Dinsdag 09/08/2022

'Dat wilde is heel Vlaams'

'Zo'n bloemlezer is toch maar een halve ambtenaar dacht ik altijd, maar dat gevoel heb ik er helemaal niet aan overgehouden. Het was een ontdekkingstocht, een expeditie naar het allermooiste.' Aan het woord is Joost Zwagerman, samensteller van De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen, dat in meer dan één betekenis een imposant boekwerk is. Door Marnix Verplancke

Joost Zwagerman (red.)

De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen

Prometheus, Amsterdam, 1599 p., 39,95 euro.

Het begon met een essay drie jaar geleden, op vraag van het literaire tijdschrift Bunker Hill. De redactie wou een themanummer maken over het korte verhaal en vroeg Zwagerman daarom of hij zich zou willen buigen over de positie van het korte verhaal in de Verenigde Staten. In dat essay concludeert hij dat ze aan de overkant van de oceaan heel anders aankijken tegen het verhaal dan in onze contreien. Ze weten er het genre te appreciëren. "Ze noemen het hun 'own national literary format', wat natuurlijk een beetje overdreven is omdat ze dan net doen alsof Toergenjev en Gogol niet geleefd hebben - Amerikaanse expansiedrift wellicht - maar het is wel zo dat ze in hun literatuurgeschiedenis veel ruimte hebben ingeruimd voor het verhaal. Het mag echt meedoen. Wanneer je er een Amerikaanse Literary Dictionary op naslaat, zie je dat het lemma voor de roman en dat voor het korte verhaal ongeveer even lang is. Tegenover de hang naar de grote Amerikaanse roman is er ook de hang naar het perfecte korte verhaal. Kijk naar de New Yorker die week na week op zoek gaat naar de knapste korte verhalen, dat kennen wij in Nederland en Vlaanderen niet. Er is geen enkel publiekstijdschrift dat aandacht schenkt aan het korte verhaal." Prometheus-uitgever Mai Spijkers las het essay en merkte tegen Zwagerman op dat als het Nederlandstalige korte verhaal zo ten onrechte veronachtzaamd werd, hij misschien maar eens een bloemlezing moest maken waarin hij de schoonheid ervan kon bewijzen. Het was een uitdaging die Zwagerman niet aan zich voorbij kon laten gaan.

De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen is een heerlijk boek om in te grasduinen. Soms heeft de samensteller gekozen voor bekende verhalen, andere keren weer staat er minder bekend werk in. De ene keer begin je glimlachend en terugdenkend aan de eerste maal dat je een bepaald verhaal onder ogen kreeg. Andere keren ga je vol nieuwsgierigheid op zoek naar iets waarvan je zelfs niet wist dat het überhaupt op papier was gezet. Maar de bundel is ook meer dan dat. Wie het boek van de eerste tot de laatste pagina in chronologische volgorde leest - "Niet echt de bedoeling", geeft Zwagerman toe, "maar je kunt het natuurlijk wel doen" - merkt dat het in feite ook een beeld geeft van de geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur van de voorbije 125 jaar. Korte verhalen, zo blijkt, hebben steeds als spiegel gefungeerd voor wat er in de totale literatuur gebeurde. "Een heel mooi voorbeeld is Paul Van Ostaijen", verduidelijkt Zwagerman. "Het modernisme van begin twintigste eeuw zie je natuurlijk terugkeren in zijn bekende poëzie, maar ook in zijn veel minder gelezen korte prozateksten. Dat zijn teksten die nog steeds nadampen van de tijd waarin ze zijn ontstaan en dat is mooi om te zien."

Waarom te beginnen in 1880?

"Omdat toen het korte verhaal als genre in Nederland en Vlaanderen op de kaart kwam te staan. Daarvoor had je nog fabels en vertellingen in de trant van Hildebrand, maar dat was toch iets anders dan het korte verhaal zoals we dat vandaag kennen. Dat is in Amerika ontstaan, rond dezelfde tijd, met Edgar Allan Poe en later Henry James. Zij hebben van het genre grote kunst gemaakt. In Rusland had je Tsjechov en Toergenjev, in Frankrijk Guy de Maupassant. 1880 is dus meer een symbolisch vertrekpunt - precies 125 jaar geleden - als wel een jaar dat het eerste specifieke verhaal verschenen zou zijn."

