Vrijdag 01/07/2022

InterviewKyana Dobbelaere

De weduwe van Miguel Van Damme: ‘De living stond vol met kloeke beren die weenden, maar Miguel zelf toonde geen emotie meer’

null Beeld RV
Beeld RV

Tot twee weken voor zijn dood is Miguel Van Damme (28) blijven geloven dat hij zou genezen. Hij zou léven, zo bleef hij het ook zeggen tegen z'n vrouw Kyana (29). ‘Tot hij op een dag zei: bij de volgende match van Cercle ben ik er niet meer. Zijn manier om te zeggen: regel m’n afscheid maar.’

Sabine Vermeiren

In het huis dat ze samen kochten, voelt het sinds 29 maart koud en kil. De zetel waar hij altijd lag: leeg. Gelukkig is er dan Camille. Met haar tien maanden veel te jong om te beseffen wat er aan de hand is en dus alleen maar bezig met hoofdzaken. Zoals tandjes krijgen. “Dat is best pittig”, zegt Kyana. Alle jonge moeders weten dat ze gelijk heeft. Maar weinig jonge moeders moeten erdoor als prille weduwe.

Sinds de uitvaart is er een week voorbij. In kranten en op tv, iedereen zag de beelden van de moedige vrouw in het zwart, vooraan in de Sint-Blasiuskerk in Jabbeke, die een tekst voorlas. Het slotakkoord van acht jaar samen, waarvan zes ziek. Een verhaal dat begon in 2014. En dat Kyana, bij koffie, reconstrueert aan haar livingtafel.

Bekijk ook: Fans van Cercle Brugge brengen hulde aan Miguel Van Damme

“Ik was 20 toen Miguel me op Facebook op een dag een bericht stuurde. Ik kende hem niet, hij was voetballer, zei hij. Ik weet nog dat ik dacht: ‘een voetballer, wat moet ik dáár nu mee?’ Eerst ging ik er niet op in, maar hij hield vol en we gingen naar de cinema. De keer erna naar Oostende. Na Oostende een etentje. Nóg een etentje en we waren vertrokken. Minder dan twee jaar later kochten we dit huis. We gingen snel, dat wisten we zelf ook wel. Maar achteraf denk ik: gelukkig maar want vier maanden later was hij ziek.”

null Beeld RV
Beeld RV

“Ik zeg nu ‘ziek’, maar zo heeft het in die beginperiode nooit gevoeld. Je zag niks aan Miguel, hij voelde ook niks. Maar er wás wel iets, dat hadden ze in z'n bloed gezien. Toen het woord ‘leukemie’ viel, zijn we beginnen wenen- eerst ik, dan hij. Het eerste waar je aan denkt is doodgaan. Je wereld stort in. Je hoort dokters uitleggen dat je moet rekenen op drie jaar herstel, maar het dringt niet door en de dag erna lig je al op een isolatiekamer en eet je zes weken kiemvrije pakjesvoeding. Nadat je eerst nog gauw je zaad hebt laten invriezen - want ja, een kinderwens. En de hele tijd denk je alleen maar: waar zijn we mee bezig?”

“Die eerste keer dat Miguel genas, geloofden we dat écht. Het was een slecht hoofdstuk geweest, hij was weer oké, we zouden ons leven aftrappen - nu voor écht. Leukemie was een ziekte waar mensen van doodgaan, dat waren we niet vergeten. Maar mensen genezen er ook van en we rekenden ons bij die goeie helft. We genoten weer, we trouwden, ons huis was intussen in orde, er was toekomst. Of dat dáchten we toch.”

