Woensdag 05/10/2022

De lokroep van La Serenissima

Lord Byron, Richard Wagner en Napoleon waren er niet dol op, maar voor het overige vielen ze er allemaal voor, de negentiende-eeuwse buitenlandse gasten die zich wentelden in de ijdelheid van de stad Venetië.

John Julius

Norwich

Paradijs der steden. Venetië in de negentiende eeuw

Oorspronkelijke titel: Paradise of Cities

Vertaald door Carola Kloos & Albert Witteveen

De Bezige Bij, Amsterdam, 346 p., 27,50 euro.

Hoe verliepen de kinderjaren van een Engelse knaap in Venetië, omstreeks 1900? "Verscheidene ochtenden per week werd ik met Signor Malagola, Bewaarder der Archieven, meegestuurd 'om de bezienswaardigheden te bekijken', soms vergezeld door de immens saaie prinses Stephanie, de weduwe van kroonprins Rudolf van Oostenrijk, een hofdame en twee teckels..." Prinses Stephanie is de enige Belg die ik aantrof in John Julius Norwich' onderhoudende boek over Venetië in de negentiende eeuw; we mogen aannemen dat meer landgenoten in die periode de lagunestad bezochten, maar ze schijnen er niets boeiends over te hebben geschreven en alleen van de kunstenaar William Degouve de Nuncques herinner ik me een prachtig schilderij van een gondel op een nachtelijk kanaal. Nee, dan heeft een Brits auteur meer te vertellen: van oudsher onderbraken de jonge Engelse Milords hun Grand Tour in Venetië "voor een paar weken onschuldige losbandigheid, alvorens opgewekt naar huis terug te keren met een paar Canaletto's en een lichte druiper", in 1816 streek de grillige Lord Byron er neer om zijn persoonlijke zwem- en amoureuze records te verbeteren, al gauw volgden de kunstcriticus John Ruskin, de dichter Robert Browning, de schrijver Henry James en de schilders Whistler en Singer Sargent. En wellicht werd het fraaiste proza over de stad kalligrafisch met scharlakenrode inkt neergepend door de bizarre Frederick Rolfe, baron Corvo: "Op een dag vulde ik op Burano mijn mondvoorraad aan; en bij zonsondergang roeiden we weg om een plekje voor de nacht te zoeken. Stel je een schemerwereld voor met een wolkenloze hemel en een spiegelgladde zee, alles gemaakt van warm, vloeibaar, doorschijnend heliotroop, violet en lavendelblauw met stroken gepoetst koper bezet met smaragden, versmeltend, aan de andere kant, met het peilloze blauw van de ogen van pauwenpronk, waarin de maan oprees, rozig als paarlemoer. Die glorie voeren we gedrieën binnen in de zwarte barcheta, plechtig, zwijgend, terwijl de laatste echo van het Ave Maria wegstierf."

