Woensdag 17/08/2022

InterviewVoorbij het verlies: Ari Deelder

Ari Deelder, dochter van Jules: ‘Jules gebruikte speed niet om een high te krijgen. Hij vond vooral dat hij er beter door ging schrijven’

Jules en Ari Deelder. ‘Ik ben nooit lang boos geweest op hem.’ Beeld rv
Jules en Ari Deelder. ‘Ik ben nooit lang boos geweest op hem.’Beeld rv

De dood hoort bij het leven, maar hoe ga je ermee om? In onze serie ‘Voorbij het verlies’ delen mensen hun verhalen. Ari, de dochter van dichter Jules Deelder (1944-2019) laat ons in haar boek ABCDeelder meekijken in de ­archieven van haar vader. ‘Plots was er dat besef van sterfelijkheid, als je zag hoe vlug hij doodging.’

Dirk Leyman

‘Het was pats-boem in één dag voorbij”, vertelt Ari Deelder. “We dachten dat hij een kou had gevat. Maar op aanraden van een bevriende arts moest hij naar het ziekenhuis. Daar zei hij: ‘Nou stort het hele kaartenhuis in.’ ‘Ik ga met je mee’, zei ik. Toch hebben we daar ’s middags nog grappen zitten maken met de dokters. Over Londen, de gezondheidszorg, weet ik veel. Het was heel surrealistisch, Jules in een hospitaal. ’s Middags hadden mijn moeder en ik er nog een goed oog in. Maar ’s avonds werden we opgebeld. Hij ging snel achteruit. En toen is hij gewoon in slaap gevallen, op de tonen van Charlie Parker, en niet meer wakker geworden.”

Op het zonovergoten Rotterdamse caféterras Steyn op de Nieuwe Binnenweg evoceert Ari Deelder (°1985), dochter van Jules Deelder, zonder gêne de laatste uren van haar op handen gedragen vader. 19 december 2019, de dag waarop Deelder overleed, staat van minuut tot minuut in haar geheugen gegrift. Kort voordien was de nachtburgemeester van Rotterdam uitgebreid gefêteerd in de Doelen voor zijn 75ste verjaardag. Een week eerder was hij er nog bij op die beruchte schrijversgroepsfoto ten huize De Bezige Bij te Amsterdam.

De performancedichter leek het recept voor onsterfelijkheid te bezitten. Altijd strak in het pak, eeuwige vlinderzonnebril, zwarte flamenco-enkellaarsjes, Yardley-brillantine in het haar zodat hij een perfect strakke ‘Windhundenkopf’ had. En dichtregels die werden uitgespuwd als venijnige kersenpitten, met de kracht van een mitrailleergeweer. ‘Onpersoonlijke, onfilosofische, a-sentimentele en ultra-realistische gedichten die vaak provocerend banaal waren’, zo omschreef Rob Schouten ooit de ‘neonrealistische’ poëzie van Deelder.

“Op die laatste avond vroeg ik of hij nog iets nodig had van huis”, zegt Ari. ‘De Egofoon’, zei hij. ‘De Egofoon, wil je die nu?” Dat toestel van zwart bakeliet dat hij in de jaren tachtig zelf had gemaakt en waarmee je enkel naar jezelf kon bellen, bleek plots onvindbaar. Hoewel ik het bij de verhuis een jaar eerder had ingepakt. Het was de laatste opdracht die hij me gaf.”

Jules Deelder, strak in zijn zwarte pak. Jazzdichter par excellence, en nachtburgemeester van Rotterdam. Beeld rv
Jules Deelder, strak in zijn zwarte pak. Jazzdichter par excellence, en nachtburgemeester van Rotterdam.Beeld rv

De roodharige Ari Deelder praat ontwapenend openhartig en associatief, met een ongepolijst Rotterdams accent. Ze weet ‘Jules’ zo intens tot leven te wekken, alsof hij ieder moment kan komen aanschuiven. Ari – genoemd naar Jules’ vader Arie – werd meermaals door hem vereeuwigd, onder andere in het beroemde gedicht ‘Ari’: “Lieve Ari / Wees niet bang / De wereld is rond / en dat istie al lang.”