“Het herval, ik kan dat niet anders omschrijven dan de complete shock. Opnieuw hadden we niks gezien, niks gevoeld en toch was het er weer. De keer erna: net zo. Je zou misschien verwachten dat, als je maar vaak genoeg hervalt, de shock kleiner wordt, maar nee dus. Vijf keer hebben ze de leukemie uit z'n lijf gekregen, vijf keer hebben we gedacht dat het leven weer verder ging en vijf keer viel de hemel op ons hoofd als dan bleek dat het terug was gekomen. Ik denk wel eens: hoe dééd ik dat? Hoe hield ik dat vol? Intussen weet ik: ik hield het vol omdat Miguel zo sterk was. Op zeker ogenblik pak je dat over. Alsof je superkrachten krijgt.”

null Beeld RV
Beeld RV

“Ik denk dat iedereen in onze omgeving na de zoveelste terugval zag hoe slecht het ging, behalve Miguel zelf. Hij sprak er ook weinig over en bleef in alles topsporter. Blijven vechten, nooit opgeven. Ik ben jarig op 24 maart. Vorig jaar - hij zat dan al in een rolstoel - had hij geregeld dat we op weekend naar Nieuwpoort konden. Eigenlijk ging dat al niet meer, maar hij stond erop, ook daar zag je weer: hij ontkende hoe slecht het ging. Ik was intussen hoogzwanger, ik zie me daar nog aankomen, met valies en rugzak achter z'n rolstoel. Als ik daaraan terugdenk, dat was niet verantwoord. Miguel is dat weekend een paar keer gevallen, dat bracht hem aan het huilen. Het brak z'n hart dat ik hem moest oprapen terwijl ik door m’n buik niet eens in staat was m’n veters te knopen. Toch waren we achteraf blij dat we ‘t hadden gedaan, dat weekend. Al wisten we toen niet dat het ons laatste zou zijn.”

Miguel en Kyana, op haar verjaardagsweekend in Nieuwpoort Beeld RV
Miguel en Kyana, op haar verjaardagsweekend in NieuwpoortBeeld RV

“Kort voor mijn bevalling zat Miguel er volledig door. Hij lag in het ziekenhuis, had pijn, het ging niet meer, dat is de énige keer dat ik hem heb weten zeggen dat het mocht ophouden. Ik heb gesmeekt om te blijven want dat hij ons kind nog moest zien. ‘Is goed’, zei hij. ‘Maar laat me dan naar huis gaan’ en hij had gelijk want hij bekwam. Toen Camille in mei geboren werd, wás hij er. Hij heeft dat heel intens mee beleefd, ik heb hem toen zelfs zien lachen en ik wist: hiérvoor hebben we ‘t gedaan. Maar bij thuiskomst is hij helemaal ingestort. Hij kon niet meer. En als ik eerlijk ben: ik ook niet. Die eerste avond, Camille was aan het krijsen, Miguel geraakte de trap niet meer op, ik ben beginnen huilen en ik heb gezegd: ‘Ik ga dit nooit kunnen.’ Er zijn dan in die eerste weken wat mensen komen helpen - mijn mama, mijn zus, Miguels familie - maar ik vond dat moeilijk. Ik wilde het zo graag allemaal zelf doen en na een tijdje lukte dat ook weer wel. Ik vond een ritme: eerst voor de ene zorgen, dan voor de andere. De ene uit bed halen terwijl de andere sliep.”

“Aan alles zag ik dat Miguel zielsveel van Camille hield, toch blijf ik achter met het gevoel dat hij zich nooit helemaal aan haar heeft durven geven. Was hij misschien bang om zich te hechten? Ik weet het niet. Het verscheurde hem dat hij niet kon helpen en dan zei hij altijd maar sorry. Sorry dat hij haar niet kon optillen. Sorry dat hij haar geen andere pamper kon geven. Sorry dat hij geen rondjes met haar rond de tafel kon lopen als ze getroost moest worden. Hij voelde zich daar vreselijk om. Maar natuurlijk snapte ik het wel, hij kon het écht niet, hij had de kracht niet, hij was te ziek. Maar als ik dan bijvoorbeeld eens met de auto door de stad reed en papa’s zag met buggy’s, deed dat pijn, ik zou liegen als ik zei van niet.”

