Maandag 17/01/2022

De buren in mijn kop

Fred Bervoets (68) heeft zijn buren geschilderd. Meer dan honderd fictieve portretten: ‘Allemaal gewone mensen, ze komen uit mijn kop, niet letterlijk uit mijn straat. Maar dat neemt niet weg dat je hen morgen kunt tegenkomen.’ Bervoets woont en werkt in de Dambruggestraat in Antwerpen, op een soms broeierig kruispuntje van de multiculturele samenleving. Het kleine grut op straat begroet hem met papa. ‘Dat zit in hun cultuur, denk ik: respect voor grijze haren.’DOOR STIJN DIERCKX

Adriaan Raemdonck opent de achteringang van De Zwarte Panter: “Ik heb hem nog niks gezegd van jullie afspraak. Speel het spelletje een beetje mee: doe alsof je hier komt aanwaaien en en passant een gesprek voor de gazet wil. Je weet wel hoe je dat moet aanpakken bij Fred.” Twee mannen die na meer dan veertig jaar samenwerking nog altijd toneeltjes voor elkaar in scène zetten. Galeriehouder en protegé, pragmaticus en ongeleid projectiel, broeders in een zelfbedacht universum. In het bovenzaaltje beent Bervoets driftig rond: hoekig gesticulerend, onstuimig roepend, tegen zijn eigen galm op, en tegen zijn vriend, Jan Decleir. Decleir is stil, kijkt, frazelt: “Straf Fred. Heel straf.”

In een vroeger stukje leven was Bervoets mijn schoolmeester aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. ’s Morgens liep een verstilde man in regenjas door tochtige gangen, van atelier tot atelier. Elke verfveeg, elke penseelstreek van elke student noteerde hij zwijgzaam in zijn fenomenale beeldenbank. ’s Namiddags, tot lang na de schooluren, kon je dat geheugen, die wandelende bibliotheek gaan raadplegen in café Jezuïet. Meester Bervoets’ tong kwam los bij een brakke halfhalf van jenever en cola. “De schilderkunst, broeders, daar moet je van dromen, maar je moet er ook van wakker liggen!” Bervoets praat zoals hij zijn prenten etst: met leeftijdloze overgave en wilde armbewegingen hakt en kerft hij in zijn moedertaal. Op het eerste zicht chaotisch, baldadig en karikaturaal. Voor wie langer kijkt en luistert: overlopend van gevoel, puzzelend met de ziel, gravend in het grotere mysterie. Gezeten in de Spleet - het in kleine kringen beruchte privé-cafeetje van De Zwarte Panter - doet Bervoets zichzelf uit de doeken: een leven vol anekdotiek, een zelfportret zonder franjes.

U toont meer dan honderd kleine

portretten. Is de tijd van grote etsen voorbij?

Fred Bervoets: “Zeker niet! Zolang mijn lijf het toelaat zal ik grote lappen blijven maken in mijn hof. Maar met dat slechte weer kan ik niet buiten werken. Deze koppen maakte ik tussendoor binnen, tot heel mijn kot vol stond. Ik heb ze ook allemaal zelf ingekaderd, met lijstjes uit de kringloopwinkel. Je moet ze bekijken als één groot werk. Ze horen allemaal samen, eigenlijk zouden ze in groep verkocht moeten worden. Mijn Neighbours, het liefst van al wil ik ze terug mee naar huis nemen, maar dat kan ik Adriaan niet aandoen.”

Bent u zo verknocht aan buren en buurt?

“Ik woon er graag. Ik vind er alles wat ik nodig heb, ik ga sporadisch een Pernod drinken in café Black&White, tussen de Ghanezen. Het is er goedkoper dan op een ander, en ze schenken een extra scheut omdat ze mij eens in de gazet hebben zien staan. En de nachtwinkeltjes haalden zelfs speciaal voor mij groene Michel in huis.

“De kleine verhalen die mijn pad kruisen, blijven mij inspireren. Verder moet je achter deze Neighbours niet te veel gaan zoeken, ik ben niet zo bezig geweest met maatschappelijke thema’s of boodschappen van verdraagzaamheid. De enkele meer welstellende buren hebben ‘Zonder Haat Straat’-affiches aan hun ramen hangen, maar die mensen zie ik zelden buitenkomen. Ik denk dat zij op het Zuid, in de grote bazaars gaan winkelen. Al deze figuren heb ik trouwens zelf verzonnen, ze bestaan niet echt. Zoals bij robotfoto’s: achteraf zal er wel iemand op lijken. Deze hier heet Stranger, let maar op, je komt hem vroeg of laat tegen in de stad. Of anders zijn broer of iemand die op hem gelijkt. Kijk, dit is: Koningspleintjeman. Of hier, die Chinees, hoe heet die? Ik kan mijn eigen gekribbel niet meer lezen.”