Er is ook een Rotterdams café naar haar genoemd. De theater- en filmmaakster en dj is door De Bezige Bij aangeduid als biografe van Deelder. Als appetizer voor ongeduldige deelderianen heeft ze nu een abecedarium klaar, geput ‘uit de overvolle magazijnen’, met de hulp van A.M.C. Fok, de ‘eeuwige verloofde’ van Deelder, met wie hij 45 jaar een latrelatie had. Het is, oneerbiedig uitgedrukt, een persoonlijke grabbelton, bijna een scrapbook, vol rariteiten en parafernalia uit de privébezittingen van Deelder, van zijn dassencollectie en zijn brillen via zijn readymades tot zijn ‘hardgin’, zijn plasticverzamelingen of wat er zoal in en op zijn bureau lag. Natuurlijk prijken er in deze ‘vingeroefening’ ook foto’s en jeugdherinneringen. En er is de wereldoorlog die door alles heen spookt, net als die zwarte humor, het improviserende ritme van de jazz en zijn favoriete voetbalclub Sparta, de Rotterdamse ploeg waarvan hij geen thuiswedstrijd miste.

Waarom geeft u nu al een voorgift op de biografie?

“Het zijn lijnen die samen zijn gekomen. Bijna een jaar voor Jules overleed, zijn we verhuisd. Ik woonde in het souterrain met mijn partner en mijn ouders woonden daarboven. Dat was naast het Westerpaviljoen (café Ari) aan de Matthenesserlaan. Na twintig jaar zat daar wel wat binnengestouwd, ook verhuisdozen die al drie verhuizingen meegingen. (lacht) En dan kom je helemaal te gekke dingen tegen, als je door die spullen zit te rauschen. Later, toen hij dood was, bedacht ik dat ze een goede leidraad konden vormen voor dit boek. Met als rode draad die zoektocht naar de Egofoon. Nogmaals merkte ik hoe intensief Jules met objecten bezig was geweest. Hij bewaarde de gekste dingen.”

Heeft het inventariseren van die objecten u geholpen tijdens het rouwproces? Schonk dat verlichting?

“Ik ben iemand die altijd dingen uitstelt tot aan de deadline. Ook hier was dat zo. Alles krijgt nog meer waarde als iemand overlijdt: een beschilderd ei met Bismarck erop, dat witte uiltje dat zo lang op zijn schrijftafel stond, het bloemetjesoverhemd dat hij bij zijn debuutoptreden in 1966 droeg. Je koestert de verhalen erachter. Ook mijn moeder – die vijftig jaar aan zijn zijde leefde – kent zoveel geschiedenissen. Dat hielp wel. Maar ik heb mijn gevoelens in toom gehouden. Het ging erom: wat voelde Jules er zelf bij, bij al die spullen?”

Het wordt straks wellicht moeilijk, bij het schrijven van die biografie, om dat evenwicht te vinden tussen distantie en empathie. Want u steekt uw bewondering voor uw vader niet weg.

“Kijk, als ze iemand met meer afstand willen, dan moet De Bezige Bij maar een andere biograaf zoeken. Een biografie kun je op allerlei manier invullen, als dochter, als lezer of met meer afstand. Dat moet ik nog uitzoeken. Toen ik kort na zijn dood – in volle coronatijd – toch met getuigen begon te praten, kostte me dat veel moeite. Ik zag ertegenop omdat het ook een vorm van hoogverraad was om zo snel al over Jules in de verleden tijd te spreken. Intussen kan ik daar beter mee om.”

Ari Deelder stond erg dicht bij haar vader. Vaak fungeerde ze zelfs als een buffer. “De laatste vijftien jaar hadden Jules en ik een werkrelatie. Ik verzorgde zijn management. Dat voelde goed. Ik waardeerde mijn vader als kunstenaar. En ik dacht na: hoe kon zijn werk zo goed mogelijk naar buiten worden gebracht?”

