Zondag 26/06/2022

De dansende zoon van Kisangani

Faustin Linyekula (°1974) is een van de belangrijkste hedendaagse choreografen. Pendelend tussen Europa en Congo verbindt hij schrijvers, muzikanten en dansbewegingen die op het eerste gezicht onverenigbaar lijken. Voor Pour en finir avec Bérénice nam hij de Franse klassieker Racine mee naar het oosten van Congo. Door Koen Vidal

Kisangani is de bijna mythische havenstad, gelegen aan het verst bevaarbare punt van de Congorivier. Het middelpunt van het Afrikaanse continent, wordt gezegd. De navel van Afrika. Het is ook de stad waar de Congolese oorlogen van de afgelopen jaren het lelijkst hebben huisgehouden. In die zin is Linyekula ook een zoon van de oorlog. En dat blijkt uit alles. Vooral uit de contradictie tussen zijn sombere blik en zijn vastberadenheid om het lot van de Congolese jeugd te verbeteren. Hij is ook radicaal onorthodox en dat verklaart waarom hij een van de grootste klassiekers uit de Europese literatuur, Jean Racines Bérénice, naar Kisangani verplaatst. Het verhaal van de koningin van Palestina die verliefd wordt op keizer Titus maar door Rome verworpen wordt omwille van haar vreemd bloed, krijgt in Kisangani een nieuwe realiteit.

De oer-Franse Jean Racine met Congo verbinden: Linyekula geeft toe dat het een artistieke heksentoer was. “Deze voorstelling kwam in verschillende etappes tot stand. Ongeveer een jaar geleden zijn we beginnen schrijven en uitproberen. In juni, tijdens een opvoering op het festival Theaterformen in het Duitse Braunschweig, hadden we het gevoel dat het stuk echt vorm begon te krijgen. Bérénice is natuurlijk een erg veelzijdige en rijke tekst, met een hele geschiedenis. Hoe meer we het speelden, hoe meer voeling we kregen met Racine. In zo’n stuk moet je duiken, je kunt niet anders. Maar af en toe moet je ook afstand nemen. Dat is ook belangrijk. Om beter te begrijpen: met je lichaam, je hoofd, je gevoelens. Vandaar dat we met deze creatie ook absoluut naar Kinshasa wilden. Het was tijdens de voorbereiding van die voorstelling, in de zomer van 2010, dat we het gevoel kregen: ‘Oké, dit is het. Dit is wat wij met Bérénice willen vertellen.’”

Wat wilt u dan precies vertellen?

Linyekula: “Misschien is vertellen niet het juiste woord. Proberen begrijpen is beter. Met de hulp van Racine probeer ik Congo te begrijpen. Mijn Congo. De Congolees. Congolezen zoals ik. Het huidige Congo is bijna niet te vatten. Eén grote chaos. Vandaar dat ik voor deze voorstelling alle mogelijke expressiemiddelen gebruik. We staan met z’n zevenen op het podium: zes acteurs en ik als danser. De muziek is van Flamme Kapaya, met wie ik vroeger al samenwerkte. Met muziek, acteurs, de woorden van Racine en mijn lichaam proberen we in de Congolese chaos een kleine waarheid te zoeken.”

Kunt u die chaos beschrijven?

(zucht, lange stilte) “De afgelopen vijftien jaar waren jaren van extreem geweld. Met als gevolg: totale verwarring. Tout est troublé. Buren die jarenlang in vrede naast elkaar leefden, zijn nu vijanden. Mensen van Rwandese origine die al sinds hun geboorte in Kisangani of Kinshasa wonen, zijn tegenwoordig vijanden van het volk. Foute politici roepen mensen op om die ‘Rwandese ratten’ te vermoorden en ‘de stad schoon te maken’. We hebben elkaar kapotgemaakt, op grote schaal. Ik stel de vraag wat er na die gewelddadige storm van ons overblijft. Wat betekent het vandaag om Congolees te zijn? Wanneer ben je een Congolees en wanneer ben je een vreemdeling? Is het een kwestie van het juiste bloed? Of gaat het om een gemeenschappelijke geschiedenis? Vanuit die vragen zijn we vertrokken. Voor dit stuk hebben we alles vastgenomen, alles bestudeerd wat ons maar enigszins een antwoord kon bieden. Tot en met de Congolese grondwet en de nationaliteitswetgeving. Dit is een zoektocht naar wie wij zijn.”

Welk beeld leverde die zoektocht op?

