieuw geciteerd te worden, om al wie leest en schrijft weer bij de les te krijgen.

Wit, denk ik. Geef haar van het zuiverste, meest smetteloze wit dat er te vinden is. (...) Geef haar al het wit dat opstuift tussen Nova Zembla en Alaska, van Lourenço Marques, van Nomé tot Rio Grande; al het wit van de witste woestijnsteden van Arabië en Afrika, het wit dat pijn doet aan de ogen van Damascus tot Dakar. En dan nog is er geen wit genoeg, denk ik.

Pleysier had hiermee de boog gemaakt, uit klei kunst gepuurd. Het is deel van zijn literaire alchemie: edelextract puren uit gemeenplaatsen, wat de titel van het boek in se is.

'Ik moest komaf maken met het waanidee dat mijn achtergrond, waar ik vandaan kwam, mijn familie, mijn streek, mijn klasse, dat dat niet bruikbaar was voor een 'moderne schrijver'. En dat wilde ik zijn, vrij jong al had ik mij daarop toegespitst. De nouveau roman maakte indruk op mij. Dat was groots, dat was kunst, dat kwam van stedelijke schrijvers. En ik, ik was van het platteland. Ik had dat idee-fixe dat ik met mijn materiaal als kunstenaar niets kon aanvangen, dat mijn biotoop van geen tel was. Het was ook zo geperverteerd door slechte heimatliteratuur. Ik had de pretentie een schrijver te zijn die wilde werken vanuit een modern bewustzijn. Dat het een het ander niet hoefde uit te sluiten, heb ik pas begrepen na een gesprek met Daniël Robberechts. Hij was verontwaardigd over mijn houding, gooide mij in het gezicht: 'Loop er toch niet van weg. Pak dat vast en ga ermee aan de slag.' En dat heb ik gedaan. Dat volkse, het is maar wat je ermee aanvangt. Ik moest het in zekere zin redden uit de modder waarin het verzonken lag. Het geklets dat de oren pijnigde, de gemeenplaatsen, die Kempense coördinaten, ik moest die oermaterie kunstig maken, inpassen in het moderne schrijven. Dertig jaar is dit schrijven autobiografisch gebleven. Het voordeel daarvan is dat alleen jij kunt schrijven wat je schrijft.

"Ik wist wel vanaf mijn veertiende dat ik zou gaan schrijven, maar niet wat ik wou vertellen. Ik heb er mij altijd ingegooid en gezien wat er uitkwam. Zo'n soort schrijven is dat."

"Laat ik maar toegeven", zei Pleysier in 1984, "dat ik inderdaad tot hiertoe veel meer een onderzoeker dan een verteller ben geweest."

"Dat was ook zo. Zeker in dit boek." Zijn handpalm komt vrij hard neer op het exemplaar van Waar was ik weer? Nooit zo op Wit is altijd schoon, dat boekje wordt gestreeld.

"Vlaanderen is fel veranderd. Ik stel tot mijn genoegen vast dat ik dat in mijn boeken toch ook heb kunnen laten zien, zo door de ogen van mijn personages. Bij mij moet je het grote in het kleine zoeken. Zo heb ik glimpen van dat veranderende Vlaanderen vastgelegd. Die verdwenen moedertaal van Wit is altijd schoon, het platteland dat er vandaag niet meer is. Vlaanderen is nu één groot suburbaan gebied geworden. Met zijn nadelen - het is in de stad tegenwoordig rustiger leven dan in het dorp, je moet ze hier 's morgens eens zien, de tweeverdieners die over de weg scheuren om de file naar Antwerpen voor te zijn! - en zijn voordelen - men is tot in het kleinste dorp wereldser geworden, opener in zijn kijk op leven en wereld. Ja, ik ben tevreden dat ik dat gaandeweg mee heb geregistreerd, zij het dan zijdelings. In De trousse was het bewust. Ik heb tantenon zien vertrekken uit een Vlaanderen dat zijn missionarissen met de fanfare van het dorp naar de pakketboot in Antwerpen begeleidde. Ik zag dat als kind en ook al begreep ik er niet te veel van, het fascineerde mij wel. Tantenon was daar trouwens niet naïef in. Dertig jaar later zei ze: 'Mij zien ze daar niet meer, in dat Vlaanderen. Ik weet het wel, dat de kerken er leeg en de winkels en magazijnen vol zijn.' Maar er zijn veel andere missionarissen teruggekomen die die evoluties bedremmeld hebben staan aankijken. De fanfare ging niet meer uit voor hen."

