Zondag 07/08/2022

De stadsflikde boshoer

Hun eerste professionele samenspel is het, als inspecteursduo in de politieserie Aspe. Ze zagen elkaar wel al op tv, maar hadden elkaar nog niet ontmoet. Vanaf de eerste opnamedag in Brugge was er een klik. Het werd gibberen en schaterlachen op de set. Maar het contact ging dieper. Naast onnozel zijn was er dat gelijkaardige denken over leven en bezigheden. Zowel Maaike als Alice zoeken naar rust maar stellen vast hoe ze zichzelf gedurig voorbijrennen, of hoe moeilijk het is woeling en wijsheid in evenwicht te brengen. De actrices zouden wel ooit eens iets écht samen willen doen, iets creatiefs, bredere karakterrollen spelen of figuren met ‘een hoek af’. Kortom: dat een regisseur zich meldt.

Hoe begon het allemaal een jaar geleden?

Maaike: “De productie had me gezegd: ‘Je krijgt een nieuwe sidekick in de plaats van Mathias Coppens. Carine en Mitch, onze personages dus, hadden een relatie, verbraken die weer en volgens het script was ik aan een nieuwe partner-inspecteur toe. Ik dacht: ‘O nee, ik moet toch niet meteen weer met een andere gaan lebberen.’ Daar had ik absoluut géén zin in.”Alice: “(lacht) Waarom had dat niet gekund? Even een lesbisch lijntje leggen in Aspe.Wat zou dat opgeleverd hebben? We zouden ongetwijfeld veel lol hebben gehad.”Maaike: “Ik heb nog niet vaak met een vrouw zulke leuke vibes gehad. Niet dat ik niet overeenkom met vrouwen, maar het overkomt me zelden dat ze me zo aangenaam in gedachten blijven, of dat ik onderweg naar huis denk: ‘Wat was me dat weer plezant zeg.’”

Wat verbindt jullie?

Alice: “Zeker de humor en ook: op hetzelfde moment hetzelfde aanvoelen. Grappige momenten taxeren en als er iets gebeurt, daar direct op inspelen.”Maaike: “Wij zijn allebei ook nogal jongensachtig.”Alice: “Inderdaad, we zijn geen vrouw-vrouwen. Niet de elegantste dames die zich netjes en keurig gedragen op de set.”

En dan jennen jullie Herbert Flack en zijn entourage een beetje? Aspe is aan zijn vijfde seizoen bezig, dat zit waarschijnlijk in een keurig stramien?

Maaike: “Aspe wordt gemaakt door een heel goede en dynamische ploeg van mensen die erg graag onnozel doen naast de set. Anders houd je het ook niet vol: die draaidagen zijn zo zwaar, alles is zo intens.”Alice: “Ik kwam daar in een goed geoliede machine terecht, maar toch heb ik me nooit ongemakkelijk gevoeld.”

Je was ook de eerste ‘buitenlander’ in de serie. Je woont en werkt al jaren in Vlaanderen, maar je moet altijd weer die Ollandse spelen. Uitvergroot: mevrouw Verspoor in Van vlees en bloed, Nolleke in Het eiland en nu Tamara Meijer.

Alice: “Ik vind dat soms best jammer. Er wonen zoveel Nederlanders in België en toch moet net het verschil aandacht krijgen.”Maaike: “Klopt helemaal. Ik zit nu veel in Nederland. Ik toer er met de musical Pippi Langkous. Ik werk dus de hele tijd met Nederlanders en ik heb zelf al jaren een Nederlandse vriend. We leven ergens tussen Amsterdam en Gent. Maar hoe meer ik die verbinding heb en maak, hoe minder ik snap wat het verschil is.”Alice: “Ik heb het idee dat de Vlamingen in Nederland minder een stempel krijgen dan Nederlanders in Vlaanderen. Merk je dat ook, Maaike, als je daar toert? In Nederland spelen er in verhouding toch ook meer Vlamingen dan Nederlanders hier. En die Vlamingen moeten ginds toch ook niet altijd dat Vloamsche benadrukken.”Maaike: “Ze vinden ons daar hoogstens schattig en exotisch.”Alice: “Maar hier staan Nederlanders voor schreeuwerig en oppervlakkig, voor mensen die graag op de voorgrond treden.”