“Wij hadden geen geheimen voor elkaar en hielden er een erg open band op na. Terwijl ik in mijn omgeving net merk dat ouders en kinderen veel zaken voor elkaar verborgen houden. Zowel Jules als ik sprak liever de dingen direct uit, zodat er geen teleurstellingen ontstonden. Jules was altijd heel eerlijk: als ie zin had in iets of niet, dat wist je meteen. Maar Jules had geen groot verplichtingsgevoel, om het zo te zeggen. Je kunt dat uitleggen als iets heel egoïstisch maar ook als iets heel authentieks. Dan koester je tenminste geen valse verwachtingen.”

Of ze soms boos op hem is geweest? “Ja, eventjes wel, omdat hij een spelletje niet afmaakte en me liet stikken. Of weer eens naar een voetbalwedstrijd van Sparta trok in plaats van zich met mij bezig te houden. Maar dat ebde snel weg. Ook familiefeesten liet hij doodleuk schieten. Jules ging liever naar het voetbal. Alles draaide altijd rond Jules, maar door de clown uit te hangen als kind slaagde ik er wel in zijn aandacht te trekken. Maar het was vooral mijn moeder was die ervoor zorgde dat hij kon zijn wie hij wou.”

‘Vaderschap is meesterschap’, heeft Deelder ooit gezegd in het Rotterdams Dagblad. ‘Je denkt dat een kind je iets kan ontnemen, je vrijheid. Maar ik heb ontdekt dat je van een kind niks hebt te vrezen. Alles wat je geeft staat in verhouding tot wat je terugkrijgt.’

Jules Deelder met baby Ari. ‘Het gebeurde weleens dat mijn ­moeder een poosje wegging en Jules op me moest passen. Als ze later terugkwam, stond ik op mijn hoofd op de bank.’ Beeld rv
Jules Deelder met baby Ari. ‘Het gebeurde weleens dat mijn ­moeder een poosje wegging en Jules op me moest passen. Als ze later terugkwam, stond ik op mijn hoofd op de bank.’Beeld rv

“Jules wilde geen kinderen. Dat begrijp ik heel goed, want ik heb ook geen kinderwens, ik begrijp die biologie niet. Dat had bij hem te maken met het gezin waaruit hij voortkwam. Hij had niet zo’n heftige, close band met zijn vader Arie. Die werkte veel. En Jules was toch vooral een moederskindje. Toen hij terugkwam van de oorlog had zijn vader veel pijn. Kortom, hij had niet zo’n goed voorbeeld. Het vaderschap voelde gewoon als iets waar hij verplicht aan zou zijn. En dat wilde hij niet. Bij mijn moeder lag dat enigszins anders. Soms zei ze: ‘Ik wist zeker dat ik niet geen kinderen wilde.’ Let op de dubbele negatie. (lacht) Maar Jules was ten onrechte bang van het huisje-boompje-beestje toen ik eraan kwam; dat is nooit gebeurd.”

Was het lekker chaotisch bij jullie?

“Dat viel wel mee. Het gebeurde weleens dat mijn moeder een poosje wegging en Jules op me moest passen. Als ze later terugkwam, stond ik op mijn hoofd op de bank. Jules was doodgemoedereerd een boekje aan het lezen, hield niets in de gaten. Er bestaan ook foto’s van me waarbij Jules in platenwinkels aan het cratediggen was, al vroeg in de morgen. Zonder dat ik ontbeten had, werd ik meegesleurd. Jules trok zich dat niet aan, vergat alles om hem heen. Mijn moeder moest het dan maar zien op te lossen. Maar tegelijk had hij vertrouwen dat alles op zijn pootjes viel. Maar er echt onder geleden heb ik niet, hoor. Jules kwam uit een traditioneel gezin waar de vader het geld binnenbracht en de vrouw de verzorgende rol opnam.”