“Congo is een ruïne. Het land is vernietigd. Er is geen infrastructuur meer. Het onderwijs ligt plat, de toekomst lijkt weg. Dat alles heeft een zware impact op de mentaliteit van de bevolking. De grootste chaos speelt zich af in ons hoofd. We weten niet meer wie we zijn, laat staan dat we in staat zijn om elkaar te begrijpen. Het is een en al verwarring en we hebben de moed niet meer om elkaar recht in de ogen te kijken en te zeggen: ‘Voilà, dit ben ik. Dit zijn mijn sterktes, dat zijn mijn zwaktes. Dit is mijn verleden en zo zie ik de toekomst. En hoe zit het met jou?’ Zolang je dat niet kunt, blijf je in verwarring achter en mis je het zelfvertrouwen om vooruit te gaan. Het gevaar van die situatie is dat Congolezen de oplossingen voor hun problemen elders gaan zoeken, bij buitenstaanders. Dat is typisch voor het huidige Congo. We leggen ons lot in handen van buitenlanders: Belgen, Fransen, Chinezen. We twijfelen aan onze eigen capaciteiten en denken dat de oplossingen van anderen zullen komen. Dat is natuurlijk een illusie. Zo zullen we er nooit in slagen om het land opnieuw op te bouwen. Op de een of andere manier moeten we weer tot onszelf komen. Hoe kunnen we elkaar opnieuw eerlijk in de ogen kijken?”

Hoe kan een stuk als Bérénice daartoe bijdragen?

“Het is geen toeval dat we tijdens de opvoering oog in oog staan met het publiek. We staan pal voor de toeschouwers. Op zich is dat heel on-Congolees. Als ik in Congo dans, word ik meestal omringd door het publiek. De mensen vormen een cirkel en daarmee is een hele symboliek verbonden. Mensen staan naast elkaar en vormen een gemeenschap. Zo kunnen ideeën, indrukken, meningen en reacties circuleren en ontstaat er een dynamiek. Maar dat is net het probleem in Congo. De gemeenschap is geraakt, de ideeën stromen niet meer, waardoor we elkaar niet meer begrijpen. Vandaar dat wij voor de toeschouwers gaan staan en zeggen: ‘Kijk, ik wil met jou praten. Dit is mijn mening. Wat is de jouwe? Ik zou de cirkel graag herstellen. Zullen we dat samen proberen?’ Het is niet zonder risico, jezelf naakt voor de andere zetten. Maar op die manier kunnen we misschien een beetje uit de chaos geraken.”

Hoe reageert een Congolees publiek op een stuk van de 17de-eeuwse Racine?

“Het zijn bijzondere optredens. Dat heeft niet alleen te maken met de Europese oorsprong van Bérénice maar ook met de samenstelling van het Congolese publiek. In Congo zijn onze optredens gratis en ze vinden meestal plaats in open ruimtes. Daardoor is het publiek heel divers: moeders met kinderen, studenten, nieuwsgierige straatventers, straatjochies. Een heel spontaan publiek dat tijdens de opvoering voortdurend reageert. Mensen geven luidop commentaar en als ze iets niet begrijpen, staan ze recht om vragen te stellen. En o wee als je niet reageert, dan worden ze nog feller.”

Maar hoe kun je tijdens de opvoering op die commentaren reageren?

“Ik blijf natuurlijk wel verder dansen. Maar ik integreer hun reacties in mijn bewegingen. Ik antwoord met mijn lichaam. Soms door een grappige beweging te maken, soms door een dramatische geste te herhalen of extra te benadrukken. Maar niet reageren is echt suïcidaal, dat kan ik je verzekeren. Achteraf zijn er ook tientallen mensen die met ons willen praten. Zolang we niet op al hun vragen hebben geantwoord, kunnen we niet naar huis. Heel mooi vind ik dat. Je deelt je artistieke creatie met de toeschouwers. Mensen willen dat je deelt.”

Mis je dat niet in Europa? De sfeer in onze theaters is veel gereserveerder.

“Eigenlijk niet, neen. Ik heb natuurlijk de luxe om heen en weer te reizen tussen Europa en Afrika. Op die manier kan ik een brug creëren tussen alle verschillende realiteiten die in mij zitten. Ik voel me Congolees, maar ook heel Europees. Die twee zijn geen tegengestelden. Ik voel me helemaal geen vreemdeling in de westerse samenleving. Al was het maar omdat het Frans mijn eerste taal is. Het was niet de eerste taal die ik kon praten: dat was het Swahili. Maar vanaf het moment dat ik naar school ging, ben ik steeds meer Frans gaan spreken. Zonder dat ik het echt besefte, werd ik een andere persoon. Ik begon te denken in het Frans. Als ik nieuwe dingen zag, benoemde ik die eerst in het Frans. Met een taal bouw je een hele wereld op. In Congo is het hele openbare leven in het Frans georganiseerd. Het onderwijs, onze wetten, de debatten in het parlement. Om maar te zeggen hoe centraal die taal is in ons leven.