Waar kom jij precies vandaan, Alice?

Alice: “Uit Brabant, het zuiden. Ik ben ook in een katholieke omgeving opgevoed, in een piepklein dorp. Toen ik in Maastricht studeerde, dachten ze zelfs dat ik uit België kwam, zo zuinig sprak ik.”

In een productie voor Het Toneelhuis, geregisseerd door jouw man Tom Van Dyck, heb je voor een rol ooit je accenten helemaal laten wegschaven om onvervalst Vlaams te kunnen spelen.

Alice: “Het publiek had inderdaad niet door dat ik Nederlandse was. Het was blijkbaar zo geloofwaardig dat een Vlaams reclamebureau me belde om spotjes voor hen in te spreken. Maar zonder logopedist was het niet haalbaar. Ik kan het Vlaams wel leren, maar ik beheers het niet.”

Logopedist? Die zachte g had je toch al?

Alice: “Die tongpunt-r aanleren was moeilijk en ook het zuiveren van de Brabantse klanken. Die o’s en a’s.”Maaike: “Het West-Vlaamse probleem, quoi.”

Maaike, jij bent Torhoutse.Kwam er bij jou ook veel logopedie aan te pas?

Maaike: “Jawel, de g-h-verwisseling was problematisch. Ik moest héél mooi praten, want ik deed woordkunst en moest dus ook powezij brengen. Ik ben nooit zo’n krak geweest in het spreken van wat ‘de beschaafde taal’ wordt genoemd.”

Als je kunstmatiger moet praten, verandert dat je niet? Tenslotte ga je voor een stuk van je natuur weg.

Maaike: “Ik was inderdaad van mezelf aan het vervreemden toen ik met die opleiding bezig was. Gelukkig mocht ik op het conservatorium op een bepaald moment Louis Paul Boon spelen. Het was alsof ik naar mezelf terugkeerde, zo weldadig voelde dat aan. Ik kreeg weer plezier in taal. Ik herkende die structuren, die klanken, die muziek bijna. Er kwamen zinnen uit mijn mond die ik ook wel had kunnen zeggen, die veel dichter bij mijn buik lagen. Ik heb de dingen graag dicht bij mijn buik.”Alice: “Toen ik naar de toneelschool ging, sprak ik Brabants, lispelde ik en had ik ook nog zo’n heel hoog stemmetje. Daar stond ik dan op een auditie, zeventien jaar oud, recht uit het boerendorp. Mijn introductiezin was: ‘(slist, met piepstem) Ik vind het hartstikke leuk om naar toneelschool te komen.’ Dat werd op luid gelach onthaald. Ik besefte niet dat ik onverstaanbaar was. Na de auditie zei men: ‘Het is wel leuk wat ze daar staat te doen, alleen weten we helemaal niet wat ze zegt’ Ik moest heel hard studeren en werken om dat stemregister, die afwijking, maar ook die zachte g weg te krijgen. (lacht) Ik ben ook heel lang geplaagd met een zinnetje dat ik tijdens de les improvisatie moest zeggen: ‘Hé, je verliest je gum.’ Iedereen plat van het lachen. Jarenlang heeft die zin me achtervolgd. Een regisseur meldde me in het tweede jaar: ‘Alice, nu moet je écht Nederlands gaan spreken. Als je tegen het einde van het jaar niet met een harde ‘g’ gaat praten en je klinkers en medeklinkers blijft vervormen, dan betaal je me 100 gulden. Slaag je er wel in, dan krijg je 100 gulden van mij.’ Ik heb mogen betalen. Daarna ben ik er wel hard ingevlogen. Ik leerde de scheiding maken: artificiële taal op school en thuis lekker Brabants. Ik maak die switch nog altijd. Ik vind het gênant om thuis, bij mijn ouders, met de harde g te praten. Het voelt dan alsof ik mijn identiteit verloochen.”Maaike: “Ik heb me vooral veel geschaamd toen ik op het conservatorium zat. Ik voelde me zo’n boerin.”

Alice, jij speelt binnenkort in Aspe, maar bent in Nederland bekend met het ‘flikkengenre’. Je speelde mee in Baantjer, Grijpstra en De Gier, Flikken Maastricht...