Werkte dat door?

“Ik heb veel tics van Jules meegekregen. Eindeloos trillen met je been bijvoorbeeld. Mijn moeder werd er gek van. Of terwijl Jules zat te schrijven op een blaadje, begon hij urenlang te wiegen. Of hij sleep een mes, met een herhaalde beweging. Jules was niet echt iemand voor de gezelligheid. Er was bij ons thuis nooit bezoek. Soms had hij geen zin in mensen, hield hij dagenlang de deur op slot. Bij ons thuis werd gewerkt, weet je wel. Hij was een soort einzelgänger die toch het publiek nodig had om dat werk beter te maken. Maar hij kon wel genieten van het applaus, dat waren zijn beste drugs.”

U beschrijft ook meermaals hoe afkerig Jules was van nieuwe technologie. Hij heeft nooit met de computer gewerkt. Of ja, één keer.

“En dat was meteen de laatste keer. (schatert) Hij slaagde erin het toestel helemaal naar de vaantjes te helpen. Toen mijn moeder en ik die dag thuiskwamen, had hij het toestel nét niet door het raam gekieperd. Het was volledig op tilt geslagen. We haalden er een computerman bij en die stond ervan te kijken, hoe deskundig hij moederbord en de harde schrijf had gemolesteerd. ‘Zalig zijn de digibeten, ze erven straks de echte wereld, de rest de virtuele’, vond hij.

“Met de telefoon of met ‘het internep’, zoals hij het noemde, daar had hij helemaal niks mee. Een mobieltje heeft hij nooit gehad. In zijn generatie kon je je dat nog permitteren. Hij hoefde het niet te doen, omdat ik zijn mails beantwoordde. Gek, want Jules was in wezen altijd nieuwsgierig naar nieuwe dingen. Hij was wantrouwig tegenover het internet, hoewel ik hem probeerde te overtuigen dat het een hele grote encyclopedie was. En dat er zoveel jazzplaten te vinden waren. Maar nee, hij zocht liever zelf naar zijn platen in de rekken. Hij had sowieso veel weerstand tegenover het digitale. ‘Dat klinkt niet goed, wordt allemaal schoongemaakt’, zei hij.

“Hij heeft verder altijd op typemachines gewerkt. Later wel op een elektrische. En toen het later moeilijker werd om daarvoor cassettelinten op de kop te tikken, ging hij zuiniger schrijven. Het tekort aan cassettes of typemachinelint was wellicht de belangrijkste reden waarom hij met zoveel wit schreef. In een interview in 1968 in Het Parool klonk het zo al: ‘Ik schrijf steeds kortere gedichten. Omdat ik minder woorden nodig heb, maar ook omdat de schrijfmachine steeds slechter wordt.’”

Niet alleen technologie boezemde hem angst in. Hilarisch ook hoe diepgeworteld zijn tandartsangst zat. In zijn bureauladen vond u ook een aantal van zijn tanden terug.

“Jules had een redeloze angst voor pijn, omdat hij zijn vader zo had zien lijden. Men was toentertijd ook nog niet bezig met waardig sterven. Van kindsbeen af had Jules daardoor een afkeer van de tandarts. Hij lustte geen melk en hoefde die van zijn moeder niet te drinken. Maar ja, zo kreeg hij zo’n hongerwintergebitje. En de schoolarts, die haalde er gewoon ruw van alles uit. Later zat hij af en toe met een dikke wang, die hij voor mijn moeder verborg. Of hij duwde tabasco op watten in gaatjes of gebruikte vreemde pijnstillende elixirs. Op mijn verjaardagsdiner brak Jules zijn tand op een coquille. Toen heb ik hem naar een vriendelijke tandarts, Hans Kleinjan, kunnen loodsen. Die kon de ravage rechtzetten. En tot onze eigenste verbazing ging Jules de laatste tien jaar van zijn leven zonder mopperen naar de tandarts. Ze zijn ook vrienden geworden.”