Hanteerde u bij het bepalen wat een goed verhaal is de criteria die Poe al noemde, namelijk dat je het in één keer moet kunnen uitlezen, er een beperkt aantal personages en gebeurtenissen in voorkomt, er geen woord te veel in staat en het verhaal op een dwingende wijze naar zijn ontknoping toegaat?

"Dat laatste is natuurlijk het belangrijkste, maar Poes criteria heb ik slechts vaag in het achterhoofd gehouden. Iedere schrijver legt immers met het schrijven van zijn eigen korte verhalen weer nieuwe criteria vast en precies die zijn van belang. Als je de verhalen van Tonnus Oosterhoff, om maar eens een duidelijk postmodern schrijver te noemen, met Poes criteria zou lezen, zouden die gewoonweg niet in aanmerking komen, net zo min als de vroege experimentele verhalen van Stefan Hertmans trouwens. Wat ik daarom gedaan heb, is per schrijver kijken wat die met het verhaal wil. Sommigen willen onderzoeken hoe die aloude criteria te ondermijnen of te ondergraven zijn. Anderen willen dat dan weer helemaal niet. Tim Krabbé schrijft precies zoals Poe het stipuleerde: klassieke verhalen met een beperkt aantal personages die naar een onontkoombare ontknoping toe werken. Sybren Polet is dan weer heel experimenteel aanwezig. Je kunt die twee niet met dezelfde criteria beoordelen, dat zou oneerlijk zijn."

En hoe beoordeelt u een verhaal van uzelf, want u bent zelf ook aanwezig in de bloemlezing?

"Dat is aartsmoeilijk en aanvankelijk was ik het ook niet van plan omdat het me een daad van grote onbescheidenheid leek, tot Mai Spijkers, die ook heel dicht op de huid van Komrij heeft gezeten toen die zijn poëziebloemlezingen heeft gemaakt, opmerkte dat een mooie bundel samenstellen wel een valabel doel kan zijn, maar dat je als samensteller ook moet laten blijken dat je een ervaringsdeskundige bent en dat je je ook zelf hebt vergrepen aan het genre van het korte verhaal. Zoals Komrij dat laat zien door met één gedicht aanwezig te zijn, zei Spijkers, moet jij ook laten zien dat je het knallen van de zweep kent door er met één verhaal in te staan. Dat is natuurlijk een goeie redenering en toen dacht ik: waarom ook niet? Mezelf bloemlezen bleek uiteindelijk niet eens zo moeilijk. Bij anderen ging ik op zoek naar een verhaal dat enerzijds de eigenheid van de auteur laat zien en dat anderzijds een pakkende introductie zou kunnen zijn voor de lezer. Bij mezelf heb ik gewoon hetzelfde gedaan: een verhaal waar ik zelf van hou en dat typisch is voor hetgeen ik heb geschreven."

Geen zure opmerkingen gekregen in de zin van: ik sta er niet in, maar zichzelf vermelden doet hij wel?

"Natuurlijk staat niet iedereen erin en er zullen altijd wel een aantal mensen teleurgesteld zijn, maar een bloemlezer doet zijn werk nu eenmaal nooit goed. Dat zie je ook aan Komrij. Toen hij de eerste editie maakte van zijn poëziebloemlezing waren heel wat mensen boos, soms zo erg dat ze zelfs een rechtszaak aanspanden. De aanklacht was dat een bepaald soort dichters, namelijk de experimentele, sterk ondervertegenwoordigd was. Objectief bekeken was dat ook zo. In de volgende edities heeft Komrij dat genuanceerd en nu klaagt men dat het zo'n gezichtsloze bloemlezing is omdat iedereen er in staat. Dat leerde me dat je als bloemlezer erop moet rekenen dat je het nooit goed doet volgens bepaalde scherpslijpers. Maar daar denk je op een gegeven moment helemaal niet meer aan. Zodra je in het project onder bent gedoken, volg je gewoon je hartstochten."

Waarom wordt het korte verhaal bij ons zo stiefmoederlijk behandeld?

