Maandag 26/09/2022

China's nieuwe culturele revolutie is big business

Het zijn hoogdagen voor de moderne Chinese kunst. Het ene gerespecteerde museum na het andere tooit er zijn zalen mee en curatoren en galeriehouders uit de hele wereld spoeden zich naar complexen als 798 en Moganshanlu in Peking en Shanghai om het werk van jong talent te beoordelen. Internationale veilinghuizen noteren ondertussen recordprijzen voor hedendaagse Chinese werken. Maar de grens tussen kunst en commercie is vaak flinterdun.

Catherine Vuylsteke / foto's Jimmy Kets

Er valt niet aan te ontkomen, in de wereld van de kunst troont de illusie altijd. Dat heeft immers met haar aard te maken, als toevoeging aan en verwerking van de realiteit en onze perceptie daarvan. Maar in het universum van de Chinese moderne kunst heersen de luchtspiegelingen schijnbaar nog meer dan elders. Niets is wat het lijkt.

Het gaat de Chinese moderne kunst voor de wind, lees ik overal, en dat mag alvast ook blijken uit de bedragen die kopers anno 2006 betalen voor doeken, foto's en beelden. Maar de kunstenaars die er oud genoeg voor zijn, spreken zonder aarzeling hun heimwee uit naar de jaren tachtig. "Onze ogen waren pas geopend, we keken nog met ons hart", meent de bekende fotograaf Han Lei, die in 1994 deelnam aan het eerste Internationaal Kunstenfestival des Arts in Brussel en die sindsdien in de hele wereld exposeerde. "Er was hoop en idealisme, oprechtheid ook. Voor het eerst in onze korte levens dachten we dat er fundamentele veranderingen op komst waren, alsof er een lentewind door de maatschappij waaide. En tegelijk waren er centen noch mogelijkheden. De buitenlanders hadden nog niets in de gaten, je hoefde niemand te behagen."

Aan het begin van de Opendeurpolitiek was dat, dik anderhalf decennium voor 'Fabriek 798' zijn reputatie als een in de jaren vijftig door Oost-Duitse Bauhausarchitecten ontworpen modelbedrijf inruilde voor die van Pekings hipste kunstbuurt. Degene die voor de ommezwaai zorgde, was Huang Rui, een man die eind jaren zeventig ook al tot een van de eerste avant-gardebewegingen behoorde, en die zich een paar jaar geleden in het industriële complex ging vestigen. Hij had in de jaren negentig een tijd in Japan gewoond en wist zijn oude vrienden daar te overhalen om een paar tentoonstellingen te sponsoren en de eerste galerie te openen. Daarmee was 798 als kunstenaarsenclave op de kaart gezet en de ene artiest na de andere besloot zich er te vestigen.

798. Wat moet een mens zich voorstellen bij het Greenwich Village van een natie die de moderne kunst nog maar net omarmt en waarvan de leiders haar in het beste geval met wantrouwen bejegenen? Een zich snel transformerende hybride, vooral, work in progress. Het in de oostelijke Dashanziwijk gelegen industriële complex is een gecondenseerde afspiegeling van de verscheurde maatschappij daarbuiten. Een vreemd amalgaam van werelden en tijdsgewrichten die even nadrukkelijk aanwezig zijn als ze elkaar negeren. Het 'xiagang'-tijdperk, van het faillissement en het gedwongen vertrek van duizenden werknemers, is het zichtbaarst: over de hele site ligt afgedankt industrieel materiaal. De pijpleidingen en de reusachtige verroeste installaties zijn gebleven, nu nutteloos en verstild. In sommige gerenoveerde panden worden Italiaanse espresso en Zwitserse chocoladetaart verkocht, terwijl in andere de dure kunstboeken van internationale uitgevers op klanten wachten.