Jullie hebben samen ook flink wat afgereisd, al stond vakantie nemen voor Jules niet echt in het balboekje.

“’Ik wil niet op vakantie, tenzij ik er wat te doen heb’, zei hij altijd. Dus was er altijd een optreden aan verbonden. We trokken inderdaad veel samen op. En Jules was er eentje van het lopen. Ik herinner me dat we eens in New York aan het wandelen waren en hij al in Brooklyn was toen wij nog in Central Park struinden. Hij ging als een speer.

Deelder als dichter. Ari: ‘Hij haatte computers, bleef maar schrijven op typemachines. Beeld rv
Deelder als dichter. Ari: ‘Hij haatte computers, bleef maar schrijven op typemachines.Beeld rv

“We zijn ook in de Oekraïense hoofdstad Kiev geweest, waar zijn gedichten tijdens een optreden op een beamer zouden worden geprojecteerd. Maar die was kapot. En dan stelden ze een meisje voor dat zijn gedichten zou vertalen. Ze zag er achttien jaar uit, in heel traditionele kleren, een ongewoon contrast met Jules. ‘Als dat maar goed afloopt’, dachten we. Maar ze deed het prachtig. Jules zeek in zijn broek van het plezier. Ook in Colombia trad hij op, maar dat was niet simpel, al die eenlettergrepige woorden van Jules in het Spaans, ze moesten daar dagenlang op werken. Maar het lukte om timing en tempo over te brengen: dat vond Jules helemaal kicken.”

Ari kon Jules – vijf jaar voor zijn dood, op zijn zeventigste – ook overhalen om deel te nemen aan een tv-programma over zijn afkomst: Verborgen verleden, waarin bekende Nederlanders op zoek gaan naar hun familieverleden. “Omdat ik zelf wel meer wilde weten over mijn zeventiende-eeuwse voorvaderen, die walvisjagers waren in Groenland, en elke zomer met harpoenen en kleine houten sloepen in de weer waren. Daar had hij het echt naar zijn zin, al moesten we inderhaast zijn lange leren jas inpakken. Want Jules was echt niet gekleed op de kou.”

Op reis, fluistert Ari plots, alsof ze ons in een samenzwering betrekt, was het weleens spannend met die drugs. “Hij nam weleens wat mee. Daar heeft hij ook over geschreven in zijn verhalenbundel Schöne welt.” En zo komen we tot de onvermijdelijke Deelder-dada’s: de speed en de ‘hardgin’, en zijn passie voor snel rijden. Ari bekent dat ze soms doodsangsten doorstond. “Als Jules in zijn eentje op pad ging, lag ik de hele nacht wakker tot hij terugkwam. Ik voelde diep respect voor mijn moeder, die daar beter mee overweg kon. Jules vond het op tournee heel fijn om te vlammen. Maar op een gegeven moment liep hij een rijontzegging van een jaar op. Toen zijn manager ging navragen, bleek dat hij helemaal geen rijbewijs had! Dan werd het verbod meteen verlengd tot twee jaar. Ik zat weleens bij hem in de auto, ja, dat was woooooosssj – ik kan me niet herinneren hoeveel auto’s we rakelings langs scheerden. Hij moet vaak heel veel geluk hebben gehad. Vergeet ook niet dat zijn bril min zes had en hij dat misschien twintig jaar geleden had laten nakijken, dus rijden was sowieso onverantwoord. Jules ergerde zich er later aan dat je nergens meer hard kon rijden vanwege de files. Toen is hij ermee gestopt.”