Er staat ‘Chinees’ onder.

“Ah voilà. Chinezen vind ik niet gemakkelijk. Dit zijn dan ook geen truttige contétekeningetjes, zoals ze op Parijse straathoeken worden gemaakt. Ik boor, kerf, trek en hak die smoelen met grote naalden in zinken en koperen platen. Ik moet weerstand voelen broeder, geen janettengestreel. Na het maken van zo’n werk liggen mijn duimen helemaal open. Kijk, sommigen hebben een mond op hun voorhoofd, zoals het goddelijk oog bij de hindoes. Dat zijn eigenlijk krassen van vorige tekeningen die erdoor komen, want ik gebruik de achterkanten mijn oude etsplaten. Dat soort toeval moet je durven uitnodigen, aanvaarden en leren herkennen als een teken aan de wand, dáár gaat schilderen over.”

Nodigt u het toeval ook uit in het dagelijkse leven?

“Als twee vreemden mij op straat herkennen, ben ik doorgaans blij verrast door hun culturele bagage. Die mogen dan meteen bij mij thuis binnen. Ik heb daar nog nooit vodden mee gehad. Ik heb vaker gebotst met snobs in het centrum dan met het zogenaamde crapuul uit mijn buurt. Maar de laatste jaren begin ik toch meer op te passen, ik doe ’s nachts niet meer voor iedereen open.”

U wordt een dagje ouder, een mens is geneigd zich dan kwetsbaarder te voelen.

“Ik ben nooit bang. Hoewel, toen het pand naast mij leegstond, zat het onmiddellijk vol krakers en junks. ’s Nachts begon ik allerlei geluiden te horen. Toen heb ik mijn katrolboog en doelpijlen naast mijn bed gezet. Ik dacht: als er een over de muur komt gekropen, schiet ik hem in zijn been. Ha, die zal niet ver meer kruipen! Ik ga nog wekelijks schieten op de staande wip, met de vrienden, met Damiaan De Schrijver onder anderen. Wij schieten om te winnen hé, en ook wel om nog wat te blijven plakken aan de toog. Op de schieting geraak ik helemaal opgeladen, daarna kom ik thuis en sta ik vaak nog tot een gat in de nacht te schilderen in mijn tuin. Met zo’n mijnwerkerslampje op mijn kop. Als de goden mij de drang geven, dan moet ik luisteren. Wel gevaarlijk, want soms stel ik de volgende ochtend vast dat de goden er niks mee te maken hadden. Dan denk ik: wat heb ik hier gisteren toch staan uitvreten? Een werk van weken, in één dolle bui rijp voor de schroothoop. Daarom druk ik meestal twee etsen af. Als het bijkleuren in de eerste gelukt is, kan ik met grotere vrijheid loos gaan op de tweede. Schildersmateriaal is duur, dat slag nachtelijke uitspattingen heeft mij al veel geld gekost.”

En op de academie maar lopen prediken over het belang van daglicht voor de schilder...

“Natuurlijk, maar dat was ook om die jonge gasten uit hun bed te ranselen. Over de jeugd verder geen kwaad woord, zij hebben het heilig vuur, zij houden mij fris. Maar ik liep daar om half negen ’s morgens vaak als een eenzame jood door de lege ateliers. En bij elk doek wist ik het, ik zag onmiddellijk of er sinds gisteren een toets was bijgezet of niet. In het donker doet iedereen wat hij niet laten kan, maar overdag moet er gewerkt worden. Ik was trouwens de eerste om met de studenten op café te gaan zitten, daar durfden ze los te komen, vrij hun gedacht te zeggen, in discussie te gaan met hun schoolmeester. Maar hoe laat of lelijk ik het ook maak, om acht uur sta ik aan mijn ezel of op mijn ladder. In de zomer soms al om vijf uur. Met het ouder worden slaap ik nóg minder dan vroeger. Mijn kop staat nooit stil, ik houd zelfs nachtelijke gesprekken met mijn plafond. Ik zou een bandrecordertje moeten hebben om alle ideeën te registreren, want ik kan ’s morgens vaak niet meer ontcijferen wat ik bij nachte neerkrabbelde.”

Ik heb mij altijd afgevraagd hoe iemand als u, een bezeten schilder, zijn leven praktisch inricht.