"Aan de auteurs zelf zal het alleszins niet liggen, aangezien er maar een paar zijn - Louis Ferron bijvoorbeeld - die er nooit geschreven hebben. Schrijvers zijn over het algemeen bezig in het genre omdat ze zich veel meer vrijheden kunnen permitteren in verhalen. Hier moet ik niet voldoen aan de dwingende eisen van de roman, lijken ze te denken, met karakterontwikkeling en het werken aan een plot. Je mag als het ware even vakantie nemen van jezelf zonder dat je nu meteen met je linkerhand gaat schrijven. Dat maakt het voor een schrijver prachtig om te doen, maar het maakt het voor de lezer misschien ook ietsje minder toegankelijk. Een kort verhaal is meestal een literaire eenheid waar rafelrandjes aanzitten en niet alle zaken ingevuld zijn zoals in een roman. Hermans zei ooit dat er in een roman geen mus van het dak valt zonder dat het een reden heeft. In een verhaal kan er best een mus van het dak vallen zonder dat er een reden geëxpliciteerd wordt. Die reden is er natuurlijk wel, maar die moet jij als lezer zelf invullen. De schrijver laat dat open en de lezer wordt verondersteld het verhaal mee te creëren door de witte vlekken gestalte te geven. Het resultaat is dat je met een verhaal niet lekker languit kunt gaan liggen lezen op een zomers strand, nee, je moet er wel iets voor doen, en dat kan een reden zijn waarom mensen liever een roman lezen.

"En de uitgevers gaan ook niet vrijuit. Zij maken van het korte verhaal een soort pretgenre: Lange winternachten, een themaverhaal, of Beroerde Kerst, een verhalenbundel, of ook nog Mijn slechtste vakantie, rampzalige verhalen. Als lezer krijg je dan al vlug de indruk dat het verhaal een genre is waarin de schrijver even het licht kan uitdraaien in zijn bovenkamer en iets gemakkelijks kan schrijven. Dat is de dood in de pot, en juist terwijl nogal wat schrijvers hun beste kunnen in hun verhalen hebben gestopt. Hermans is natuurlijk een romanschrijver die zijn weerga niet kent, maar zoals Kees Fens eens zei: de vroege verhalen van Hermans hebben zo'n hoog niveau dat hij het zelfs in zijn beste romans niet meer heeft kunnen halen. Misschien geldt dat ook wel voor Vestdijk, zei Fens, en ik ben het met hem eens. Voor mij is de Bordewijk van de korte verhalen die aankomen als een zweepslag en staan als een huis, als zijn ze uit graniet gehouwen, superieur aan Bordewijk de romancier. Die mensen schreven helemaal geen korte verhalen voor de grap."

Uitgevers willen ook per se een roman uit een verhalenschrijver persen.

"Inderdaad, ze rollen nooit de rode loper voor je uit als je zegt dat je net je verhalenbundel hebt voltooid. Fijn voor jou en voor de fijnproever, maar daar kan de pot niet van roken. Ze zullen het natuurlijk nooit zo zeggen, maar denken doen ze het wel, terwijl je op alle egards kunt rekenen als je meedeelt dat je grote roman van driehonderd pagina's bijna klaar is. Want daar zien ze veel meer potentieel in. Het korte verhaal wordt door de Nederlandse en Vlaamse uitgever al te vaak beschouwd als een opstapje naar een eerste roman, en zo forceren ze soms schrijvers in een richting waarin die helemaal niets nieuws heeft te melden, terwijl ze misschien een eigen vorm zouden vinden in het genre van het korte verhaal. Ik vind dat doodzonde."

Is het korte verhaal in de VS en Engeland niet bezig aan een remonte?

