Maandag 08/08/2022

De verhuizing van de sirene

In haar nieuwe boek, Naar levend model, beschrijft Annie Cohen-Solal hoe Parijs langzaam zijn positie als kunstcentrum van de wereld kwijtraakte aan New York. 'Ik bekijk die kunstwereld als een entomoloog', zegt de schrijfster in een gesprek.

Annie Cohen-Solal

Naar levend model. De opkomst van Amerikaanse kunstenaars. Parijs 1867-New York 1948

Meulenhoff, Amsterdam, 496 p.,

29,90 euro.

Annie Cohen-Solal. Eind jaren tachtig van de vorige eeuw werd ze op slag zowat wereldberoemd met haar biografie van Jean-Paul Sartre. Dat boek werd een bestseller in meer dan vijftien landen en Cohen-Solal was een tijdlang een mediafiguur. Daarna werd het stil, maar in de luwte werkte zij voort. Na een academische carrière werd Cohen-Solal cultureel adviseur op de Franse ambassade in de Verenigde Staten. Daar maakte ze, zoals ze zelf schrijft, "kennis met de Amerikaanse musea en hun grandioze Franse collecties". Vooral de ontmoeting met de legendarische galeriehouder Leo Castelli spoorde haar aan om het boek te schrijven dat nu in Nederlandse vertaling is verschenen: Naar levend model. De opkomst van Amerikaanse kunstenaars. Parijs 1867-New York 1948.

In deze turf beschrijft Cohen-Solal hoe New York de rol van Parijs overnam als het artistieke centrum van de wereld. Zij doet dat uitvoerig en grondig gedocumenteerd. Meer dan op de kunstenaars en de kunstwerken spitst zij zich toe op de brede context waarin kunst evolueert. We krijgen portretten te lezen van kunstverzamelaars, kunsthandelaars, curatoren, museumdirecteuren, mecenassen, salons, kunstenaarskolonies, kortom wat zij zelf noemt "de ecologie van de kunst". Dat alles gelardeerd met talloze citaten en zuinig verlucht met een interessante selectie illustraties. Naar levend model heeft veertig bladzijden noten en een bibliografie van ruim twintig pagina's. Een boek voor het grote publiek is het niet echt, daar is ook het onderwerp te specifiek voor. En al is Cohen-Solal ook geen meeslepende stiliste, toch geeft haar boek een uitstekend en gedetailleerd beeld van de Franse en Amerikaanse kunstwereld van midden negentiende tot midden twintigste eeuw.

De leek zal af en toe wat moeten doorbijten, mede omdat veel van de Amerikaanse kunstenaars die ter sprake komen vóór de legendarische Jackson Pollock ons vrij onbekend zijn - net als tal van verzamelaars, handelaars, mecenassen en dergelijke. Daar staat echter Cohen-Solals grondigheid tegenover, en vooral haar ruime kijk op de dingen. Zij laat veelvuldig zien dat de evolutie van de kunst samenhangt met maatschappelijke ontwikkelingen van onderling uiteenlopende aard. Dat kunst, anders gezegd, geen autonoom organisme is, zoals het weleens in kunstgeschiedenissen wordt voorgesteld.

Die ruimhartige benadering, zeg ik tegen haar in de spreekkamer van een fraai Antwerps hotel, lijkt me de grote sterkte van haar boek. En de grande dame is er blij mee.

"Wat mij voor ogen stond, is die twee zo verschillende culturen, de Franse en de Amerikaanse, te proberen begrijpen door de kunstwereld te beschrijven. Die wereld leek me daar zeer geschikt voor. Door de vele verhalen, uiteraard. Maar misschien ook omdat er meer economische belangen in het geding zijn dan bij andere kunsten, en omdat je al die grote instellingen en al die rijke en invloedrijke mensen hebt. Wat ik betracht, is een soort ecologie van de kunst. Of beter nog: ik bekijk die kunstwereld als een entomoloog. De bewegingen die toen plaatsvonden! Dat boeit me mateloos."

