Woensdag 17/08/2022

De ongebluste branden van Marc Didden

n principe doe ik niet aan principes, maar een paar ideeën blijven nu toch al een tijdje hardnekkig overeind. Dat kunst en kunstenaar als label niet zomaar uit de kast mogen, bijvoorbeeld. Al te makkelijk noemen dames die in een al te proper Nederlands gedichten reciteren op bijeenkomsten van de KAV zichzelf woordkunstenares. Al te vlot plaatsen avondschoolkeramisten, zondagsschilders en smyrnatapijtknopers zich op gelijke hoogte met hedendaagse meesters, omdat zij óók kunnen wat die kunnen. Ik heb niks tegen huisvlijt of ambitie, maar wie weleens een kunstenaar heeft ontmoet, wie weleens kunst tot zich neemt, die weet dat er meer bij komt kijken. Het gaat niet alleen om talent en ideeën, het heeft ook met onontkoombaarheid te maken, met zelfreflectie en andersoortig kijken naar de wereld, met een onstuitbare honger naar vrijheid, met enig lijden aan het leven vaak, en met iets proberen richting een soort van kleine eeuwigheid.

Groot was mijn verwondering daarom toen ik na het lezen van Het verdriet van de mediawatcher, het vers verschenen boek met gebundelde columns van Marc Didden, niet anders kon dan denken: die man is een kunstenaar. Ik wil hem zo noemen omdat het mijn manier is om groot respect te betuigen. (Bovendien valt mijn redenering vlot hard te maken, wat meegenomen is.)

Laat ik beginnen bij talent. Daaraan geen gebrek. Marc Didden schrijft zinnen die ik wil pikken in de hoop dat mensen geloven dat ook ik tot zoiets in staat ben. Zinnen die geen mens kan pikken omdat ze zo Didden zijn: ‘Waarom kijkt Alain Coninx in De zevende dag altijd alsof er net voor aanvang iemand anders in zijn broek gescheten heeft?’ ‘Waarde Hugo, ik kan niks, maar ik heb het allemaal van jou geleerd. Waarvoor dank.’

Ideeën, dan. De meesten hebben er weinig tot geen. Ze beperken zich tot herkauwen van wat is, en doen alsof ze daar trots op zijn, in de hoop dat Vlamingen - van nature al niet het assertiefste volk, en sneller onder de indruk dan nodig - het niet zullen opmerken. Marc Didden heeft ze wel. Over kunst, over politiek, over de mensheid en hoe die zich beweegt tussen geboren worden en sterven. Dat heeft met zijn gigantische bagage te maken, met de scherpte van zijn observeren, met zijn talent om het perspectief net dat kwartslagje te draaien waardoor alles anders wordt.

Zoals Borremans moet schilderen en Berckmans moest schrijven - ik noem maar twee helden van hem - zo kan Marc Didden het niet laten om te zeggen waar het op staat. Oók als hij daar gedonder mee krijgt. Oók als hij zich daardoor moet verantwoorden tegenover mensen met een mening over hem. Heerlijk zijn de passages waarin hij verslag uitbrengt over zulke ontmoetingen. Marc Didden drentelend tussen verontwaardiging en al te grote zelfrelativering. Maar onontkoombaar geheel en al zichzelve.

Marc Didden kruipt volgens mij ook genoeg in de eigen kop. Niet omdat hij daar vrolijker van wordt, maar omdat hij weet dat een mens aan zichzelf de wereld kent. Meer nog, hij thematiseert zichzelf, zoals artiesten doen. Zelfkritiek en al dan niet ironiserende vormen van zelfverdediging, zelftwijfel en je-m’en-foutisme, hij combineert ze moeiteloos. En wie goed leest, ziet zo een portret ontstaan.

Goeie kunst oogst eerder heftige afkeuring en grote bewondering dan lauwe pruttelmeningen. Ook van Marc Didden móét je iets vinden, en dat pleit voor hem. Er zijn tegenstanders. Lezers die hem zurigheid verwijten, gratuite vuilspuiterij tegen nochtans vriendelijk de bladen bevolkende BV’s, politici met onhandige kapsels en de mensheid in het algemeen. Wie dit boek leest, weet wel beter. Ook al wordt er meer dan één van mijn vrienden afgezeken, ook al vallen bepaalde hekels al lang niet meer rationeel te duiden, naar mijn gevoel is Marc Didden bovenal een kwetsbaar mens. Wegens veel nadenken en diep voelen. Wegens intelligentie en beperkt talent voor zelfbedrog. Wegens leven op deze wereld en zich niet achteloos kwijten van die taak. Ook dat is des artiesten.

Ik word ontroerd als hij Beckett citeert, zoals hij ’m Pinter zag spelen:

Perhaps my best years are gone. When there was a chance of happiness. But I wouldn’t want them back. Not with the fire in me now. Hoe het zit met dat geluk weet ik niet zo goed, ik ben daar zelf ook niet elk kwartier van de dag zo sterk in, maar Het verdriet van de mediawatcher bewijst alvast dat Marc Diddens beste jaren verre van voorbij zijn, en dat er qua vuur nog behoorlijk wat ongebluste branden in hem woeden.

Hij citeert ergens anders nog een klassieker die ik lang geleden al in mijn schoolagenda had geschreven: life’s a bitch and then you die. Dat is misschien wel waar, maar ondertussen heeft hij toch maar mooi iets nagelaten. Deze columns in een prachtig uitgegeven boek, zo eentje dat gemaakt is om te blijven. Want daar horen ze thuis: niet in een weekendkrant om hap snap te lezen bij een koffie en een rozijnenkoek, maar in een boekenkast, voor lezers van vandaag en vele morgens.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234