John Julius Norwich is de auteur van A History of Venice, over de geschiedenis van de Hoogst Doorluchtige Republiek Venetië, La Serenissima, die in 1797, na een meer dan duizendjarig bestaan, ten prooi viel aan de legers van Napoleon. Niet lang daarna werd de stad Oostenrijks bezit, om tenslotte, in 1866, op te gaan in de republiek Italië. Was Venetië in de achttiende eeuw nog de schitterende decadente stadsstaat van carnaval en Casanova, "het Europese Las Vegas", in de negentiende eeuw werd het er nogal stil en provinciaal. Die rust, in combinatie met immense vervallende schoonheid, schijnt Engelse en Amerikaanse bezoekers bijzonder te hebben aangetrokken: keer op keer hoor je hen verklaren hoe heerlijk het is om geen geratel van karren over kasseien te horen, maar slechts af en toe het geplons van roeiriemen in de kanalen. Enkele oude foto's in het boek illustreren die Venetiaanse stilte prachtig. Amper een rimpeling in het water. En de schoonheid van afbrokkelende grandeur werd misschien nooit beter verwoord dan door de puriteinse John Ruskin, die restauratie "van begin tot eind een leugen" noemde en stelde: "Wat ervan over is, hoe vervallen, vervaagd en vervuild ook, is bijna altijd echt; er zijn geen nieuwe versies, en daarom zijn de grootste kunstschatten die Europa op dit moment bezit stukken oud pleisterwerk op vervallen stenen muren, waar de hagedissen zich nestelen en zonnebaden, en waar verder bijna geen levend wezen komt; en gescheurde, doffe doeken in ongebruikte hoeken van kerken; en beschimmelde vlekken in de vorm van menselijke figuren op de wand van donkere kamers, die een reiziger op verkenningstocht af en toe laat openmaken door een wankelende beheerder..." Norwich schreef Paradijs der steden als een vervolg op zijn geschiedenis van de republiek, maar omdat Venetië politiek niet veel goeds meemaakte in de negentiende eeuw, besloot hij saaiheid en somberheid te vermijden door de stad te tonen via de reacties van beroemde bezoekers. De eerste in deze reeks is de dreigende Napoleon, die een hekel had aan de aristocratische Venetiaanse bestuursvorm en de stad schaamteloos liet plunderen en verminken, zij het dat hij tijdens zijn enige verblijf, in 1807, bijdraaide en een paar goede maatregelen nam ter verbetering van de haveninfrastructuur en de openbare hygiëne. De volgende niet-Angelsaksische reiziger is Richard Wagner; in 1858 dirigeerde hij een symfonie van Beethoven in La Fenice en wanneer hij in een restaurant aan het San Marcoplein dineerde hoorde hij soms zijn eigen ouvertures uitvoeren door een militaire kapel van het Oostenrijkse leger - charmante ogenblikken. Het lijkt bijna vreemd dat er ook een Venetiaan een plaats in dit gezelschap wist te veroveren: Norwich wijdde een mooi hoofdstuk aan Daniele Manin, de advocaat die in 1848 de opstand tegen de Oostenrijkse overheersing leidde en die zich na een nijpende belegering slechts gewonnen gaf omdat er cholera uitbrak in de stad. Hij werd balling in Parijs, waar hij overleefde door Italiaanse les te geven.

In Paradijs der steden ontmoet je wellicht te weinig Venetianen - de dichter Ugo Foscolo lijkt een interessante kandidaat voor een eigen hoofdstuk -, maar het valt niet te ontkennen dat de buitenlandse gasten in de negentiende eeuw ons beeld van Venetië grotendeels bepaald hebben, dankzij schitterende boeken en kunstwerken. Je houdt aan deze lectuur een verlangen over naar de etsen die James McNeill Whistler maakte van deuren, portieken, straathoeken in het ontoeristische deel van de stad, in anonieme stegen en aan achterafkanaaltjes. Venetië, schreef hij aan vrienden, "is een onmogelijke plaats om te gaan zitten tekenen - altijd is er net om de hoek nog iets veel mooiers." En Norwich noemt een novelle van Henry James, The Aspern Papers (Het Aspern Archief) de beste evocatie van de stad in de toenmalige letterkunde, waar hij gelijk in zou kunnen hebben; maar wat hij zelf over James' band met La Serenissima vertelt, is ook beklijvend. Een goede vriendin van de schrijver pleegde er zelfmoord; en James, die haar nalatenschap moest sorteren, viel de lugubere taak toe om, zoals ze bij testament bepaald had, haar volledige garderobe in een uithoek van de lagune te werpen. "Hoe hij zich ook inspande, haar kleren weigerden te zinken; elke keer als hij ze met een stok naar beneden duwde, kwamen ze toch weer boven, 'als enorme zwarte ballonnen'. Ze dreven nog steeds rond toen hij, totaal van streek en uiterst gegeneerd, zijn gondelier opdracht gaf naar Venetië terug te keren."

Een boek dat met liefde en plezier geschreven werd, een boek dat zich met liefde en plezier laat lezen.

Leen Huet

De jonge Engelse Milords onderbraken hun Grand Tour in Venetië 'voor een paar weken onschuldige losbandigheid, alvorens opgewekt naar huis terug te keren met een paar Canaletto's en een lichte druiper'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234