Alice: “Gastrollen vooral. Het is toeval hoor, het is niet dat ik ervoor kies om vooral policiers te doen.”Maaike: “In ons vak hebben we ook niet echt een keuze. Het is beschamend wat er maar aan mogelijkheden is. Het is niet zo dat je plat gebeld wordt voor een interessante rol, waarin je iets mag tonen, je voluit kunt ontwikkelen. Spijtig genoeg.”Alice: “En als je in zo’n serie eenmaal een gastrol hebt, word je snel voor een gelijkaardige rol gecast. We hebben in de lage landen zo’n achttal series van eigen bodem. De nadruk ligt altijd op het oplossen van misdaad, minder op het uitdiepen van de personages. In Engeland en Amerika doen ze dat wel. Daar hebben de personages die extra dynamiek, wordt er meer geweven rond de figuren, is er een emotionele lijn.”Maaike: “Dat heeft met de budgetten te maken. Aspe is pas sinds vorig seizoen de privélijnen van sommige hoofdpersonages gaan uitdiepen.”

Dit seizoen spelen jullie nog drie afleveringen samen.

Alice: “En in het volgende seizoen vier. En met véél plezier.”Maaike: “We moesten ons echt de hele tijd inhouden om niet in de lach te schieten. Meestal stonden we die scènes te spelen met de billen dichtgeknepen.”Alice: “Ik herinner me dat ik voor het eerst iets met het pistool moest doen, een inval in een huis. Maaike liep voor mij, met dat wapen dus, bloedserieus de boel te verkennen. Ik kwam gewoon niet meer bij. Het was alsof ik met een vriendinnetje ‘pak de boef’ aan het spelen was. Maaike speelt bovendien alles met die typerende kinderlijke verwondering: ‘Wat gebeurt er nu toch? Die verbaasde blik, en dan zie je die onderlip gaan van: ‘(in het Vlaams)Ah ja, ah ja, ist ècht, amoar zeg.’”Maaike: “Ik heb al eens moeite met feiten. Het gaat pas echt goed voor mij als ik de dingen kan relativeren.”

Die indruk krijg je als kijker ook, zowel in Het geslacht De Pauw als in Aspe: speelt ze nu of is ze écht zo?

Maaike: “Misschien denk ik er altijd een beetje het mijne van.”Alice: “Je weet inderdaad nooit goed of ze het meent of niet, of ze ermee speelt of alles ernstig bedoelt. En dat laat ze bij het spelen ook in het midden.”

Wat vind jij van Alice’ ‘spel’, Maaike?

Maaike: “Ook daarin wordt haar karakter uitvergroot, haar openheid vooral. Ik heb vaak de neiging om dicht te klappen tijdens het acteren, om mij er onder te plaatsen. Bij Alice heb ik dat helemaal niet. Zij geeft me een soort energie. Ik word ook altijd zo content van haar. Ook grappig is dat ze als ze een zin moet zeggen, die zeker tien keren van tevoren herhaalt. De simpelste zinnen, zoals: neem de eerste deur rechts en ga dan de trap op. Ik hoor haar dat telkens opnieuw ratelen: eerste deur rechts, trap op; eerste deur...”Alice: “Dat komt omdat ik de tekst vaak pas op de set leer. Ik heb ook niet zo verschrikkelijk veel te zeggen. Toch moet ik mij die zinnen eigen maken, laten ronddraaien, als een mantra.”

Van vlees en bloed gezien, Maaike?

Maaike: “Uiteraard, maar niet elke aflevering. En de fameuze bospoepersscène heb ik helaas gemist. Alice had me nochtans gezegd: ‘Nou moet je écht kijken, ik speel in mijn blote kont.’ Ik maar wachten voor het scherm die avond. Maar geen blote kont gezien. Die werd blijkbaar een week later uitgezonden en toen was ik niet thuis. Nadien heb ik het natuurlijk veel gehoord: bospoeper en boshoer. Het werd gemeengoed.”

Maaike als mevrouw Bart De Pauw, Alice als boshoer. Er zijn zo van die dingen waar je moeilijk van af geraakt.

