Zondag 26/06/2022

De maffiakoning regeert per brief

Bernardo Provenzano werd ooit 'De Tractor' genoemd, vanwege zijn brutaliteit. Hij vond de Siciliaanse maffia als business opnieuw uit, met rekenmachines in de plaats van kalasjnikovs. Zijn macht is des te opmerkelijker omdat hij al 41 jaar op de vlucht is.

Peter Popham

De foto is in zwart-wit en van slechte kwaliteit: het zou uit een album van een bejaarde kunnen gevallen zijn, een vervagende herinnering aan vroegere tijden. De jonge man op de foto heeft brillantine in het haar, een dikke nek, ver uit elkaar staande ogen in een breed boksersgezicht. De kin is gespannen, de lippen getrokken, alsof hij bedreigd wordt, of misschien poseert hij gewoon voor de camera. Zijn ogen staren recht voor zich uit. Dit is de enige bekende foto van Bernardo Provenzano, nu het allerhoogste kopstuk van de Siciliaanse maffia. De foto is genomen in 1959. Hij was 26 en toen al meedogenloos; zijn brutaliteit leverde hem de bijnaam 'De Tractor' op. Hij klom op binnen de Corleone-clan van de Cosa Nostra en wordt verdacht van talrijke maffiamoorden.

Vier jaar nadat de foto genomen werd, strompelde hij binnen in een plaatselijk ziekenhuis, het bloed stroomde uit een schotwond in zijn hoofd. "Ik was een toevallige voorbijganger", vertelde hij de dokter, "wanneer ik opeens een vreselijke pijn voelde." De dokter stelde geen vragen en lapte hem perfect op, en nog voor de man die Provenzano tijdens het vuurgevecht had gewond zich kon wreken, verdween hij. Hij is sindsdien niet meer gezien. Het is een verbazingwekkend record: hij is langer voortvluchtig dan enige andere terrorist of dief. De Grote Treinrovers waren al lang ingerekend. Carlos de Jakhals slaagde erin negentien jaar op vrije voeten te blijven. In tegenstelling tot anderen op de lijst van meest gezochte personen moest Provenzano niet van het ene continent naar het andere vliegen om in veiligheid te blijven. De Italiaanse regering looft een beloning van 2,5 miljoen euro uit, maar het wordt mogelijk geacht dat hij Sicilië nooit heeft verlaten.

Het succes van Provenzano om niet gepakt te worden, is slechts een deel van het verhaal, het vormt enkel de context van zijn levenswerk. Zijn echte verwezenlijking is de redding van de maffia; velen dachten dat de organisatie aan het begin van haar ondergang was begonnen. Langzaam en geduldig heeft hij haar gedurende de laatste tien jaar veranderd in een organisatie die niet schiet of moorden pleegt, maar altijd haar zin krijgt; een misdadig netwerk dat de Siciliaanse samenleving in zijn greep houdt, net zo stevig vandaag als op elk ander moment in de afgelopen 160 jaren.

Twaalf jaar geleden, op 23 mei 1992, naderde een autokonvooi Palermo op de weg van het vliegveld toen een donderende explosie het asfalt verbrijzelde. De eerste auto werd 21 meter de lucht in gekatapulteerd en de ontploffing blies de motor uit de tweede auto, die in de krater belandde. Het was een van de vele gewelddadige maffiaoperaties, niet ongewoon in een periode waarin de maffia elk jaar 250 mensen vermoordde in Palermo alleen. Maar voor Sicilië en de rest van Italië was dit bloedbad anders en van grotere betekenis. Het doelwit van de aanslag was Giovanni Falcone, de Siciliaanse onderzoeksrechter die er onverschrokken in slaagde de maffia voor het gerecht te brengen. Hij en zijn vrouw kwamen om bij de aanslag.

Twee maanden later werd Falcone's collega Paolo Borsellino op dezelfde manier vermoord, met hetzelfde verbluffende professionalisme. De impact van die twee gruweldaden op Italië is heel groot. Andrea Camilleri, een succesvolle Siciliaanse misdaadschrijver, heeft het vergeleken met de impact van 11 september op de Verenigde Staten: net als de terroristische aanslagen waren deze wreedheden uitingen van kwaad opzet die de individuele gebeurtenissen overstegen.

Met die bomaanslagen verklaarde de maffia de oorlog aan het land. Het onderzoek dat Falcone en Borsellino voerden, was het eerste in de geschiedenis van de maffia waarin Italië zich zo vastberaden toonde om de organisatie de kop in te drukken. Het opvallendste resultaat van hun inspanningen was het beroemde 'maxiproces'. Het ging van start in Palermo in 1986 en de 360 grote en kleine maffiosi kregen in totaal 2.665 jaar gevangenisstraf.

Door de moord op Falcone en Borsellino gaf de maffia te kennen dat ze iedereen die tegen de organisatie was, hoe hoog of machtig ook, op deze manier zou vergelden. Maar de moordaanslagen waren een grove misrekening. Voor het eerst kreeg de maffia niet alleen de carabinieri en de magistraten tegen zich, ook de gewone mensen van Sicilië. Hun woede was zo groot dat ze de straat op trokken om te protesteren.