“Toen ik voor het eerst in Europa arriveerde, had ik het gevoel dat ik ook in mijn wereld terechtkwam. En dat is precies een van de centrale vragen in ons stuk: hoe gaan we om met de Franse taal en de westerse cultuur? Een cultuur die de onze is, maar toch niet helemaal. In die zin zijn mijn aller-retours naar Congo een manier om mezelf te blijven. Zonder dat heen-en-weergereis zou ik me wellicht verscheurd voelen.

“Daarnaast is er natuurlijk nog een belangrijke reden waarom ik mij als artiest goed voel op die brug tussen Congo en Europa. Ik ben opgegroeid in een dictatuur. In een klimaat van eenheidsdenken, pensée unique. Bij mij zorgde dat voor een hevige tegenreactie. Ik heb een enorme behoefte aan veelzijdigheid: veel reacties, veel ideeën, veel ogen. Ik heb dat nodig om verder te kunnen. Als ik alleen in Europa of alleen in Congo zou moeten werken, dreig ik opnieuw terecht te komen in een systeem van pensée unique. Misschien is dat wel de politieke boodschap van mijn werk. Alles moet open. Ikzelf, de wereld, het publiek. Ouvrir. Ouvrir. Ouvrir.”

Wat betekende dat voor u: opgroeien in een dictatuur?

“Iedereen wordt gedwongen om in dezelfde richting te kijken. De Congolezen hebben het meegemaakt met Mobutu en nu dreigen we opnieuw in een dictatuur terecht te komen. Hoe langer het huidige regime aan de macht is, hoe meer je voelt dat de vrijheid moet plaatsmaken voor het eenheidsdenken. Eenzelfde richting, eenzelfde blik, eenzelfde vocabularium. Na de verkiezingen van 2006 was er een korte periode van openheid en mogelijkheden. Woorden en ideeën konden vrij circuleren. Als artiest kon je ongelofelijke dingen doen. Maar vandaag moet je veel voorzichtiger zijn. Als ik interviews geef, ben ik veel voorzichtiger dan enkele jaren geleden. Want ik weet dat je op die manier in de problemen kunt raken. Ze kunnen je oppakken, je doden. Dat dwingt ons om meer met woorden te jongleren. Hoe moet je vandaag praten? Dat is de vraag die we ons in Bérénice stellen. Tijdens het stuk is er een moment waarop we ophouden met spelen. We gaan met zijn allen rond een tafel zitten en vervolgens zegt een van de acteurs: ‘Oké, hier zitten we nu met onze goesting om theater te spelen. Maar hoe moeten we theater spelen in een land waar de woorden niet meer vrij zijn?’”

En wat is het antwoord op die vraag?

“Misschien door een taal te ontwikkelen die vrij maar ook slim genoeg is om aan de machthebbers te ontglippen. Net zoals in de Sovjet-Unie, waar artiesten ondanks de repressie toch een manier van expressie vonden waardoor woorden vrij konden circuleren. Poëzie is in zo’n situatie vaak een reddingsboei. Censuur is meestal te traag en te log om poëzie te vatten. Niet altijd. Soms zijn regimes wel alert voor poëtisch verzet en komt de auteur in gevaar. Maar meestal is poëzie voldoende soepel, gesluierd en wendbaar. Je kunt er een kleine voorsprong mee uitbouwen waarmee je uit de handen van de dictator blijft. Maar niet altijd. Risicoloos is het nooit.”

Wat u zegt, doet sterk denken aan de Tsjechische schrijver en ex-president Václac Havel, die ook verzet pleegde met poëzie en literatuur. Is dat uw roeping?

“Ik weet nog niet precies op welk terrein ik aan verzet wil doen. In de politiek zie ik me voorlopig niet gaan. Politiek lijkt me haaks te staan op poëzie. Je wordt gedwongen om alles zwart-wit te zien. ‘Je hebt de goeden en de slechten en wij zijn per definitie de goeden.’ Heel binair. Poëzie maakt de nuance mogelijk en verdraagt ook contradicties. Dat past beter bij mij. Op dat terrein wil ik mijn verzet voeren. Dat terrein wil ik bewaken, hoe klein het ook is. Ruimte scheppen voor artiesten, om te kunnen kijken naar onszelf, om te dromen en onszelf opnieuw uit te vinden. Op dat vlak ben ik een militant en het verklaart ook waarom ik zoveel energie steek in mijn dans- en muziekcentrum Studios Kabako in Kisangani. Met Kabako wil ik een platform creëren waar artiesten hun ideeën kunnen ontwikkelen. Jonge artiesten wil ik artistiek en materieel bijstaan zodat ze hun weg kunnen zoeken. Daar ligt mijn belangrijkste gevecht, bij de jeugd.”