Alice: “Ik maak me geen illusies. De mensen kennen me meer als ‘de boshoer’ dan bij mijn eigen naam. Terwijl ik toch maar heel kort te zien was. Even koteletjes bestellen en dan in de takken gaan hangen. In aantal minuten televisie uitgedrukt zou je kunnen zeggen: één minuut, twee? Maar het heeft blijkbaar ‘gepakt’.”Maaike: “Je wordt lang op significante rollen vastgezet. Van Het geslacht De Pauw kom ik nooit meer helemaal los, omdat wat errond zit cult is geworden. Ik heb nadien echt totaal aparte dingen aangenomen, om anders te kunnen zijn. Zoals En daarmee Basta!(comedyserie op Ketnet, ML) en Aspe. Ik stel telkens weer vast hoe zo’n rol op televisie bepalend kan zijn.”Alice: “Ik word er gelukkig niet persoonlijk op aangesproken, nog niemand heeft ‘boshoer’ naar mij geroepen. Het is meer de term dan de figuur die het speelde die de vluchtigheid overleefde.”

En stel dat jij jezelf voorstelt en men jou niet meteen kan plaatsen, zou je zeggen ‘ik was de boshoer’?

Alice: “(lacht) Natuurlijk zou ik dat nooit zeggen. Die rol is gespeeld en voor mij ook opgeborgen en vergeten.”Maaike: “Dat begrijpen de mensen niet altijd. Dat je zo’n rol meteen weer opvouwt, móét opvouwen. Want je zorg is: zal de telefoon binnenkort weer rinkelen, zal ik een aanbod krijgen, zal ik mijn huur kunnen betalen? Schrikken doe je als je later vaststelt dat er op de agenda voor volgend jaar nog een paar maanden leegstaan. Dan denk je echt niet aan die oude rollen, je wilt er nieuwe. En af en toe word je tussendoor gebeld om op een verjaardagsfeest uit een taart te komen springen als mevrouw De Pauw. Ik heb dat nooit gedaan. Mevrouw de Pauw is weg. Toch hebben de mensen de neiging je daarop vast te kleven, alsof je geen andere registers hebt. Als ik ergens kom en drie woorden West-Vlaams spreek, hoor ik al eens zeggen: ‘Ach, kan ze maar dát.’ Dan denk ik: lullo’s.”

Alice, jij bent nog nooit gevraagd om voor de Week van het Bos of zo aan een boom te gaan hangen?

Alice: “Nee, gelukkig maar. Ik hoorde wel dat er een route is in het park waar de boshoer en de bospoeper in de takken hingen. Dan blijken ze nog de verkeerde boom te gaan bekijken ook. Ongelooflijk toch?”

Hoe zit het met die stereotypering in Nederland?

“Daar ben ik vaak getypecast. Geregeld moet ik de rijke directrice of eigenaresse spelen, met oudere mannen als echtgenoot. Ik kom daar moeilijk van af.”Maaike: “Jij straalt ook klasse uit, hoor.”Alice: “Dank je wel, Maaike. Over klasse gesproken: ik vernam ooit dat er een hit was op Google met de titel ‘De borsten van Alice Reys’. Ik heb het aangeklikt, maar er was niets te zien, hoor.”Maaike: “Klik eens op ‘De kont van Alice Reijs’...”“Kijk, dat er gebruikgemaakt wordt van je beeltenis, dat er wellustige blikken op jou rusten, daar kun je weinig aan doen. Je kunt enkel vaststellen dat je als bekende vrouw, tot tiet en kont, tot ding, kunt worden gedegradeerd. Natuurlijk, geilheid zal altijd blijven bestaan, er zullen altijd wel venten zijn die zich surfend op internet zitten af te trekken. Bon, denk ik soms, het zullen misschien ook af en toe mijn foto’s zijn die daarbij ‘helpen’, en die gedachte is best bevreemdend. Maar weg krijg je dat niet. Je moet ermee leren leven.”Alice: “Ja. Zeker als we je op het podium van Humo’s Pop PollMaaike: “Dat was nog mijn eigen idee ook. Ik wou zware rock-’n-roll doen, iets met AC/DC. Ik heb dat in de woonkamer zitten oefenen, met een cassette. Ik verstond geen bal van die tekst, want die slaat ook nergens op. Maar het swingde wel. Dat korte jurkje had ik tijdens de repetities niet aangedaan. De muzikanten schrokken zich een aap toen ik die bewuste avond in latex aantrad.”Alice: “Dat zou ik dus niet durven. Ik heb iets meer schroom. Zolang ik me kan verschuilen achter een rol lukt het allemaal wel, maar als ik ergens moet staan als mezelf word ik zenuwachtig, overbewust.”