Leoluca Orlando, een burgemeester van Palermo die in de jaren tachtig en negentig ten strijde trok tegen de maffia, herinnert zich de stemming: "De mensen zeiden basta, genoeg. We accepteerden de situatie niet langer. Jonge mensen kwamen de straat op, maakten menselijke kettingen, hingen witte lakens uit de ramen. Een krant publiceerde een artikel: de kop was 'Orlando wordt de volgende'. Sommige vrouwen uit Palermo gingen naar de politiecommissaris en gaven hem een lijst met kinderen, hun kinderen. Ze zeiden: 'Onze kinderen zijn bereid om in de auto van M. Orlando te gaan zitten om hem te beschermen.' Uiteraard kwam er geen kind in mijn wagen. Maar ze wilden me duidelijk maken dat ik niet alleen stond."

Het was een buitengewone metamorfose van de gemoedstoestand van het volk. Zoals John Dickie vertelt in zijn nieuwe boek Cosa Nostra, kwam de maffia te voorschijn in Sicilië, nadat de Britten, die het eiland bezetten in 1810 tijdens de Napoleontische oorlogen, een aanval ingezet hadden tegen het leenstelsel. De macht van de baronnen liep terug en hun gronden kwamen voor het eerst op de markt, maar de eilandheersers van Bourbon waren niet in staat om hun autoriteit te laten gelden in het machtsspelletje dat plots aan de gang was. In dat vacuüm kwam de maffia tevoorschijn als de criminele schaduw van de staat. De organisatie nam grondgebied over, controleerde het via geweld en intimidatie en werd rijk door protectiegeld. Ze was zowel de parasitaire vijand als de machtige vriend van iedereen die iets te winnen of te verliezen had: land, zaken, geld, invloed, macht.

Over de generaties heen drong de maffia binnen in de Siciliaanse bloedbaan. Haar macht was gebaseerd op het feit dat ze rijk en meedogenloos was, maar ook, zoals Orlando uitlegt, op het feit dat ze door de meerderheid van de Sicilianen aanvaard werd als 'eigen aan hun cultuur'. "De maffia is wat ik noem 'criminaliteit die gebaseerd is op identiteit'", zegt hij. "De Siciliaanse maffia gebruikt onze cultuur om moorden te rechtvaardigen. En ze doodden in naam van onze waarden: eer, familie, vriendschap. Dus doodden ze twee keer: een keer de persoon, een keer de cultuur.

Orlando groeide op in de jaren vijftig en zestig (toen Bernardo Provenzano onderdook). Op dat moment rustte er een taboe op de maffia. "Het was tegenstrijdig", zegt hij. "Bijna niemand in Sicilië sprak over de maffia, niemand gebruikte het woord maffia, maar Sicilië stond enkel bekend om de maffia. Iedereen in Sicilië wist het en was er bang voor, maar niemand sprak erover. Ik studeerde dertien jaar aan het jezuïetencollege in Palermo en al die tijd heb ik nooit het woord 'maffia' gehoord. Toen ik vijftien was organiseerde ik een seminarie over de maffia. De directeur belde mijn ouders en zei, 'Dit is een schandaal! Waarom heeft Luca het over de maffia? Wij hebben niets te maken met de maffia!' Het was een grijze zone: niets zeggen, niets zien, niets horen."

Tegen de tijd dat Falcone en Borsellino vermoord werden, was er heel wat veranderd. Het woord lag in ieders mond, iedereen wilde het einde van de maffia. De agressieve nieuwe strategie van de overheid en het moorddadige verzet van de maffia, maakte het de gewone Sicilianen onmogelijk om het kwade nog langer in hun midden te dulden. Binnen het jaar na Falcone's dood werd 'capo di capi' Toto Riina gearresteerd, het brein achter de aanslagen. Zijn bezittingen ter waarde van 187 miljoen euro werden in beslag genomen. Drie jaar later werd Giovanni Brusca gearresteerd, de gangster met de babyface die de Falcone-bom liet ontploffen. Hij bekende "meer dan 100 maar minder dan 200" moorden. Bernardo Provenzano bleef ongrijpbaar als altijd.

De maffia gaat vandaag als volgt te werk. Iemand zit in een lastige situatie: een huisbaas is ontevreden over zijn manager die hij verdenkt van corruptie; of de bewoners van een appartementsblok hebben een dispuut met de klusjesmannen die hun gebouw opfrissen; of een zakenman vreest dat zijn accountant de boeken vervalst; of een politicus wil heel graag een verkiezing winnen. Voor al die problemen zijn er wettelijke en eerlijke oplossingen, en er is ook de maffia. De Italiaanse justitie is berucht om haar traagheid, de staat is log en inefficiënt, de politie is met andere zaken bezig, de democratie is een onvoorspelbaar beest. Daarom richten mensen zich tot de maffia. Ze schrijven een brief naar Bernardo Provenzano. En Provenzano, die nooit de telefoon gebruikt en op zijn eiland verblijft zonder zich druk te maken, leest de brief en schrijft naar de maffioso die verantwoordelijk is voor het gebied vanwaar de aanvraag afkomstig is en vraagt hem het zaakje te regelen.