Hoe is de situatie van de jongeren in Congo?

“Ik had het daarnet over de verwarring bij de Congolezen: dat we onze oriëntatiepunten kwijt zijn en het gevoel hebben verloren te lopen. Dat raakt ons natuurlijk allemaal, maar de jeugd in het bijzonder. Het heeft ook tot een generatieconflict geleid. De jongeren zijn boos en ook jaloers op hun vaders. In de jaren vijftig en zestig hebben onze vaders en grootvaders op zijn minst het gevoel gehad dat ze een land aan het opbouwen waren, dat ze deel uitmaakten van een groots project, van een droom. Een groots gevoel moet dat geweest zijn. Daarna is het allemaal fout gelopen. België had onze ouders niet voorbereid om Congo na de onafhankelijkheid op hun schouders te nemen. Vervolgens werd de droom in beslag genomen door slechte leiders.

“Maar de huidige jonge generatie heeft zelfs niet mogen dromen. Wij moeten van de vaststelling vertrekken dat er niets meer op te bouwen valt. Het land wordt slecht beheerd, het onderwijs is naar de verdoemenis. ‘Wat voor nut heeft het om in een stad als Kisangani te dromen?’, vertelde een 20-jarige jongen me ooit. ‘Ik ga gewoon in de brousse op zoek naar diamanten en als ik wat geld heb verdiend, ga ik feesten tot ik erbij neerval. En daarna zien wel.’”

Ziet u een uitweg?

“Vaak denk ik: tout est foutu. De wederopbouw zal minstens twee generaties duren, op voorwaarde dat we er vandaag aan beginnen. En dat is helaas niet het geval: we zijn allemaal drukbezet met onze eigen activiteiten en slagen er niet in om een collectieve ambitie te formuleren. Onze enige ambitie is hoe we het kleine beetje geld, het kleine beetje aan goederen en het kleine beetje macht dat elk van ons bezit, kunnen veiligstellen. Daarom voel ik me soms wanhopig. Zelfs over mijn dierbaarste project, het danscentrum in Kisangani, denk ik wel eens: ‘Is dit geen nutteloos gebaar?’ Want er zijn geen garanties dat we op die manier reële vooruitgang boeken. Weet je wat het laatste woord is dat in het stuk Bérénice wordt uitgesproken? Hélas. Het is het enige woord dat ik tijdens de hele voorstelling zeg. Het woord waar ik momenteel blijf steken.”

Maar wat voor toekomst komt er na het woord ‘helaas’?

“Na ‘helaas’ is er natuurlijk een gevoel van woede en revolte. Want je vraagt je af waarom dat woord alle ruimte inneemt. Nadat je ‘helaas’ hebt gezegd, denk je: ‘Verdomme, ik wil niet in dat woord blijven steken. Wat kan ik daaraan doen?’ Daar blijf ik in geloven. Als de jongeren zich over dit schijnbaar fatalistische woord kunnen zetten, is er veel mogelijk. Dan komen er vonken. Daarop wil ik me concentreren. Vonken die op een bepaald moment misschien wel een groot vuur zullen maken. In Congo zal de revolutie niet van bovenuit komen, maar van kleine vonken.”

Hoe kijkt u naar de omwentelingen in Tunesië en Egypte? Met bewondering? Jaloezie?

“Zeker met een gevoel van bewondering. Absoluut. (lange stilte) Maar ik geef toe dat ik ook wel jaloers ben. Ik zou graag hebben dat ook wij op die manier kunnen opstaan. Maar mijn verstand zegt dat het nog niet voor morgen zal zijn. Waarom niet? Omdat we daarvoor niet genoeg energie hebben. In Tunesië en Egypte is er een echte middenklasse. Een behoorlijk grote groep mensen die zich niet de hele dag moet bezighouden met de vraag: ‘Hoe geraak ik vandaag aan eten voor mij en mijn gezin?’ In Congo is bijna iedereen bezig met die vraag. Dat maakt dat je weinig tijd, energie en uithoudingsvermogen hebt om een revolutie te beginnen. Maar tegelijk hebben de Arabische omwentelingen me hoop gegeven. Drie maanden geleden had niemand zich kunnen voorstellen dat Ben Ali zou opstappen. En na het vertrek van Ben Ali was het onvoorstelbaar dat het volk ook Moebarak ten val zou brengen. Misschien is het momenteel ondenkbaar dat ook de Congolezen zich weldra verzetten tegen de situatie waarin ze beland zijn. Maar wat in Egypte en Tunesië is gebeurd, creëert hoop. Hoop dat het zelfs in Congo kan veranderen. Een vonk. Een gevoel van: het kán.”

choreograaf faustin Linyekula doet de kvs aan

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234