GASKACHEL OPTILLEN

Of hij dan ook dronk? “Jules was meer op zoek naar de rush. Hij was nooit zo’n heftige drinker”, relativeert Ari. “Hij kon heel lang zitten sabbelen op één gin-tonic. Hij is wel altijd van de jointjes geweest, natuurlijk ook niet te best voor het autorijden.” Maar Deelder ging er natuurlijk prat op om elke dag speed te gebruiken ‘om tot zijn positieven te komen’, zo stond het in vrijwel alle necrologieën. Maar liep het zo’n vaart? “Dat waren verhalen die een eigen leven gingen leiden”, nuanceert Ari. “Er waren tijden waarin hij veel gebruikte, maar hij kon ook soms minderen of stoppen. Zeker, er waren periodes waarop hij bijvoorbeeld opbokste tegen Herman Brood, dat was een wedstrijd om ter meest speed gebruiken. Maar Jules vond het voordeel van speed dat je ’s ochtends een shot kon zetten. En dan was hij er klaar mee voor die dag.”

Ongetwijfeld moet Deelder een ijzersterk gestel hebben gehad. “Toen hij kort voor zijn dood in het ziekenhuis belandde, gingen ze hem checken. En ze dachten natuurlijk: die Deelder is een complete ramp. Maar al bij al zag het er goed uit. Jules was ook niet zo vaak ziek. Ja, een griepje, dan kon hij een dag of twee zeuren.”

“Jules is altijd heel eerlijk geweest over zijn drugsgebruik. Je ziet in de film of op tv altijd dat iemand gelijk naar de gallemiezen gaat bij het leggen van een lijntje of het gebruiken van speed. Maar dat is onzin. Je kunt er beredeneerd mee omgaan. En hoeveel mensen zijn er niet die niet zonder hun koffie of wijntje kunnen, elke dag? Ook dat is belastend voor het lichaam. Zelf ben ik geen drinker of roker, wel een recreatief druggebruiker. Ik hou ook niet van dronken mensen, die zijn onberekenbaar. Maar met mensen aan de drugs, daar kan ik heel goed mee overweg.”

Toch is Ari niet naïef, ze is niet van plan een drugslaudatio te houden. “Het probleem met drugs is uiteraard dat risico op verslaving: je moet er steeds meer van hebben om er hetzelfde gevoel aan over te houden. Veel vrienden van Jules zijn daaraan ten onder gegaan, vooral aan horse (heroïne, red.). Jules heeft weleens atropine geproefd, in de periode dat hij geen poen had. Dat liep niet goed. Hij wilde in de woonkamer de gaskachel optillen, gaan vliegen en het raam uitspringen. Niemand kon hem tegenhouden. En omdat hij voor de politie niet aanspreekbaar was, is hij toen gedwongen opgenomen en platgespoten. Toen hij de dag daarna wakker werd, was de arts op vakantie en kon hij niet naar huis. Daar gaf hij mijn moeder toen de schuld van. Onzin, natuurlijk.”

“Jules gebruikte speed niet om een high te krijgen. Het is een hele sterke pot koffie die je jezelf toedient. Hij had daarbij een evenwicht gevonden. Hij vond vooral dat hij er beter door ging schrijven. En toen ik hem eens vroeg in New York – toen hij niks bij had – hoe hij zich voelde, zei hij gewoon: ‘Prima hoor. Het leven zonder speed is gewoon saaier.’”

Ari: ‘Jules wilde geen kinderen. Dat begrijp ik heel goed, want ik heb ook geen kinderwens, ik begrijp die biologie niet.’ Beeld rv
Ari: ‘Jules wilde geen kinderen. Dat begrijp ik heel goed, want ik heb ook geen kinderwens, ik begrijp die biologie niet.’Beeld rv

Deelders DNA is onlosmakelijk verbonden met Rotterdam. Hij was stilaan publiek bezit. “Jules praatte met niemand. Of met iedereen. Het lag aan zijn bui. Toch zeiden mensen, naarmate hij beroemd werd, dat hij zo aardig was. Nou, waarom zou dat zo verrassend zijn? Op straat kon iedereen hem gewoon aanspreken, Rotterdam is ook een dorp, hè. In veel gevallen had hij geen idee wie er voorbijliep. ‘Wie is dat dan?’, vroeg hij. Zoals ik zei: hij zag niet goed en hij had tinnitus aan één oor. Hij luisterde heel vaak niet. Daardoor vonden ze hem ook weleens arrogant. ‘Je bent Jules Deelder’, riepen ze dan. ‘Nee, ik ben zijn broer’, klonk het dan weleens.