Provenzano typt zijn bigliettini, of notities, op zijn oude Olivetti 32, die hij overal meesleept. Hij zat slechts twee jaar op de middelbare school en zijn brieven staan vol met eigenaardige fouten. We kunnen ons gemakkelijk voorstellen hoe hij naar zijn toetsenbord staart en met zijn twee vingers tikt. Maar de brieven zijn altijd bijzonder beleefd. "Beste", schrijft hij tot zijn ondergeschikten. "Ik hoop dat je in de beste gezondheid verkeert. Ik kan je verzekeren dat dat met mij het geval is. Verontschuldig mij indien ik je stoor met deze vraag, maar zoals je weet probeer ik je van dienst te zijn... Ik wens je het allerbeste en stuur je mijn meest liefdevolle en hartelijke groeten."

Het bericht wordt dan bezorgd door een van Provenzano's trouwe koeriers. Hij plaatst de brief bijvoorbeeld tussen twee bakstenen van de lage muur bij een boom, op een plaats die afgesproken werd met de geadresseerde die op de hoogte gebracht werd dat hij een bericht kan verwachten. Zoals afgesproken deponeert de koerier een magazine van oude auto's in zijn brievenbus als teken van de levering van het bericht.

Salvo Palazzolo, een journalist van La Repubblica in Palermo, is coauteur van twee boeken over de nieuwe maffia van Provenzano. "Na de moorden op Falcone en Borsellino werden Riina en al zijn mannen die betrokken waren bij de moorden gearresteerd, dankzij de bekentenissen van de verklikkers. Maar Provenzano en zijn naaste vertrouwelingen, de mannen die niet met kalasjnikovs maar met rekenmachines werken, bleven buiten schot. Het mysterie van Provenzano heeft te maken met bloedbaden die nooit zijn opgelost. Hij haalt zijn macht dus niet uit wapens, maar uit geheimen. Dankzij die geheimen kan hij de invloedrijke mensen, politici en bankiers, chanteren en op vrije voeten blijven. Ze willen hem niet arresteren want hij weet een heleboel vervelende zaken.

"Het is vreemd: de persoon die de maffia de 21ste eeuw binnenleidt, is een oude man. De 'geheimhouding' was de manier van het verleden. Provenzano bouwt nu aan de Cosa Nostra van na de bloedbaden, aansluitend op het verleden, het geheime verleden. Hij is erin geslaagd het postmoderne te verzoenen met het ouderwetse karakter van de oude maffia."

Palazzolo gelooft dat Provenzano de vroegere macht van de maffia heeft hersteld door het geweld de rug toe te keren, de verlammende protectiegelden te verlagen en een stevige greep op de organisatie te houden. Maar het grootste, duisterste geheim van zijn succes is dat de Sicilianen, uit alle klassen, willen dat de maffia het goede werk blijft voortzetten.

Dat is een opmerkelijke verwezenlijking voor een bejaarde, halfgeletterde gangster die voortdurend op de vlucht is. Maar het is niet alleen zijn eigen verwezenlijking: het werd de afgelopen drie jaar eenvoudiger door een geleidelijke verandering in het Italiaanse politieke klimaat. Na de moord op Falcone en Borsellino werd Italië de leider in de strijd tegen de georganiseerde misdaad: Kofi Annan, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, ondertekende in 2000 in Palermo 's werelds eerste verdrag tegen de georganiseerde misdaad. Vandaag spant Italië niet langer de kroon.

Er zijn te veel tekens aan de wand. Er was bijvoorbeeld de strijd van eerste minister Silvio Berlusconi tegen de rechterlijke macht, waarbij hij hen uitschold voor communisten en krankzinnigen. Er was de amnestie van de minister van Financiën voor illegale aannemers en belastingontduikers. Het treffendst was de opmerking van Berlusconi's minister van Infrastructuur Pietro Lunardi in augustus 2001: "Italië zou moeten leren leven met de maffia, iedereen zou het misdaadprobleem op zijn eigen manier moeten aanpakken."

Orlando zegt: "Die uitspraak van Lunardi is misschien geen misdaad, maar erger dan een misdaad; het draagt bij tot een cultuur van illegaliteit. Het betekent dat legaliteit een optie is. Wil je een auto met radio of zonder? Bruisend water of plat? Wil je een legale democratie of een illegale? Zolang er ministers zijn die zo spreken, heeft de nieuwe maffia geen wapens nodig."

Cosa Nostra: De geschiedenis van de Siciliaanse maffia van John Dickie uitgegeven bij Ambo/Anthos Uitgevers, 19,95 euro

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234