"Neem Scott Fitzgerald, die werd royaal betaald voor zijn korte verhalen omdat men wist dat zijn naam lezers trok. Hij financierde met zijn verhalen het schrijven van zijn romans en dat is natuurlijk ongelofelijk. John Updike heeft in de jaren vijftig en zestig zijn oeuvre op kunnen bouwen door zes keer per jaar een perfect verhaal af te leveren voor de New Yorker. Die zes verhalen brachten genoeg op om zijn vrouw en vier kinderen te onderhouden en stelden hem in staat op zijn gemak zijn romans te schrijven. Dat bewijst dat kranten- en tijdschriftredacties het verhaal toen naar waarde wisten te schatten, en dat zowel artistiek als financieel. Ik weet niet hoe het in Vlaanderen precies zit, maar ik kan je wel vertellen dat er in Nederland geen enkele schrijver is die zijn romans met het schrijven van korte verhalen kan financieren. Dat is waanzin. Je mag al blij zijn als ze door een literair blad blad opgenomen worden en dan krijg je er een paar zielige honderd euro voor. Een verhaal schrijven is een puur literaire onderneming. Je weet dat je er niet rijker van wordt, maar precies ook daarom weet je dat je niet gecorrumpeerd zult worden door markttechnische overwegingen, want geef nu toe, van heel wat romans lees je toch niet meteen de noodzaak af. Bij veel verhalen daarentegen voel je dat de schrijver gedaan heeft wat hij dacht dat hij moest doen, en dat levert vaak veel interessantere literatuur op. Wat we momenteel in Amerika zien, is wat hier ook gebeurd is: het korte verhaal wordt een zorgenkind. Veel tijdschriften stoppen met het publiceren van verhalen, en dat is heel jammer, maar het neemt niet weg dat er nog steeds prachtige verhalenbundels uitkomen. Nathan Englander bijvoorbeeld, de kwaliteit daarvan is torenhoog, of Charles D'Ambrosio van een paar jaar geleden. Ik heb een heel interessante verhalenbundel gelezen van Dave Eggers en Alice Munro is nog steeds weergaloos. Mij zul je dus niet horen klagen. Als ik nu naar Nederland en Vlaanderen kijk, merk ik dat vooral jonge Vlamingen - en bij mij blijven mensen heel lang jong omdat ik het zelf ook wil blijven, maar ik bedoel vanaf de generatie Lanoye-Brusselmans - zich meer zijn gaan toeleggen op het korte verhaal. Tussen Boon en Lanoye waren er relatief weinig verhalenschrijvers te vinden en als een schrijver er al eentje schreef was het een eenmalig iets. Lanoye daarentegen heeft een aantal verhalen geschreven die tot het mooiste van zijn oeuvre behoren. Brusselmans is wat minder scheutig geweest met verhalen, maar als je kijkt naar Tom Naegels of Peter Terrin en Jeroen Olyslaegers zie je dat er veel schrijvers van de jongere generatie zijn die het verhaal niet te min vinden als genre. Dat vind ik hoopvol."

Kunt u zeggen dat er een nieuwe generatie is opgestaan?

"Dat weet ik niet precies, maar ik denk wel dat er voor de opkomst van Lanoye en Brusselmans toch een kaalslag was in de Vlaamse letteren. Zij hebben gezorgd dat er opnieuw enthousiasme en esprit in de literatuur kwam. De vrolijke anarchie kon ineens weer, net zoals het vrolijk lonken naar een buitenliterair publiek. Het was geen schande meer als je letterlijk een zeepkist pakte en daarmee je verhalen aan de man bracht, wat Lanoye nog steeds doet. En het was ook geen schande meer om het af en toe over iets anders dan je boeken te hebben, zoals Brusselmans met zijn leuke stukken over popmuziek van weleer en nu zijn column in Humo. Zij hebben de Vlaamse literatuur opnieuw vitaliteit gegeven en ook de latere schrijvers die zich tegen Lanoye en Brusselmans zijn gaan afzetten hebben paradoxaal genoeg toch behoorlijk veel aan die twee te danken."

Merkt u een verschil tussen Nederlandse en Vlaamse verhalen?

"Wat me opviel is dat Vlamingen - misschien met uitzondering van de jongste generatie - minder geneigd zijn verhalen te schrijven dan Nederlanders. Blijkbaar sparen zij hun tijd liever op voor de grote roman. Dat zie je bij Walter van den Broeck, maar ook bij Peter Verhelst, die Tongkat wel een verhalenbordeel noemt, maar toch een roman heeft geschreven. De kortste tekst van Verhelst was veel te lang om in deze bundel op te nemen, dus daarom ontbreekt hij. Maar laten we teruggaan naar Louis Paul Boon, bij hem zie je hetzelfde: tussen de Boontjes en de grote roman zit eigenlijk, denkend aan het specifieke korte verhaal, betrekkelijk weinig. Menuet, maar dat was ook veel te lang om op te nemen. Bij hem heb ik een beetje gesmokkeld door De triestige merel te selecteren, en door een fragment op te nemen uit Mijn kleine oorlog, wat geen verhalenbundel was maar wel een collageboek. De man heeft nooit een verhalenbundel gepubliceerd, wat trouwens ook voor Elsschot geldt. Waarom is die er niet bij, kun je je afvragen, omdat hij wel novellen geschreven heeft, maar geen verhalen.