“Praktisch leven? Alle papieren rommel is voor mijn galeriehouder, dat is mijn groot geluk, al meer dan veertig jaar. Ik schilder.”

Ik doelde eerder op huiselijke gerieflijkheid: koken, wassen, plassen.

“Mijn vrouw woont in Turnhout, zij komt mijn frigo regelmatig vullen. Maar ik eet wel vaak hetzelfde. Nu zit ik bijvoorbeeld al drie dagen couscous te vreten. Mijn vrouw kan dat goed maken omdat ik het haar geleerd heb. Het beste schapenvlees koop je in mijn straat. Ik maak ook zelf soep, een grote pot voor heel de week, vol groenten, bonen en varkenspoten. Die laat ik sudderen en ondertussen ga ik verder werken. Vaak verlies ik de tijd uit het oog, tot er dikke rookwolken uit de keuken komen. Ik heb dus wel al veel moeten wegkieperen.”

Vroeger liep u rond met saucissen in de vestzakken.

“Omdat ik geen keuken in mijn atelier had, nu ik thuis werk is alles beter. Ik had altijd iets bij, een snelle hap. Mijn vader was dokwerker, hij zei: ‘Wie goed drinkt, moet ook goed eten’. Als kind ging ik met hem in Sint-Anneke op konijnen jagen, met pijl en boog. En moeder maakte dat konijn ’s avonds klaar. Ik ben nog altijd geen restauranteter, ik hou van gewone kost, zoals Piet Huysentruyt.”

U kijkt tv?

“Ja, ik kijk dikwijls naar de koers, in de zomer schilder ik met de Tour de France op de achtergrond. Als er dan iets gebeurt, heb ik het niet gemist. Of Thuis, dat volg ik al heel lang, omdat ik die loodgieter een sympathieke vent vind. Haha, ik werk thuis en ik kijk Thuis, dat ontspant mij terwijl de werken drogen. Soms laat ik die tv ook gewoon draaien om eens wat andere klanken dan mezelf te horen. Ik zag vorige week nog die Brusselaar in de prijzen vallen, Stromae. Dat is talent! Die jongen heeft de intensiteit van Brel. Maar in het algemeen verdraag ik geen muziek tijdens het werken, ik heb niks nodig. Vroeger in mijn rotateliers had ik alleen een druppende kraan als soundtrack van mijn werkdagen, dát en mijn eigen gevloek, en het gekletter van mijn ladder en het getsjak en geklasj op de doeken.”

Bent u eenzaam?

“Nee, misschien vanavond, het zal leeg voelen in huis, nu al mijn neighbours de deur uit zijn. Het alleenzijn ben ik gewoon geworden. En als ik volk wil zien, dan kom ik naar de galerie, naar mijn broer, Adriaan. En ik heb veel vrienden, al heb ik er ook al veel verloren. Wij hebben er in onze gloriedagen natuurlijk ook niet naast geleefd, wij komen uit de flowerpower. Als ik daaraan terugdenk, de nachten met Ferre Grignard, Julien Schoenaerts en Simon Vinkenoog, wij waren één grote bende, allemaal artiesten. Er was er geen enkele bij die verstandig leefde. Ferre, die jongen heeft veel tegenslag gehad, hij is maar 42 geworden hé. Zijn vrouw belde nog vorige week, om gelukkig nieuwjaar te wensen.”

Bent u gelukkig?

“Wat is dat geluk? Ben jij gelukkig?”

Ik heb van die dagen.

“Vrouw en kind, daar ligt je hart, daar lig je levenslang van wakker. Ook al kunnen we niet zo goed onder één dak leven, met hen moet het goed gaan. Als jonge schilder was ik een egotripper, ik heb door mijn werk al mijn vrouwen verloren. Maar ik kon niet anders, een zeeman kan toch ook niet zomaar van zijn boot stappen? Een beetje egotrippen kan geen kwaad, anders kom je nergens in het leven. En als kunstenaar werk je ook met respect voor je marchand. Je bent professional, je kan toch niet om de zoveel tijd met liefdesdrama’s komen aandraven. Er moet brood op de plank. Voor de gewone burger klinkt het altijd romantisch: de schilder die pas rijk wordt na zijn dood. Maar ik heb altijd gedacht: waarom zou het niet anders kunnen? Ik wilde hard werken voor mijn naam, maar ook voor mijn gezin. Nog altijd trouwens, al sta ik nu minder in competitie dan vroeger. In de jaren zestig, zeventig en tachtig is de schilderkunst meermaals dood verklaard. Toch bleef ik koppig voortdoen, er werd toen stevig geduwd en getrokken om bepaalde exposities te krijgen, om op de biënnale te geraken. Dat is nu voorbij, ik hoef mij niet meer te verantwoorden tegenover collega’s, ik ben meer en meer een vrij mens.”