Pudeur?

Alice: “Als ik lol heb en vertrouwen voel, durf ik eerder apart uit de hoek te komen. Nu, meteen op tafels gaan springen is daar doorgaans niet bij, ik heb toch wel wat gêne. Wat je in de rollen die ik vertolk vooral ziet, is een gespeelde spontaniteit. Zet mij voor het grote publiek als mijzelf, Alice, en ik schijt zeven kleuren stront..”Maaike: “Pas op, ik was ook best zenuwachtig. Op het moment zelf dacht ik: wat heb ik nu weer gedaan? Mijn vriend Frans was er gelukkig bij en hij heeft als een ouderwetse roadie staan gillen: ‘Komaan, fuck them all, hey poepie, ga ervoor, rocky’s dóén zo, scheet, écht, die dóén zo.’ Maar Alice, toch vind ik het vreemd dat je zogenaamd beschroomder bent. Ik ken geen enkele vrouw die zulke gore moppen kan vertellen als jij.”Alice: “En die zijn echt niet voor publicatie vatbaar. Ze behoren tot de categorie poep, scheet, pis en seks, maar dan van het platte, oppervlakkige genre. Meer van het scatologische niveau en niet bepaald wat je vrouwelijke humor noemt. Maar ik kan daar erg om lachen. Laat een scheet en ik lig dubbel. Ik ben die kinderfase nooit ontgroeid. Maaike: “Ik ook niet, en daarom matcht het zo tussen ons. We zijn blijkbaar niet geëvolueerd. Dat staat dan weer in contrast met een ander aspect van jou, Alice. Jij zegt wel dat je chaotisch bent, maar ik vind dat je zulke mooie analyses kunt maken.”Alice: “Als ik dingen eerst iets van op afstand bekijk en mijn tijd neem, wil dat wel eens lukken met die analyses. Ik heb echter ook een kant in mij die heel impulsief is, waardoor chaos kan ontstaan.”

Maaike, jij zei eerder al in interviews dat je een chaotisch type bent. Hoe uit zich dat?

Maaike: “Ik denk...” Alice: “Voilà, daar heb je meteen een primeur: Maaike Cafmeyer denkt.”Maaike: “Mo zèg. Ik bedoel: er is in mij altijd die drang geweest om alles op één lijn te krijgen. Als kind had ik dat ook. Dan lag ik in mijn bedje en dacht: waarom loopt het bij mijn nichtje altijd zo goed? Ze heeft steeds goede punten, ze heeft leuke kleren, ze zit in de tennisclub, haar poëzieboekje met tekeningen is altijd netjes. Bij mij was zo’n boekje een warboel, tekeningen stonden door elkaar, bladeren waren eruit gescheurd. Mijn prestaties op school waren ook zo wisselend: ofwel een superpunt ofwel een dieptepunt. Ik voelde me meestal ook niet mooi, het was kortom alsof het bij mij nooit goed zou komen. En toch streefde ik naar die mooie rechte lijn. Ik wou overzicht en inzicht krijgen, en vooral de indruk hebben dat iets af was. Ik heb de zaken nog altijd niet rond, maar ik treur daar niet langer om. Toch blijft die drang bestaan om meer zicht op mijn leven te krijgen. Zolang ik dat niet verkrijg, vind ik dat ik in een vorm van chaos leef. Tegelijk heb ik nood aan contemplatie. Ik kan in een klooster zitten en me daar drie dagen in volledige rust geweldig amuseren.”Alice: “Ik ben van nature zeer onrustig, ik ren mezelf constant voorbij. Ik zoef naar een eindstreep, moet me onderweg de hele tijd tegenhouden, zodat ik me weer bewust word van het moment zelf, het nu. Hoe ouder ik word, hoe erger die onrust wordt. Ik zie mijn kinderen opgroeien en denk: ze zijn nu zeven en vijf, maar wat heb ik in de tussentijd eigenlijk allemaal gedaan? Meteen daarna zet ik mijn volgende sprintje in. Mijn vader heeft dat ook. Het is een familietrekje. Er moeten altijd dingen gedaan worden. Dus drie dagen in een klooster doorbrengen, ik zie het niet meteen gebeuren. De enige evolutie die ik écht maakte, is dat ik leerde te accepteren dat die onrust in mijn karakter zit. “Het helpt ook om voortdurend orde te brengen in mijn hoofd, daarna gaat het weer stukken beter. Bij mij moet er altijd opgeruimd worden, ook letterlijk. Mijn huis is bijvoorbeeld heel rustig. Tom en ik hebben weinig troep, we houden bewust weinig kleine spullen bij, omdat die anders te veel extra impulsen geven. Hoe minder materie, hoe minder onrust. Ik flikker graag alles weg. Toen ik nog studeerde, was ik blij wanneer mijn vuilniszak weer vol was, kon ik aan een nieuwe zak beginnen, een nieuwe orde. Nou, die fase is voorbij hoor. Orde schep ik wel nog graag in de camper waarmee we op reis gaan. Enkel heel functionele spullen mogen dan mee. Dat vind ik zalig. Bijna geen communicatiemiddelen, een minimum aan materie, je hebt alleen elkaar en zo weinig mogelijk impulsen.”