"Als Noord-Nederlander was het voor mij echt werk om Cyriel Buysse te lezen. Bij hem merk je hoe drastisch de taal de voorbije eeuw veranderd is en hoeveel sterker dat in Vlaanderen het geval is dan in Nederland. Wij moeten ons minder in bochten wringen om Emants te lezen, terwijl zelfs iemand als Johan Daisne, die toch veel recenter schreef, toch ook alweer verouderd aanvoelt. Ik vraag me in dat verband trouwens af hoe men over een jaar of dertig, veertig Louis Paul Boon zal zien. Dat wordt nog wat. Verder viel me op dat mensen als Rita Demeester, schrijvers die zich echt solidair verklaarden met het Amerikaanse 'dirty realism', toch betrekkelijke eenlingen geweest zijn binnen de Vlaamse literatuur. Demeester vertoont in haar verhalen bijvoorbeeld een prettig soort verwantschap met Raymond Carver. Die strekking is veel massaler aangeslagen in Nederland en Demeester staat dan ook dichter bij Mensje van Keulen of Tim Krabbé dan bij haar eigen landgenoten. Ook deze twee schreven over veronachtzaamde levens, geleid door mensen die je normaal over het hoofd ziet. Wat ook in het oog sprong was dat Vlamingen veel meer van wild en feestelijk houden. Alle zintuigen naar het burleske staan open, zoals bij Gust Gils, Lanoye of Berckmans. Die laatste vind ik trouwens een zeer onderschatte Vlaamse schrijver. Als hij een Amerikaan was geweest was hij gelauwerd als een nieuwe Hunter Thompson en een grote concurrent van Charles Bukowski. In Vlaanderen kijkt niemand naar de man om en moet hij leven van een uitkering."

Groeien de Nederlandse en de Vlaamse literatuur niet uit elkaar?

"Ik heb de indruk dat veel moois uit de Nederlandse literatuur de Vlaming gewoon ontgaat. De Gouden Uil biedt zicht op wat er in Noord-Nederland gebeurt, maar krijgt iemand die prijs niet dan blijft hij toch onbekend. Willem Brakman is in Nederland een auteur met een groot oeuvre en een klein publiek die hogelijk gewaardeerd wordt. In Vlaanderen kent men hem niet, en dat is doodzonde, omdat het wilde, dat rare ongebreidelde en dat af en toe wegzwiepen juist heel Vlaams is. De gemiddelde Vlaamse lezer zou zich enorm in de ogen wrijven bij het lezen van een boek van Brakman denk ik, maar blijkbaar zit er toch een landsgrens tussen en komt dat niet over. We kunnen dus wel een mooiweerverhaal houden en zeggen dat het niet zo is dat Vlaanderen en Nederland uit elkaar groeien, maar dat is niet zo. Een heel recent voorbeeld is Peter Verhelst. Zwerm is in Nederland met enige reserve onthaald. Het is wel besproken, maar het gonst niet onder de lezers. Als je in Antwerpen komt en je slaat Humo open zie je wel Verhelst op één staan in de boeken-toptien, als dé literaire sensatie van het najaar. En dan lijkt het wel alsof we op twee verschillende literaire planeten leven. Dat Nederland Verhelst nauwelijks opmerkt is trouwens raar, omdat hij niet over het kleine Vlaanderen schrijft, maar wel over kosmopolitische onderwerpen die hem verwant maken met de Amerikaanse boeken die momenteel zo gesmaakt worden in Nederland. Verhelst zet zijn voelhorens uit naar Amerikaanse subculturen en naar de sf. Zijn boek overstijgt de landsgrenzen en maakt hem tot een echt Europees schrijver. Vertaal dit boek in het Engels en geef het aan een stel Londense jongeren en zij weten meteen waar deze man het over heeft. Zij hebben ook allemaal Ballard gelezen en gezien wat David Cronenberg daarmee heeft gedaan en zij zien meteen ook dat hij meer in gesprek is met Quentin Tarantino dan met Louis Paul Boon. Maar Nederland ziet dat blijkbaar niet."

Marnix Verplancke

Boekenbeurs 2005 l Joost Zwagerman praat met Gudrun de Geyter op donderdag 10 november om 19.30 uur.

'Lanoye en Brusselmans hebben ervoor gezorgd dat er opnieuw enthousiasme en esprit in de literatuur kwam. De vrolijke anarchie kon ineens weer'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234