Is de taal de moeder, dan het land de vader. En moet je van het juk van het land af, dan moet ook de vader even uit de weg. Ook hij moest door de zoon in zekere zin heruitgevonden worden, zoals de mooie oude moeder vanonder de soms taterende volksvrouw moest worden gehaald. "Ik ben geschrokken van sommige reacties. Als zou het een afrekening geweest zijn, dat schrijven, terwijl dat niet de intentie was. Iemand heeft eens tegen mij gezegd: erg hoe jij over je vader schrijft. Zo hard, zo meedogenloos. En: heb je er weleens bij stil gestaan dat er een moment kan komen dat jouw kinderen je even hard aanpakken?"

En dan al die andere familieleden. Broers, zus, tantenon. Lachen zij weleens in de spiegel die broer of neef hen zo al schrijvende al jaren voorhoudt?

La famiglia.

Steeds weer (en al van jongs af aan) het gevecht dat je moet voeren voor het verwerven (en nadien bewaren) van je persoonlijke souvereiniteit.

Maar ik zou de warmte die die hoop mensen (soms) afgeeft toch ook niet graag missen.

(Uit: De dieven zijn al gaan slapen, 2003)

"Dat aantrekken en afstoten heeft er altijd in gezeten. En wat ze ervan vinden? Daar hou ik me niet mee bezig, om hen uit te leggen hoe ze het moeten lezen en begrijpen. Ze moeten maar zien wat ze ermee doen. Ik heb hen één keer gezegd: als je situaties of mensen herkent in mijn boeken, bedenk altijd dat het mijn beleving ervan is. Neem van mij aan, heb ik hen gezegd, dat mijn verhaal niet het jouwe is.

"Ik ben in deze vijver blijven vissen. Ik ben cirkeltjes beginnen te trekken. Deze plek, deze familie. En dan ineens bleken er in die familie werphengels naar alle kanten te worden uitgegooid. Een broer in Afrika, een zoon ook, een tantenon in Zuid-India."

Dat 'verder weg' is sinds De gele rivier is bevrozen (1993) en Zwart van het volk (1996) niet meer uit zijn werk weg geweest. Maar altijd reisde de schrijver enkel mee in de bagage van zijn personage. En altijd werd er teruggekoppeld naar deze plek hier. Of hij nooit de aandrang heeft gevoeld om de eigen teen wat verder en dieper in het water te steken?

"O ja, natuurlijk wel. Ik ben heel erg gefascineerd door mensen die vertrekken, die schepen achter zich verbranden en naar de andere kant van de wereld gaan. Het fascineert mij wellicht des te meer omdat ik zelf zo honkvast ben, omdat Leen en ik nu eenmaal die keuze hebben gemaakt om hier te blijven. Het is niet zo dat ik bang ben voor de grote wijde wereld. Integendeel, we reizen veel. Fysiek, en ik ook in de geest. Die afstand, die zogezegde spanning tussen het kleine hier en het grote ginder, dat is zoals met het volksverbondene. Ja, het is een wezenlijk deel van mijn werk, maar het moet ook niet overbelicht worden. Het is zo relatief. Rijkevorsel ligt op 25 minuten van Antwerpen, anderhalf uur van Amsterdam, twee uur van Keulen en vier uur van Parijs. Waar hebben we het dan eigenlijk over? Wat mis ik hier? Wat ontgaat mij? Niets."

Ik heb altijd alles gezien en alles gehoord. Niets ontgaat me van wat vlakbij of rondom mij is, tenminste dat denk ik dan toch. Ik ben altijd en overal op mijn qui-vive. Waarom dat zo is (en waar ik het vandaan heb) weet ik niet, maar het alarm is permanent. Vierentwintig uur op vierentwintig branden de zoeklichten en gaan de sirenes. Al van kindsbeen heb ik het gevoel dat ik ook op het minste alert moet zijn en dat ik mijn post geen seconde mag of kan verlaten.

Dodelijk vermoeiend is het. Belang heb ik er ook niet bij, integendeel. En toch zou ik het niet anders willen.

(Uit: De dieven zijn al gaan slapen, 2003)

"Je zou het niet willen ruilen, hoor, dat permanente alarm. Het is... (zoekt de woorden), welja, zoals ik het schreef, dodelijk vermoeiend, maar ik weet ondertussen ook wel dat mijn schrijverschap er schatplichtig aan is. Zonder dat alarm schreef ik niet, wellicht. Ik ben hypergevoelig voor gesproken taal. Stemmen dringen soms diep tot in mij door. Wordt iets op een verkeerde toon gezegd, dan geeft mij dat het gevoel dat mijn souvereiniteit wordt aangetast. Het kan ook omgekeerd, de stem kan erotisch ervaren worden. Mij valt vaak op dat het in heel veel gesprekken totaal aan etiquette ontbreekt. Dat de wet van de sterkste heerst. Wie al pratend stiltes laat vallen, twijfel laat blijken, is gezien. Hij of zij wordt overstemd door de meest bazige, meest agressieve. Jürgen Habermas had het over de herrschaftsfreie Kommunikation, het gesprek waarin de partners volkomen gelijken zijn. Een utopie, natuurlijk. Dat kon je in de jaren zestig nog wel willen geloven, nu weet je beter. Als het gebeurt, als ik in zo'n onbehouwen gesprek verzeild geraak, dan trek ik mij terug. Liever zwijgen dan."