Een soort rijdend klooster.

Alice: “Ja, klopt. Eigenlijk is onze camper een rijdend klooster.”Maaike: “Ik herken wel heel goed wat je daarnet zei. Ik heb ook de indruk dat je zoekend naar geluk het in alle chaos gewoon soms voorbijrent.”

Zo’n groot woord, geluk. Wat zijn daar de componenten van?

Maaike: “Niets, het overkomt je. Je kunt het niet benoemen. Het is soms heel vluchtig, iets van drie absolute seconden.”Alice: “Geluk is geen status en kent geen werkwoordsvorm. Kinderen krijgen heeft voor mij wel enorm veel gerelativeerd. In moederschap vond ik toch voeding voor een stuk geluk. Ik heb natuurlijk niet voor kinderen gekozen om mijn geluk te vergroten. Zo werkt dat niet. Zo bewust was ik er niet mee bezig toen ik Tom leerde kennen, maar een week na onze eerste onstuimige ontmoeting zaten we al aan een cafétafel te vertellen dat we kinderen wilden. We hebben die ook snel gekregen. Het is een van de beste keuzes in mijn leven die bijdraagt tot, tja, mijn geluk.”

Kun je er ook bewust voor kiezen om geen kinderen te hebben, Maaike?

Maaike: “Dat heb ik niet bewust gekozen. Het is gewoon zo gegaan in mijn leven. Het deed zich gewoon niet voor.”

Werk draagt bij tot geluk?

Alice: “Jawel, alleen met de kinderen bezig zijn zou me snel vervelen. Ik vind het heerlijk me af en toe aan die verantwoordelijkheid van het moederschap te onttrekken.”Maaike: “Leven heeft bij mij altijd met werk te maken. Soms betekent werk vervulling, soms niet. Ik zou het ook niet anders willen. Ik heb ook nog zoveel dingen te doen. Ik heb overal schriftjes liggen, volgekrabbeld met ideeën en to do’s. Sinds een jaar of vier begint het allemaal te broebelen vanbinnen en verlangt wat in die schriftjes staat naar een vorm, een uitdrukking, een creatief eindproduct.”

Stel dat een bedenker, schrijver of regisseur iets voor jullie tweeën wil schrijven en produceren, wat zou dat kunnen zijn?

Alice: “Dat zou geweldig zijn.”Maaike: “Heerlijk, de gedachte alleen al. Dat men zich snel meldt.”Alice: “Het liefst een productie waarin we volwaardige vrouwenrollen kunnen spelen. Waarin uitvergrotingen niet geschuwd worden, waarin we figuren vertolken waar ‘een hoek af is’. De grens bewandelen van wat wel of niet kan.”Maaike: “Ik denk ook dat we samen heel ernstige rollen zouden kunnen spelen à la Queen Elizabeth en Mary Stuart.”Alice: “Hoe dan ook: we raken elkaar, dat is duidelijk. Er gebeurt iets als we samen zijn en dat hebben we op de set ondervonden. Alleen, zie ons weer bezig: we zitten hier tussen afspraken door, ik moet weg, Maaike trekt naar Nederland. En maar hollen en maar rennen. Tot we, tja, elkaar ergens onderweg weer tegengekomen, zeker?”Maaike: “Laten we dat vooral hopen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234