Cohen-Solals verhaal begint in Parijs in 1867 en eindigt in New York in 1948 (met een hoofdstuk speciaal voor de Nederlandse editie over de belangrijke rol van Nederland in deze aangelegenheid). In een volgend boek wil zij de Amerikaanse succesjaren beschrijven, van 1948 tot 1998.

In 1967 vond in Parijs een wereldtentoonstelling plaats. Ook Amerikaanse schilders namen eraan deel, maar het werd een pijnlijke afgang. Ze werden bespot en weggelachen. Frankrijk had toen het monopolie inzake kunst en voelde zich onaantastbaar. Cohen-Solal beschrijft uitgebreid hoe stukje bij beetje de Franse hegemonie afbrokkelt, hoe het strakke, rigide systeem - de academies, de Salons, de behoudsgezinde musea - zijn greep verliest op de ontwikkelingen in de kunst. Hoe de roemruchte impressionisten daar handig op inspelen. En hoe uiteindelijk, langzaam maar zeker, de Amerikanen de zaak overnemen.

Gelijk met het verval in Frankrijk raakten in het puriteinse Amerika de schilders allengs af van hun stigma - als zouden zij paria's zijn. De positie van de kunstenaar en de kunst zelf veranderde er drastisch met de opkomst van de grootindustriëlen. Die zagen in de kunst een manier om hun eigen status en imago op te waarderen. En ze kochten, eind negentiende eeuw, massaal schilderijen van de Franse impressionisten en andere vernieuwers die in Frankrijk zelf te lang verguisd werden. Tekenend is dat in 1886 de belangrijke Franse kunsthandelaar Paul Durand-Ruel naar New York vertrok met driehonderd Franse schilderijen. Die historische vracht, die hij sleet aan Amerikaanse verzamelaars, ligt ten grondslag aan de schat aan schitterende Franse doeken die nog altijd in Amerikaanse musea te bewonderen is.

Zo is het makkelijk, zeg ik. Stinkend rijk zijn en de boel opkopen. Cohen-Solal lacht.

"Zo eenvoudig is het niet. Het is niet alleen een kwestie van geld. Natuurlijk spelen economische factoren mee. Maar er is veel meer. Hoe zou het anders komen dat je vandaag de dag geen grote kunstenaarsgeneratie hebt in de Golfstaten, die zo immens rijk zijn? Hoe komt het dat Nederland ten tijde van de Eerste Wereldoorlog zo'n belangrijke rol heeft gespeeld in de kunst? Of het Bauhaus? Het is een combinatie van allerlei elementen. Religie, allerlei instituten, de fiscale situatie, de demografie, de minderheden, de politiek. Bauhaus, bijvoorbeeld, is om politieke redenen opgehouden te bestaan."

Toch hebben in de omwenteling die ze beschrijft verzamelaars en handelaars een cruciale rol gespeeld.

"Zeker. Misschien meer dan de kunstenaars. Maar je mag niet vergeten dat de kunstgeschiedenis ook een geschiedenis van migraties is. De kunstenaars verplaatsen zich om de beste meesters te vinden, de beste musea, de beste mecenassen, kortom de beste omstandigheden om hun werk te doen. In de VS zijn de beste musea er gekomen vóór de meesters er waren. Dat is zo merkwaardig.

"Ook religie kan een belangrijke rol spelen. Die grote Amerikaanse industriëlen verzamelden kunst om status te verwerven. Maar mede uit religieus-ethische overwegingen beseften zij ook dat ze iets verschuldigd waren aan de maatschappij. Vandaar dat ze hun indrukwekkende verzamelingen ook schonken aan musea, aan de gemeenschap. Toen Carnebie het fameuze Carnebie Institute opende, in 1905, zei hij: 'He who dies very rich dies disgraced.' Men moest dus hard werken en goed verdienen, dat was een teken dat men opgemerkt werd door God, maar wat men verdiende moest men ook wegschenken. Daardoor zijn zoveel Amerikaanse musea ontstaan uit privé-giften. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Franse musea."

