Maandag 24/01/2022

De essentie is schoonheid

Pierre Le-Tan tekent al jaren voor de bladen. Hij houdt niet van modern en ook niet van mode. 'Kleren kopen gaat mijn krachten te boven.' Hij tekent voor Elle, Le Monde, de Amerikaanse en de Franse Vogue, The New Yorker. Hij heeft pas een nieuw boek uit en werkt aan een internationaal tijdschrift over kunst en literatuur, dat hij volgend jaar boven de doopvont wil houden.

Soms tekent hij filmdecors, zoals vorig jaar voor 'Quadrille', het regiedebuut van Valerie Lemercier. "Werken is moeilijk," zegt hij. "En dan vooral: beginnen. Als je alleen werkt moet je jezelf discipline opleggen. De voorbereiding duurt lang. Daarom werk ik graag zo nu en dan in teamverband. Het ergste is niets uitvoeren en je daar niet eens goed bij voelen. Wel verschrikkelijk gefrustreerd en met enorme schuldgevoelens."

Pierre Le-Tan (47) ontvangt ons in zijn dakappartement in het tweede arrondissement van Parijs, vlakbij het beursgebouw en de Galerie Vivienne, een van de mooiste overdekte winkelgaleries van de Lichtstad. De lift gaat open bij een met antiek volgestouwd salon. We worden aangemeld door een Indische butler.

Le-Tan, die zelf van Vietnamese afkomst is, heeft altijd getekend. Hij kreeg zijn eerste tekeningen in The New Yorker geplaatst toen hij pas zeventien was. Het duurde niet lang voor hij ook covers mocht tekenen. Een vriend van zijn vader, die zelf schilder was, had een goed woord voor hem gedaan bij de art director van het blad.

"Ik woonde in Parijs, maar ik ging vaak naar de Verenigde Staten, en dan vooral naar New York. Ik tekende voor The New York Times, voor Harper's Bazaar, voor The Atlantic Review... Ik heb soms de indruk dat ik voor alle bladen heb gewerkt. In die periode was er meer werk. Ik was erg jong, in tegenstelling tot de meeste mensen die toen bij de bladen werkten. Al die mensen waren hun carrière nog voor de oorlog begonnen. De sfeer van toen bestaat niet meer. Je ziet niemand meer. Vroeger ging je voortdurend lunchen met je opdrachtgevers. Het was geciviliseerder werken.

"Ik tekende toen vooral voor de Amerikaanse pers. In Frankrijk vond ik geen werk. Men was hier niet geïnteresseerd in mijn stijl. Later heb ik veel boeken gemaakt en toen kreeg ik plotseling toch veel opdrachten in Frankrijk. Dat was midden de jaren tachtig, begin jaren negentig. Nu is er opnieuw aanzienlijk minder werk. Er is minder aanbod, de prijzen zijn gezakt. De reclamemarkt is in elkaar gestort.

"De pers is wel jonger geworden. Maar in Frankrijk zie ik erg weinig bladen die goed gemaakt zijn. De nieuwstijdschriften zijn zo lelijk."

Le-Tan leest nog nauwelijks tijdschriften, behalve als hij ze toevallig te zien krijgt, bijvoorbeeld als er een tekening van hem in staat. "Ik lees liever boeken dan tijdschriften. Ik heb de indruk dat in alle bladen dezelfde onderwerpen staan en dezelfde mensen - zo vervelend vind ik dat."

Over The New Yorker, het prestigieuze weekblad dat enkele jaren geleden voor het eerst sinds de jaren dertig werd gemoderniseerd, door de Engelse hoofdredactrice Tina Brown, klinkt de tekenaar niet echt tevreden.