Hebt u ooit geschilderd met tegenzin?

“Uit verplichting, bedoel je? Ik ben streng en hard voor mezelf, daar heb ik niemand anders voor nodig. Ik heb altijd gewerkt vanuit kolere. Het vertrekt steevast vanuit een zware geladenheid. Vanuit noodzaak, tekens die ik moet zetten, al kunnen die er op doek soms lieflijk en liederlijk uitkomen. Maar ik weet niet of ik sentimenteel ben in het leven. Zij die mij verlaten hebben, zeggen: ‘Jij was alleen met je werk bezig’. Jonge meisjes kunnen dat niet begrijpen.”

Uw Neighbours zijn allemaal mannen, begrijpt u de vrouwen niet?

“Vraag mij niet te veel over de vrouwen, over dit leven, ik heb er nooit veel van begrepen. Ik ben vaak droevig geweest omdat het niet goed ging. Maar ik moest vooruit, anders kwamen er geen centen binnen en dan werden ze nóg ongelukkiger. Al zeg ik niet dat alleen geld hun gelukkig kon maken, maar je probeert als man je afwezigheid te compenseren.”

Bent u sociaal onhandig?

“Afgrijselijk. Ja, uitzonderlijk afgrijselijk. Nu zeker, ik weet niet hoe ik als kind was. Volgens mij hetzelfde, dromerig, in gedachten onderweg, met mijn veldezel. Als ik nu achterom kijk, stel ik vast dat schilderkunst mijn hele leven was. Tekens van mijzelf proberen zien en die plastisch proberen waar te maken. Nog altijd houdt het mij bezig. Na een zware avond heb ik soms zwarte gaten, dat is korsakov, maar beelden uit het échte verleden zie ik haarscherp. De konijnen in het kot van mijn vader, de teervlekken die op het Scheldewater dreven, met de jaren worden die herinneringen concreter, tot in het kleinste detail. Hele tentoonstellingen kan ik mij herinneren: Bonnard in Parijs, alle werken zie ik voor ogen, zaal per zaal, in volgorde. En ook het gezicht van de neger die zaalwacht had, en de emmer met zand die naast hem stond. Die beelden pakken ze mij niet af, ik denk dat jenever goed is voor de kop.”

Denkt u dat echt? U drinkt veel.

“Eigenlijk ben ik beginnen drinken om onder de mensen te kunnen komen. Ik ben een wegkruiper, bij vernissages stond ik altijd in een hoekje, of ik ging iets drinken in ’t café over de deur. Tot ik genoeg op had om mij op mijn gemak te voelen. Vroeger dronk ik bier, maar daar werd ik zo moe van. De korte drank maakt mij scherper, ik blijf creatief. De impressionisten dronken toch ook absint om spiritueel te zijn? Ik ben één en al kop. De geest, daar gaat het toch om? Wat moet je met een gezond lichaam? In een trainingspak rondjes lopen in het park? Niks van. In mijn hoogdagen sprong ik door stokken voor een gratis pint. In café den Engel vroeg ik een houten lepel, daar sprong ik dan door, zoals anderen touwtjespringen. Daarna deed ik mijn schoenen uit, ik haalde een gilettemesje uit mijn zak en ik deed het opnieuw, vooruit en achteruit! Weinig sportmannen doen het mij na. Hoe komt het dat ik dat kon? Nuchter krijg ik mijn handen nauwelijks voorbij mijn knieën gestretcht.”

De kracht van de spirit?

“Met die toeren ben ik ondertussen gestopt, ik denk trouwens dat je in de cafés van tegenwoordig buitenvliegt met dat gedoe. Ik ben uiteraard ook vaak op de spoed beland in Stuivenberg: blijven hangen en tsjak, een kap in mijn kop. Ach, over de fles maak ik mij aan de glascontainer weleens zorgen, een mens heeft maar één lever. Maar wij komen uit een andere tijd. Ik rook ook al sinds de broederschool. Jongen, wat wij allemaal pakten... Maar tegen de vermoeidheid hé, om te kunnen werken, niet om wat lui te gaan hangen. En toch loop ik nog rond. Ik heb daar geen verklaring voor. Waarom kan de zoon van een dokwerker schilderen, dat valt toch ook niet uit te leggen?”

Schildert u wat u niet gezegd krijgt?

