Zaterdag 28/05/2022

Danspasjes die je binnensmonds olé! doen uitroepen

Gatlif lijkt niet in de eerste plaats een hulde aan flamenco te willen brengen, maar veeleer een synthese van zigeunermuziek

In Spanje kwamen bijna gelijktijdig twee films in roulatie die allebei het zigeunerkarakter belichten: Gitano, met Joaquín Cortés als steracteur, en Vengo, met weer een andere danser als protagonist: Antonio Canales. De twee films hebben met elkaar gemeen dat ze clichévoorstellingen brengen van het zigeunerleven in Andalusië, maar Vengo heeft dit voor op Gitano, althans voor de liefhebbers, dat de flamenco er de eigenlijke hoofdrol in speelt.

Een van Gatlifs eerdere fims, Latcho Drom, vertelde over de eeuwenlange odyssee van de zigeuners vanuit Rajasthan tot in Andalusië, via het Midden-Oosten en de Balkan, en de muzikale vormen die zij overal op hun weg creëerden. Niet uit het niets, maar door aanpassing aan het cultureel substraat van elk gastland, dat zij bevruchtten met eigen belevingswijzen. In Andalusië, eindpunt van de omzwervingen, absorbeerden zij de rijke plaatselijke folklore, die zelf al veel aan de Moorse en de joodse cultuur te danken had. En hier richten we naar Gatlif een eerste verwijt: hij sleurt er overal in Vengo Arabieren bij, zelfs in Arabische klederdracht, terwijl de Andalusiër er gewoon niet aan te pas komt.

Payos (niet-zigeuners) en gitanos komen, ook en vooral als artiesten, zoveel vaker met elkaar in contact dan gitano's en Arabieren. De jongste tijd zijn er meer en meer fusiepogingen omdat 'wereldmuziek' in de mode is. Vaak is daar ook de bedoeling bij om beide cultuurvormen, de Arabische en de flamenco, weer bij elkaar te brengen omdat ze toch, zo denken de experimentelen (El Lebrijano, Enrique Morente), samen ontstaan zijn. Hierbij laten ze achterwege dat de flamenco relatief veel jonger is, dat beide muzieksoorten niet samen evolueerden en dat ze vandaag de dag totaal anders klinken, zowel ritmisch als melodisch.

Tony Gatlif gaat uit van het standpunt dat het allemaal zigeunermuziek is en dus zie je de Turk Ergüner samen spelen met flamencogitaristen en soefizanger Ahmad Al Tuni het opnemen tegen Tomatito. Antonio Canales, toch vooral bekend als danser en choreograaf, danst geen enkel pasje, jammer genoeg, maar droomt wel van ronddraaiende derwisjen. Je krijgt de indruk dat Gatlif niet in de eerste plaats een hulde aan de flamenco wou brengen, maar veeleer een synthese van de zigeunermuziek zoals hij dat ziet met zijn Latcho Drom in het achterhoofd.

De pure flamenco is niettemin present in deze film, en met vertolkingen die niet onderbroken worden door een of andere dialoog. Je hoort veel tango's en rumba's, een bulería en, hoogtepunt van de film, een formidabele siguiriya door de bloedstollende Paquera de Jerez. Voor haar alleen moet de aficionado de film gaan bekijken. Maar ook voor dat korte sequensje waar Bobote, meestal als palmero (specialist van de palmas of ritmisch handgeklap) te zien achter rondtoerende vedetten, op de autoweg enkele danspasjes plaatst die je binnensmonds olé! doen uitroepen. Dat is puur, de essentie van de flamencodans, spontaan, precies, onweerstaanbaar. Maar het duurt maar even. En ten slotte ook voor zangeres La Caíta, die ongelooflijk gedreven, ja high overkomt in de taveernetango's na de openluchthappening met Tomatito.

Die La Caíta is een authentieke ontdekking van Tony Gatlif. Hij haalde haar uit haar achterbuurt en haar roes in Badajoz (Extremadura) om haar in de laatste shots van Latcho Drom op een hoogvlakte te laten uitwaaien in onvergetelijke siguiriyas en andere pure flamencogezangen. Ook Bobote zingt in Vengo een siguiriya, maar in een sequens die belachelijk overkomt. Het is zijn schuld niet, maar die van zijn script. "Hoor eens, zegt hij plots, terwijl hij zijn oor te luisteren legt tegen het gebladerte van een hoge struik, die boom heeft duende, hij zingt por siguiriya." Het begrip 'duende' (te vertalen door het Amerikaanse 'soul' als je het gemakkelijk wilt houden, maar in de flamenco nog getooid met een magische aura) moest er natuurlijk bijgesleurd worden. Maar op zo'n manier. Bobote zingt een strofe en onmiddellijk daarop grijpt de cineast in en monteert palmas, twee handen in close-up die het metrum van de tango aangeven, dus niet van de siguiriya. Een doodzonde.

Gatlif heeft overigens muzikale ambities. Hij arrangeerde een stukje en componeerde zelf de muziek rond de dood van Caco (Antonio Canales). De compositie, 'Mécanique garage', is zonder meer protserig en irriterend. Het arrangement van Nací en alamo, op het compás van de tango, zorgt voor een zacht schrijn rond de melodieuze zang van de zeventienjarige Remedios Silva Pisa, en is zo'n beetje het herkenningsthema van de hele film.

André Fonteyne

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234