Dat Jules voortleeft in de havenstad, daar valt niet naast te kijken. Zelfs tijdens ons gesprek wordt Ari aangeklampt door bewonderaars van Jules. “Weet je dat er bierkaartjes liggen met teksten van Jules in dat café?”, vraagt een voorbijganger. “Er wordt soms commercieel een slaatje uit Jules geslagen, hoor”, zegt Ari. “Daar hebben we niet altijd zicht op. Maar Rotterdam draagt hem in het hart. Er hangen gedichten van hem op de Nieuwe Binnenweg, aan metrostation Coolhaven. En weet je wat het allermooiste is? Dat zowel supporters van Feyenoord als Sparta het gedicht ‘De ziekte van Hedel’ tegen Ajax en Amsterdam uit hun hoofd kennen. Welke schrijver kan zoiets bewerkstelligen?”

ROMANTISCHE PIZZAOVEN

Ari’s manier om hem uit te zwaaien na zijn dood was nauw verbonden met zijn rituelen in de stad. “Ik herinner me haarfijn de dag dat we de as van Jules gingen ophalen bij het crematorium. Het was ineens heel lekker weer, zomaar in de winter. En overal op de Binnenweg stonden ­foto’s van Jules in de etalage. Ik had een zwart tasje mee, waarin de urne zat, het leek wel een wijnfles. Kijk, zei ik, Jules, hier hang je, daar hang je. A.M.C. en ik waren een laatste wandeling aan het maken, samen. We zaten aan zijn café met de as. En nog steeds, als ik bij moeder langsga, waar die urne nu staat, roep ik als ik binnenkom: ‘Hoi Jules!’ Precies zoals ik dat vroeger deed.”

Ari lijkt discreet een opwellende traan uit haar oog te wrijven. Het hele interview lang houdt ze haar blik verborgen achter haar donkere zonnebrilglazen. “Ik had heel erg de drang om tot het laatst overal bij te zijn, met Jules”, vervolgt ze, algauw weer stoer. “Een kwestie van ‘samen uit, samen thuis’. Zo was ik ook bij de crematie aanwezig, toen hij de oven inging. Ik wist niet dat het mocht, maar je kunt dus gewoon vragen om dat bij te wonen. Ik wou zelf die knop indrukken, om de vlammen in gang te zetten. En dat kon toen! We stonden langs de met zwarte pianolak geverfde kist. Toen dat luik openging, schoof hij langzaam in een soort pizzaoven, allemaal geautomatiseerd, ja. Dan voel je die immense hitte. Mijn moeder en ik zagen dat vuur en de vonken die er door dat vernis afspatten. En ik kon alleen maar zeggen: ‘Wow.’ Ja, dat was een perfect einde voor Jules, dat opflakkeren. Het had iets romantisch.”

Maar, voegt ze er nuchter aan toe, het maakte haar wel pijnlijk bewust van haar eigen sterfelijkheid. “Dan gaan je oma’s en opa’s dood, dan je ouders, en dan ben jij aan de beurt, het estafettestokje van de generaties. Vooral de snelheid waarmee hij kwam te gaan, hoewel hij de dagen ervoor nog zo vief was, schokte me wel. Hij was niet ziek, hè. Dat doet me wel beseffen dat het je op elke leeftijd zomaar kan overkomen. Toch voelde ik opluchting over het feit dat hij geen pijn heeft gehad, geen lijdensweg van jaren moest doormaken, zoals zijn vader. Hij had een dood om jaloers op te zijn. Er hingen geen onuitgesproken belangrijke dingen meer tussen ons.”

Ari Deelder, ABCDeelder. Uit de overvolle magazijnen, De Bezige Bij, 160 p., 21,99 euro.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234