“Ik schilder de dingen die ik ’s nachts uitkraam tegen mezelf. Ja dus. Misschien hoor ik gedeeltelijk thuis in Museum Dr. Guislain. Ik ben een verhalenverteller, een prentenman, een anekdotieker. Over anekdotiek wordt altijd zo neerbuigend gedaan, maar daar is niks mis mee. Moet het dan altijd minimaal esthetisch, cerebraal, politiek of maatschappelijk geëngageerd zijn? Ik ben de WikiLeaks van mijn eigen huishouden. Als ik mijn vrouw met de deegrol bovenaan de trap afbeeld, dan wacht ik bang af wat zij daar van zal vinden. Ik toon haar dan eigenlijk aan heel de wereld als een kijvend wijf. Maar zij vindt dat fantastisch, omdat ze weet dat ik overdrijf, zij ziet daar de humor van in. Zij begrijpt de universele herkenbaarheid van dat beeld. Ik vergroot de dingen uit in een eigen iconografie, ik zet tekens. Op een volgend werk is die deegrol al veranderd in een stofzuiger die naar mijn kop vliegt. Begrijp je, in elk nieuw werk zwelt dat oorspronkelijk verhaaltje verder op.”

Uw productiviteit is onstuitbaar. Zwijgt de muze nooit?

“Er zijn creatieve en minder creatieve periodes, maar het hart zwijgt nooit. De noodzaak ontbrak nooit. Soms vloek je dat je weer hetzelfde verhaal staat te vertellen. Dat is op zich geen probleem in de kunsten, er zijn zoveel artiesten die zichzelf herhalen, maar als je dat even niet verdraagt van jezelf, dan is de geest gepijnigd. Niemand kan mij op die dagen helpen, dan is hard werken het enige devies, en hopen op een teken van de goden. Een lege dag is een ramp. Of je moet zoveel goeie ontspanning vinden, dat je het opzij kan zetten. Maar boven alles verlang ik altijd opnieuw naar het gevecht. Dat is het ware feest. Er is niks dat daar tegen opweegt.”

Houdt de eindigheid u bezig?

“Ik hoop dat ik mijn tijd niet verbrast heb. Ik weet dat ik thuis niet altijd de gezelligste ben, ik wil zorgen dat mijn familie op zijn minst iets overhoudt aan mijn werk.”

En op artistiek vlak, hebt u het gevoel dat Bervoets zijn stempel voldoende heeft gedrukt?

“Ik geloof in golven in de kunst. Over sommige schilders is het dertig jaar stil en dan worden zij plots weer populair. Als je goed bent, kom je terug. Toen ik twintig jaar geleden les begon te geven aan de academie, lag daar niet eens een boek over Ensor in de schildersbibliotheek. Dat kun je je vandaag niet inbeelden. Ik wil niet zeggen dat ik kwaliteit heb gebracht, maar ik heb in België toch een taal gesproken die niet iedereen sprak. Tja, als het ooit relevant is, als ze mijn werk nodig hebben, zullen ze het na een aantal jaren wel terug opvissen. En indien niet, dan laten ze het vallen, zo simpel is het. Maar de hoop is er wel.”

Uw stem zindert nu al door in de werken van oud-leerlingen, u leidde een hele lichting nieuwe namen naar de top.

“Ik ben zo trots op die gasten! Ik kan alleen maar fier zijn dat ik hen gekend heb. Ik hoop dat ik jullie iets wijsgemaakt heb waar je iets mee kon, dat ik iets opengetrokken heb. Veel meer hoeft dat niet te zijn. Ik ben blij dat ik er was, en ik denk dat ik niet stoorde. Dat is belangrijk voor een student, dat een leraar niet stoort. Enkelen onder hen maken ook van die grote lappen zoals ik, ik heb hen gezegd: ‘Profiteer ervan, zolang je jong bent, zolang je dat fysiek aankunt’. Zelf doe ik het ook nog, maar ik moet steeds vaker mensen opbellen om doeken op te hangen en weg te zetten. Dat is allemaal traagheid... Ik zal binnenkort heel content zijn, wanneer ik zal schilderen zoals Magritte op het einde: comme un peintre au chevalet. Mezelf opnieuw uitvinden in de kleine intimiteit. Met dezelfde gelaagdheid en doeltreffendheid van alle grote theatrale doeken en stunts van voordien. Maar daar wacht ik voorlopig nog even mee. Ik rek het zo lang mogelijk in dit grote avontuur, daarna is er nog tijd genoeg!”

De buren in mijn kop

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234