In sommige loodsen doet alleen het ironisch bedoelde sociaal realisme van de geëxposeerde artefacten aan vroeger denken, in andere is het verleden echt aanwezig. De machines draaien er immers op volle toeren. Ze spuwen elektronicacomponenten uit, zoals ze altijd al deden. Alleen worden ze niet langer bediend door inwoners van de hoofdstad, maar door goedkopere, rurale werkkrachten, zonder enige vorm van sociale zekerheid. Deze jonge mannen en vrouwen zouden minstens een paar jaar moeten werken om zich ook maar een van de goedkoopste van de in 798 getoonde schilderijen of beelden te kunnen aanschaffen. Voor een werk van een kunstenaar met naam volstaat hun halve leven nog niet.

Even verder woont meneer Wan, een gewezen boer die hier sinds 2004 als nachtwaker werkt voor het bedrijf Space Planning Interior Architecture Chengde. Vijfenzestig is de man en afkomstig uit de provincie Shandong. Maandelijks verdient hij omgerekend 40 euro, het equivalent van iets minder dan 20 koffies in de keet om de hoek. Wan is sinds hij deze job aannam, niet meer naar huis gegaan, zelfs niet tijdens het voor alle inwoners zo heilige Chinees Nieuwjaar. "Ach, de eigenaren vreesden op dat moment nog het meest voor een inbraak, als het hele terrein er gedurende dagen nagenoeg verlaten bijligt", zegt hij vergoelijkend. "Ze hebben me iets extra gegeven. Bovendien is het transport erg duur geworden, ik moet een beetje uitkijken."

798 is misschien wel het bekendste hoofdstedelijke kunstcomplex, maar het is niet het enige en evenmin het eerste van het land. Nog voor Peking zijn artistieke industrieterrein kreeg, had de internationaal vermaarde schilder Ding Yi (44) in de Shanghaise Moganshanstraat al het Chunming Art Industrial Park ingericht. Het is, zoals de meeste dingen in de vergelijking tussen beide megasteden, compacter, minder stoffig en beter onderhouden dan 798, maar het principe is hetzelfde. "Eerst schilderde ik noodgedwongen thuis", aldus Ding, "maar dat was niet handig, je moest het formaat van je doeken aanpassen aan de afmetingen van je kamer. Toen er een veevoederfabriek in de buurt failliet ging, heb ik daarom meteen de manager benaderd. Die man wou maar wat graag enige ruimtes verhuren, kwestie van ook na de sluiting inkomsten te blijven genereren. En toen dat complex anderhalf jaar later tegen de vlakte ging, ben ik met een paar vrienden naar hier verhuisd. Veel anderen zijn gauw gevolgd."

Momenteel telt Moganshan dertig galeries en de ateliers van meer dan honderd kunstenaars. De gewezen fabrieksmanager die het complex nog steeds beheert, zit op rozen. Zelfs toen het bedrijf nog produceerde, was het nimmer zo'n goudmijn. Sinds 2002 is de huurprijs voor de artiesten en galeriehouders meer dan vertienvoudigd. En niemand krijgt een huurcontract voor langer dan een jaar vast, kwestie van ongehinderd de prijs de hoogte in te kunnen drijven. In 2003 werd voor 300.000 euro aan huur opgestreken, vorig jaar ging het maar liefst om 4 miljoen.

De aanvankelijk in de marge van de maatschappij werkende kunstenaars werden tegen eind jaren negentig door de overheid uitgenodigd om met hen samen te werken. Toen zijn de biënnales begonnen, die van Shanghai (2000), dan van Canton (2002) en vervolgens van Peking (2003) en onderhand is moderne kunst een van meest prestigieuze exportproducten van het land geworden.

Curator Feng Boyi gelooft dat die gewijzigde overheidshouding wortelt in het besef dat cultuur een onontbeerlijk element is van de hervormingen, te vitaal om te worden gereduceerd tot nietszeggend esthetisme. "De ommekeer had wel wat eerder mogen komen. De moderne kunst kreeg door haar marginalisering immers een al te makkelijk dissident cachet, waardoor ze veel aandacht kreeg van westerlingen die China geenszins kenden en die vaak meer op zoek waren naar oppositie en rebellie dan naar werken van grote artistieke waarde.