Of schrijven?

"Ah ja!"

Voor een miljoen: wedden dat Leo Pleysier niet van praatprogramma's houdt?

"Zwijg! Verschrikkelijk! Al dat geklets, ik zet het onmiddellijk af, het mag dan nog een interessant gesprek zijn. Ik kan het niet horen. (Pauzeert, lijkt te luisteren naar een ingebeelde radio) Hou alstublieft op. Stil. Geef mij maar geschrift."

Of muziek?

"Het allerhoogste. Als je iemand kunt raken of gewoon maar bereiken door de woorden over te slaan, dat is toch het summum? Mijn materiaal is dan wel de taal, maar zonder woorden spreken vind ik toch een niveau hoger. Maar goed, we behelpen ons, broos als het is."

Waar het vandaan komt, die hypergevoeligheid? Komt het uit zijn kindertijd, toen zijn oren en ogen beproefd werden door de harde, luide wereld van de veehandel?

"Dat kan. Ik ben als kind getuige geweest van geweld op dieren, van dood. Dat gebulder, gestamp en geduw. Ik nam mij voor dat ik later niets met die wereld te maken wilde hebben. Ik zou iets totaal anders gaan doen. Ik vlucht weg van de wereld van mijn vader, dacht ik, op naar de literatuur! Ik verwachtte dat het daar zachter en lieflijker aan toe zou gaan. (grijns) Ja, dat zal wel! Schrijvers kunnen heel hard met elkaar omgaan.

"Ik kan er veel meer mee leven dan vroeger, met dat permanente alarm. Vroeger, dat is dit hier (geeft opnieuw forse tik op 'Waar was ik weer?'). Ik heb geleerd om dat leefbaar te houden. Wat ik niet wil horen, kan ik makkelijker uitschakelen."

Vroeger, dan was schrijven het "geduldig inventariseren van opgelopen averij, van verlies, het vaststellen van schade". Later begon hij ook uit zijn winst te tellen. Zeker in De dieven zijn al gaan slapen.

"Dat gecomplexeerde is er ondertussen al een tijdje van af. Ik heb aan lichtheid gewonnen. Zelfs in Wit is altijd schoon, dat nochtans over de dood handelt. Het schrijven heeft mij in staat gesteld om op momenten dat het ertoe doet, op te stijgen. Ja, dat mag ik wel zeggen, dat ik dat bevochten heb. Lichtheid, zelfvertrouwen als schrijver en inzicht ook. Al betekent het niet dat ik me nu een oude wijze voel. Of dat ik er eindelijk achter zou zijn gekomen wat deze jongen allemaal drijft. Dat weet ik nog altijd niet, dat zal ik nooit weten en dat hoef ik ook niet te weten. We doen wat we niet laten kunnen nietwaar?"

In de voorbije vijfendertig jaar heeft Pleysier al vaker verzucht: de cirkel is rond. "Lieve moeder", schreef hij in Kop in kas, "nu laat ik los ; ik kruip onder u uit, ik duw u van mij af." Toen moest Wit is altijd schoon nog komen, en alle volgende zogenaamde familieboeken. De schrijver is vandaag oud en wijs genoeg, wellicht, om te weten dat de cirkel nooit rond is. Dat het nooit af is.

"O toch wel", klinkt het plots verrassend. "Ik kan me heel goed voorstellen dat ik de rest van mijn leven geen letter meer schrijf, dat ik zeg: genoeg.

"Als ik dat al eens durf uit te spreken, pruttelt Leen tegen. 'Het zal toch niet waar zijn', zegt zij. 'Stel dat maar wat uit.' Ze wil niet voor de rest van haar leven een oude zeurpiet in huis hebben, iemand die alleen maar zit te knorren omdat hij niet meer doet wat hij heel zijn leven eigenlijk heeft willen doen."

Filip Rogiers

'Ik was van het platteland. Ik had het idee-fixe dat ik met mijn materiaal als kunstenaar niets kon aanvangen, dat mijn biotoop van geen tel was. Het was ook zo geperverteerd door slechte heimatliteratuur. Ik had de pretentie een schrijver te zijn die wilde werken vanuit een modern bewustzijn'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234