"Ik zal nu wel als een oude zak klinken, maar het blad waar ik destijds bij begon was de legendarische, oude New Yorker. William Shawn was toen hoofdredacteur. Er was geen ander blad dat op The New Yorker leek. Als tekenaar kon je doen waar je zin in had. De tekeningen voor de covers hoefden niets te maken te hebben met wat er in het blad stond, er was geen verband met de actualiteit. De teksten waren erg goed. Alles werd gecheckt en dubbelgecheckt. Journalisten konden jaren aan een profiel van iemand werken. Nu lijkt The New Yorker op elk ander blad. Madonna, Versace, het is allemaal zo triestig. Ik ben er zeker van dat het vol fouten staat, ze kunnen al die snelle informatie onmogelijk verifiëren. Vroeger was The New Yorker binnenin helemaal zwartwit, nu staan er foto's in en kleurentekeningen. Ik vind dat jammer."

Hij geraakt niet uitgepraat over het nog altijd prestigieuze weekblad. "Er is geen eenheid meer, er is van alles wat. Wat goed is voor de tekenaars, maar niet noodzakelijk voor het blad. Een tijd geleden vroegen ze me om opnieuw covers te maken. Ik heb een lang gesprek gevoerd met de art director, wat voorstellen gedaan, enkele ideeën besproken. Maar er waren geen specifieke afspraken gemaakt. Enkele maanden later zag ik een van mijn ideeën op de cover, uitgevoerd door een andere illustrator. Ik vind dat raar. Neen, The New Yorker is geen magisch blad meer. Het heeft niet meer die bizarre, gesloten club van vroeger. Jammer dat zo'n rijke mensen als Newhouse (eigenaar van Condé Nast, uitgever van het blad, die blijkens recente onthullingen met de handen in het haar zit omdat The New Yorker nog altijd verlieslatend is, jb) alleen maar in geld geïnteresseerd zijn. Ze hebben niets van het uitgeversvak begrepen. Profijt, iets anders telt niet. En alles moet uniform zijn, identiek."

Onlangs gaf Pierre Le-Tan zijn herinneringen aan de jaren zestig in boekvorm uit. Carnet des Années Pop is een mooi uitgegeven kleinood waarin de kunstenaar, die eerder in dezelfde reeks een boek over Christian Lacroix illustreerde, mijmert over mode, design en de tijdgeest. De toon is overwegend nostalgisch. "Voor u is dat een verre periode. U was nog niet geboren. Maar voor mij lijkt het gisteren. Ik kreeg het idee toen ik een stapel oude tijdschriften zat door te nemen, oude nummers van Vogue en L'Oeil, bladen die ik destijds zelf kocht. Ik zag al die foto's terug, echt oude foto's, en die riepen herinneringen op. Van dingen die ik gekend heb. Van mensen die ik gekend heb. Ik beschrijf in het boek een korte periode, 1968-'72, toen ik achttien was.

"Die hele periode lijkt nu een beetje ridicuul. Alles moest modern zijn, terwijl al die spullen van toen ze gedemodeerd zijn geraakt. Al dat plastic veroudert zo snel, in tegenstelling tot marmer of hout. En dan zijn de jaren zestig en zeventig niet eens zo ver terug in de tijd. Er waren natuurlijk ook goede dingen. Ik herinner me die periode met veel tederheid: alle mensen die de mode volgden, die dachten dat je absoluut modern moest zijn en dat al de rest stront was.

"Ik had een vriend met een appartement op het Ile St-Louis. Een prachtig, zeventiende-eeuws appartement dat hij volledig had laten bekleden met skai, zodat je van de oorspronkelijke architectuur niets meer zag. En we vonden dat allemaal fantastisch. Als je jong bent laat je je gemakkelijker beïnvloeden door al die dingen. Ik had zelf een moderne radio, een Brion-Vega... Bij mij heeft de moderne periode niet lang geduurd, maar ik ken mensen die nog altijd leven zoals toen.