"Het is overigens door die gigantische westerse aandacht dat er zo'n enorme commercialisering is ingetreden. Met de buitenlandse curatoren kwam ook het grote geld, de reizen naar god weet waar en de entree in een bijzonder chique, niet geheel van leeghoofdigheid gespeende westerse kunstwereld. En algauw probeerde iedereen in de gunst te komen van zij die met een behoorlijk gemak de tickets naar Wonderland uitdeelden. Zelfs de overheid heeft onderhand begrepen hoe lucratief moderne Chinese kunst wel is.

De altijd erg politiek actieve Gao-Brothers, die al sinds eind jaren zeventig tot de avant-garde behoren maar wegens hun engagement voor de vrijlating van Wei Jingsheng pas in 2003 voor het eerst naar het buitenland mochten, leggen de plotse artistieke interesse van de overheid enigszins anders uit. "Aangezien er geen politieke dreiging uitgaat van het gros van de hedendaagse kunstmanifestaties, komen ze onze leiders geweldig goed uit", menen Gao Xianxian (50) en Gao Qiang (44). "Ze zijn vooral in termen van imago en pr van onschatbare waarde. Beschouw het als handige schaamlappen, waarmee ze hun fundamenteel autoritaire aard bedekken."

Dat betekent overigens niet dat er nu geen expo's meer worden gesloten of geen werken moeten worden weggehaald. In april nog moesten schilderijen van de muur worden gehaald waarop Mao niet in de Yangtze maar in het bloed zwom, en waarop de tanks van Tian'anmen te zien waren. Wat kan en wat niet? "Heikele maatschappelijke kwesties", aldus een van de Gao-Brothers, "mogen zonder probleem worden aangekaart. Bij de pure politiek, en dus het Tian'anmenbloedbad of de eenpartijstaat, ligt momenteel de grens van het toelaatbare. Het is evenwel onze taak als kunstenaars om die grens, en alle grenzen in vraag te stellen."

De grenzen aftasten, dat is wat China's moderne kunstenaars de voorbije jaren nog het meest hebben gedaan. Ze verkenden met een zelden geziene gedrevenheid alle limieten, soms zelfs die van de goede smaak. De enen smeerden hun naakte lichaam in met visolie en honing om zichzelf aantrekkelijk te maken voor de vliegen in een publiek toilet, anderen maakten zuilen met het menselijke vet dat ze bij liposuctiesalons gingen ophalen. Er waren performances waarbij mensen zich als een varken lieten brandmerken, en tentoonstellingen met een van het mortuarium geleende dode baby op een bed van ijs, een mensenarm aan een vleeshaak en een verhongerende eend, met aan de vloer vastgelijmde poten. Het allermeest furore maakte evenwel de op de erg spraakmakende tentoonstelling Fuck Off (2000) in Shanghai vertoonde video van ene Zhu Yu, waarin te zien is hoe hij een geroosterd doodgeboren kind opvreet, argumenterend dat er nergens ter wereld wetten of religies zijn die dat verbieden. En met als bottom line, dat er geen onderscheid in het vlees is en dat we allemaal dieren zijn, wij niet beter dan de rest.

"Je moet die dingen zien als een statement, als de belofte niets te zullen inleveren, aan de druk van de centen noch aan die van het fatsoen", legt Frank Uytterhaegen uit, de al twee decennia in China wonende Belgische eigenaar van de galerie China Art Archives and Warehouse (CAAW), die zowel in Peking als in Gent een afdeling heeft. Hij bezit onderhand een van de belangrijkste verzamelingen van moderne Chinese kunst ter wereld, kent in deze wereld god en kleine pierke, en kan bogen op vriendschappen die teruggaan tot aan de avant-gardebeweging van 1979.