Het beslissende moment in de machtswissel tussen Parijs en New York is voor Cohen-Solal zonder twijfel de Eerste Wereldoorlog.

"Wat we dan zien", zegt ze, "is een soort zelfmoord van Frankrijk. Ik kan dat het beste illustreren met de familie Duchamp. Hun lotgevallen vormen een soort allegorie voor wat er toen met Frankrijk is gebeurd. De oudste zoon, Raymond-Duchamp-Villon, beeldhouwer, sterft tijdens de oorlog. Marcel Duchamp, de tweede zoon, verlaat Frankrijk vanwege de oorlog. In een brief schreef hij: 'Ik ga naar New York, ik verlaat Parijs.' Dat zegt toch genoeg? De oorlog rukt deze familie dus uit elkaar. En de nu zo beroemde Marcel Duchamp zal een heel belangrijke rol gaan spelen in de emancipatie van de Amerikaanse kunst."

Cohen-Solals geschiedenis is complex. Er spelen tal van factoren en omstandigheden in mee. Baanbrekende tentoonstellingen, een golf van Amerikaanse musea (110 nieuwe musea tussen 1910 en 1935), een gulle en slimme president (Roosevelt), een crisis die de creativiteit aanzwengelt, enzovoort. Maar vanzelfsprekend spelen ook tal van figuren elk hun rol in het proces. Cohen-Solal neemt de tijd om ze stuk voor stuk te situeren en te portretteren. Marcel Duchamp, Francis Picabia, André Breton, André Masson, Henri Matisse en zijn zoon Pierre, Picasso, Josef Albers, Hans Hofmann. En aan Amerikaanse zijde figuren als Edward Steichen, Alfred Stieglitz, de familie Stein, Alfred Barr, Paul Sachs, Leo Castelli en veel anderen.

Europeanen vluchten voor de oorlog en bevruchten de Amerikaanse kunst. Amerikanen als Stieglitz en Steichen pikken het allemaal razendsnel op en hebben op hun beurt grote invloed op de gretige Amerikaanse kunstenaars.

"De Verenigde Staten waren toen als een sirene voor veel Europese kunstenaars, zoals Parijs dat voordien was geweest voor Amerikanen. Een sterk voorbeeld is Mondriaan. Bij hem kun je zeggen dat hij naar de VS moest gaan, dat het niet anders kon binnen zijn persoonlijke traject. Eerst Amsterdam, dan Parijs, vervolgens Londen en uiteindelijk New York. Dat Europa op een gegeven moment zoveel van zijn avant-gardekunstenaars naar de VS zag vertrekken, heeft toch vooral te maken met de interne politieke problemen van Europa. En de Amerikanen hebben er duidelijk hun profijt mee gedaan. Dat kun je ze niet kwalijk nemen."

Al gaat Cohen-Solal niet uit van de kunstwerken maar van de context, toch kan ze vanzelfsprekend moeilijk om de kunst zelf heen. Centraal in haar verhaal staat het befaamde schilderij Les Desmoiselles d'Avignon van Picasso. "Wat met dat doek gebeurd is zegt veel over de verhouding tussen New York en Parijs op een gegeven moment. De Franse verzamelaar Doucet had na lang aarzelen het meesterwerk gekocht en het pontificaal in zijn verzameling gehangen. Na zijn dood wilde zijn vrouw het schenken aan het Louvre, maar daar was men gewoon niet geïnteresseerd. Dus is het kort daarop gekocht door het Museum of Modern Art in New York. En daar is het een topstuk van de collectie geworden. Ongelooflijk toch?" Naar levend model zit vol met dit soort verhalen en anekdotes. Vele al wel bekend, maar ook verrassende dingen. Vooral het beeld dat Cohen-Solal schetst van de Amerikaanse kunstenaars eind negentiende-, begin twintigste eeuw is interessant, mede omdat daarover nog niet veel tot ons is doorgedrongen. Opvallend persoonlijk schrijft Cohen-Solal, in het slothoofdstuk, over Jackson Pollock. Die heeft in haar woorden "als een moderne Prometheus het artistieke vuur naar Amerika gebracht". "Voor mij is Pollock een pathetisch personage. Hij was sociaal zeer gehandicapt, werd ondersteund door zijn broers, zijn moeder, zijn vrouwen, zijn psychiater, zijn mecenassen. En toch heeft hij iets groots gerealiseerd. Hij was de eerste in Amerika die de reis naar Europa niet nodig had om oorspronkelijke kunst te maken. Europa is naar hem gekomen, dank zij het Museum of Modern Art in New York, dat zowat het beste van de moderne Europese kunst bij elkaar had. Daar heeft hij alles gezien wat hij nodig had. Hij leert ook de cultuur van de native Americans, de Indianen, zeer goed kennen. En die kennis, van bijvoorbeeld de zandschilderingen, zal bepalend zijn voor zijn werk.