"Het was het einde van een tijdperk. De mensen zijn oud geworden, gedemodeerd. Een asbak in aërodynamische vorm, een Italiaans stereoketen: dat waren de ultieme gebruiksvoorwerpen, voorsmaakjes van het jaar 2000. Maar de voorbije vijftien jaar is er zoveel meer veranderd, met computers, Internet. Terugblikken op het infantilisme van dat modernisme blijft amusant. Hoe oppervlakkig alles wel was. We hadden een erg naïeve visie op de toekomst. Nu hebben we Internet en daar krijg je schrik van. De toekomst is niet van oranje plastic of aluminium. En wat destijds zo vooruitstrevend was, is nu oud en vervallen."

Le-Tan schrijft in zijn boek ook over het Parijse appartement van Fred Hughes, de rechterhand van Andy Warhol. Dat appartement, in de Rue du Cherche-Midi, werd enkele maanden geleden verkocht. "Ik ging nog eens kijken. Het was alsof ik in een spookkasteel was beland. Alles viel in brokken uit elkaar."

Het appartement bevond zich in een achttiende-eeuws achterhuis, op zo'n typisch Parijse binnenkoer. De voormalige eigenaar was Violette Trefusis, afstammelinge van een voorname Britse familie, die aan iedereen die het wilde horen te verstaan gaf dat ze de onwettige dochter was van Edward VII. Ze had verschillende lesbische relaties, onder meer met Vita Sackville-West. Trefusis bezat een kasteeltje buiten Parijs en een huis in Firenze, maar ze bracht het grootste deel van haar tijd door in haar Parijse rococo-appartement. "Er waren geen ramen, alleen een vage verrière. Het was een groot, eigenaardig appartement dat eigenlijk alleen geschikt was voor een vrijgezel. Hughes had er een heel mooi appartement van gemaakt, waar Warhol ook logeerde als hij in Parijs was. Maar Warhol stierf, en Hughes zit nu in een rolstoel, die kan zich niet meer verplaatsen. Het was een heel mooie plek. Hij had een bijzondere smaak, art deco, schilderijen van Warhol, antiek. Een interessante mélange. Ik heb zelf enkele spullen gekocht toen het appartement werd verkocht."

Van mode houdt hij niet (ook al onderbreekt hij ons gesprek voor door de butler aangekondigde telefoongesprekken met de rechterhand van Karl Lagerfeld en de art director van Vogue). "J'ai horreur de la mode," zegt hij. "Mode interesseert me niet. Vroeger was mode amusanter. Of misschien zijn we meer geïnteresseerd in mode als we jong zijn. Het heeft tegenwoordig allemaal met geld te maken, en dat haat ik. Mode is zo belangrijk geworden en eigenlijk stelt ze zo weinig voor. Mensen die zich créateur noemen, maar die van niets af weten, geen enkele cultuur hebben. Het enige wat ze kunnen is een stukje stof bewerken. Het is allemaal zo hol. Natuurlijk zijn er sympathieke mensen bij, zoals Christian Lacroix, een lieve jongen. Eind jaren zestig was mode nog niet wat het nu is geworden. Je kon je nog amuseren. Londen, Carnaby Street, Ossie Clark, dat was rigolo, leuk. Nu neemt iedereen zichzelf zo verschrikkelijk ernstig. Je komt in een winkel, en alles is heel minimalistisch, enkele kledingstukken netjes op een haak. De mensen die er werken zijn serieus, de mensen die er komen kopen nog serieuzer. Mode is een idiote ceremonie. Calvin Klein, Armani... Er is een nieuwe winkel in Parijs waarvan ik dubbel ga, zo onnozel, Colette. Mensen denken dat ze verfijnd zijn als ze iets kopen. Als ze zich in het zwart kleden, bepaalde tijdschriften lezen, de goede meubels kopen, dan behoren ze tot de in-crowd. Alsof je elegantie in een kit kan kopen. Zoiets heeft nooit eerder bestaan."

Er zijn toch altijd snobs geweest? "Het is zelfs geen snobisme. Snobisme kan grappig zijn. Dit is gewoon domheid. Een schapenmentaliteit."

Illustraties uit 'Carnet des Années Pop' van Pierre Le-Tan, uitgegeven door Gallimard, Parijs.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234