"Sommigen zeggen dat de moderne kunst daar is begonnen, toen een aantal mensen hun doeken tussen de opschriften hingen van de later neergeslagen Democratiemuur in Peking, waar mensen als Wei Jingsheng pleitte voor de 'vijfde' modernisering, de democratie. Gedurfde dingen, maar artistiek weinig waard. Persoonlijk vind ik dat je verder moet teruggaan, dat de wortels in de jaren twintig van de vorige eeuw liggen. Het is immers in die periode dat Chinese kunstenaars in de hele wereld allerlei technieken hebben geleerd die ze dan later uiteraard louter in een bepaalde context hebben toegepast. Maar het is toen dat ze het clair-obscur van Rembrandt hebben geleerd, waarin Mao later vaak zal worden afgebeeld, en de Yangtze leerden schilderen zoals Turner dat gedaan zou hebben. Dat academisme is overigens bewaard gebleven en ik geloof dat het gedeeltelijk verklaart waarom de Chinese kunst nu zo aanslaat in het buitenland: ze is niet aleen inhoudelijk sterk maar ook technisch goed."

Anno 2006 zijn er honderden galeries in China. Zo'n 140 ervan namen in april deel aan de China International Gallery Exposition in Peking. De beurs is aan haar derde editie toe, de tweede had vorig jaar een omzet van maar liefst 3,6 miljoen dollar. Kunst is big business. Elisabeth de Brabant, een Amerikaanse die een stand op de beurs heeft en in Shanghai Art Scene China en Art Scene Warehouse runt, is het er helemaal mee eens. "Aan de ene kant stel je vast dat het gros van de kapitaalkrachtige Chinezen volstrekt geen verstand heeft van kunst. Ze passen perfect in het cliché over de nouveaux riches: van opzichtige dingen houden ze, van zichtbaar dure kitsch. En zelfs diegenen die enige affiniteit met kunst hebben, geloven doorgaans niet dat Chinese moderne kunst iets waard kan zijn. Ze gaan jade collectioneren, klassieke schilderkunst of kalligrafierollen. Van het hedendaagse houden ze zich angstvallig afzijdig, wat verklaart waarom slechts een kwart van onze klanten Chinezen zijn.

"En dan heb je een kleine minderheid van jonge yups met hoge posities bij banken bijvoorbeeld, die hebben gezien welke prijzen de Chinese moderne kunstwerken op de jongste veiling bij bijvoorbeeld Sotheby's hebben gehaald. Die kopen wel, ze zien het als een investering. Speculanten zijn het, geen verzamelaars. Ik vrees dat die laatsten hier nog uitgevonden moeten worden. Nog nooit had ik een Chinese klant die een bepaald werk kocht omdat hij of zij er door getroffen was. Of we werk van die of die hebben, vragen mensen, hoeveel stuks wel en wat het kost. En als de prijs meevalt, kopen ze soms prompt alles.

Musea zijn de volgende hype. Ik lees dat er de komende jaren in heel China meer dan duizend nieuwe moeten worden gebouwd. "We kampen met een ware explosie", meent curator Feng Boyi. "Maar wie gaat die straks beheren? Zakenlui die niet weten wat aan te vangen met hun fondsen of overheden die zich graag als modern voordoen, willen vooral zichzelf in de kijker zetten met de complexen die ze laten verrijzen. Ze hebben geen flauw benul van kunst en voorzien bijvoorbeeld nauwelijks een budget om de keet straks te runnen. Alsof je met de opbrengst van de entreekaartjes alleen tentoonstellingen kunt organiseren."

Galeriehoudster De Brabant vindt bovendien dat weinigen begrijpen wat musea echt zijn. "In essentie worden ze gezien als een ruimte die geld kan opbrengen. Je stelt enige kunstvoorwerpen op en vraagt entree. Kunst is momenteel vreselijk in de mode, vandaar ook dat immobiliënmakelaars soms een museum laten bijtekenen op de plannen voor de villawijk. Ze denken dat ze aldus makkelijker klanten vinden voor hun huizen, en ze proberen zichzelf te verkopen als cultureel bewuste mensen. Vreselijk, niet? Maar het gaat wel over. Het zijn groeipijnen, geloof me."

Het volledige dossier China door de ogen van de Chinezen vindt u op de website www.demorgen.be/buitenland/china

China's moderne kunstenaars hebben vooral de grenzen afgetast. Ze exposeerden met een van het mortuarium geleende dode baby op een bed van ijs, een mensenarm aan een vleeshaak en een vastgelijmde verhongerende eendMet de buitenlandse curatoren kwam ook het grote geld

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234