"Pollock heeft ook veel te danken gehad, zoals veel anderen, aan de politiek van Roosevelt, die zich inspireerde op het model van de marxistische revolutie in Mexico en geld gaf aan kunstenaars, die daarmee publieke kunst moesten maken. Daardoor kon Pollock lange tijd overleven, als in een communistisch bestel. Zijn befaamde drippings zijn tegelijk een synthese van al zijn ervaringen en een breuk met het klassieke schilderen. Pollock maakte als het ware vreugdedansen om zijn doeken die op de grond lagen. Dat beeld en die idee kan mij nog altijd ontroeren."

Annie Cohen-Solal is cultureel sociologe. Dat blijkt ook duidelijk uit haar boek. Ze 'leest' graag mensen en groepen en kijkt met verwondering toe wat er allemaal gebeurt. Heeft zij enig idee van wat er vandaag de dag aan de hand is in de kunst? Sommigen zeggen dat het crisis is. Anderen beweren dat de weelde en de verscheidenheid nooit zo groot zijn geweest.

"Een idee heb ik niet echt. Ik heb wel vragen. Op dit moment is er in ieder geval een erosie van de grenzen tussen de verschillende kunstvormen. Dat is duidelijk. Musea worden meer en meer laboratoria, waar verschillende kunstvormen door elkaar werkzaam kunnen zijn. Ook nationale kunst is minder en minder een begrip. Je kunt vaak niet meer zeggen uit welk land een bepaald kunstwerk afkomstig is. Dat vind ik een goede zaak. New York is ook zeker niet meer het centrum. Je hebt nu overal kleine centra. En het discours over crisis en het einde van de kunst enzovoort - pfft, het interesseert me niet. Net zomin als het einde van de geschiedenis. En het einde van dit en van dat. Wat zegt dat allemaal? Ook de vraag die tegenwoordig zo vaak wordt gesteld, is dit of dat nog kunst, vind ik niet erg relevant. Als iets of iemand vragen stelt bij de werkelijkheid of de samenleving en als dat niet past in de daartoe voorziene plaatsen, dan is dat ook goed. Of het kunst is of niet - voor mij is dat een ouwemannenvraag."

Nu lacht ze haast sardonisch.

Over ouwe mannen gesproken, vraag ik ten slotte. Hoe komt het dat vrouwen geen wezenlijke rol spelen in de kunsten?

"Vrouwen spelen wel een rol in de kunsten, vooral als vrijwilligers, als networkers, als filantropen. Ook vandaag de dag nog berust het economische leven van de kunstwereld vooral op het vrijwilligerswerk van vrouwen. Maar ze bekleden te weinig officiële functies en ook in de kunst zelf zijn ze ondervertegenwoordigd. Hoe dat komt? Ik weet het niet. Daar moet ik me nog eens over buigen. Ik heb nog veel te doen."

Bernard Dewulf

'Hoe zou het komen dat je vandaag de dag geen grote kunstenaarsgeneratie hebt in de Golfstaten, die zo immens rijk zijn?''Of het kunst is of niet, voor mij is dat een ouwemannenvraag'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234