“De laatste tien maanden - eigenlijk sinds Camille geboren is: dat was Miguel niet meer. Elke dag moest ik hem smeken om op te staan, vaak lukte dat pas om drie uur. Tegen dat we dan gedoucht raakten, zijn kleren aan waren en naar beneden waren geschuifeld waren we soms twee uur verder. Maar als ik hem dan beneden zette met z'n koffietje en z’n cornflakes, voelde hij zich weer beter en zei hij ‘sorry dat het zo moeilijk was’. Zo is het eigenlijk die hele laatste tien maanden gegaan. Dat was heftig. En toch bleef Miguel plannen maken. ‘Over twee jaar speel ik weer’, zei hij dan bijvoorbeeld plots. Twee jáár? Hij geloofde dat echt.”

null Beeld RV
Beeld RV

“Miguel en ik, wij hebben eigenlijk nooit gepraat over doodgaan. Hij wou dat niet en als ik eerlijk ben ikzelf misschien ook wel niet. De laatste weken voelde ik dat het moést. Je zag aan alles dat het niet lang meer zou duren en er waren dingen die ik moest weten. Hoe wou hij sterven? Wat voor begrafenis moest ik regelen? Welke muziek wou hij? Ik kon hem maar één afscheid geven, je krijgt geen herkansing, het moest mooi zijn. En dus moésten we praten maar hij kon het niet. ‘Morgen’, zei hij dan telkens weer. Om het de volgende dag tóch weer niet te willen. Maar het hield hem wel bezig want op een dag zei hij tegen m’n zus Shani. ‘Als ik er niet meer ben, wat vind je dat ik dan moet dragen? M’n trouwkostuum? Of m’n keeperstenue?’ Toen begreep ik: hij en ik, wij zullen dat gesprek nooit hebben want hij kan dat niet en dat is oké. Shani heeft het dan gehad in mijn plek, dat was heftig maar alles wat gezegd moest worden, is gezegd. Wie z'n kist moest dragen. Dat mensen geen bloemen moesten geven, maar moesten storten voor kanker. Z'n uitvaart, zo zei hij tegen Shani, hij wou het ‘niet overdreven en rustig’. Met muziek van André Hazes. ‘Maar maak er geen schlagerfestival van.’ Achteraf heb ik hem gevraagd: ‘Is het goed dat ik een tekst voorlees?’ ‘Ja, maar doe het duidelijk en verstaanbaar en zeg dat ook tegen de rest’.”

“In het weekend van 13 maart, dat is twee weken voor hij zou sterven, hadden we bezoek. Er werd gepraat over de match van Cercle op 3 april. ‘Dan ben ik er niet meer’, zei Miguel ineens. ‘Alles is geregeld met het ziekenhuis: de maandag ervoor sterf ik.’ Ik stond perplex. Ik wist van niks. ’Ik heb meteen het ziekenhuis gebeld, wat hij had gezegd klopte niet maar het zijn manier geweest om te zeggen ‘regel het maar’. Ons eerste gesprek over doodgaan, dat hebben we pas toén gehad. Ik denk dat hij er in z'n hoofd al lang mee bezig was maar hij had 24 maart nog willen halen. Mijn verjaardag. ‘Ik hoef niet veel meer, gewoon thuis zijn met jou en Camille. En nog van een paar mensen afscheid nemen’.

“De dagen daarop zijn er vrienden langsgekomen, één voor één zijn ze bij hem gaan zitten. Miguel heeft daar wel nog van genoten maar hij was al ver weg. Het was raar: deze living, vol met kloeke beren die weenden, maar Miguel zelf toonde geen emotie meer. We zijn ook nog gaan eten in zijn lievelingsrestaurant en hij kloeg niet, maar we zagen wel de pijn. Hij was afwezig, eigenlijk was hij er al niet meer.”

null Beeld RV
Beeld RV

“We zouden op maandagnamiddag binnengaan in het ziekenhuis, de dag ervoor werd Miguel plots heel praktisch. ‘Hier, de code van mijn gsm.’ ‘Die fiets in het berghok: vergeet die niet terug te brengen naar Cercle.’ ‘M'n voetbaltruitjes, geef die maar aan mijn ouders.’ ‘En de jacuzzi in de tuin: als je die ooit wou willen verkopen, dit is wat je er nog voor kan vragen.’ Op maandagochtend zei hij: ‘Ik heb stress.’ Hij was ongewoon vroeg wakker en had ook moeten overgeven, dat deed hij normaal nooit. Ik heb hem die ochtend afscheid laten nemen van Camille, dat is het moeilijkste dat ik ooit heb moeten doen. Hij heeft niet veel meer gezegd. Alleen maar dat ze flink moest zijn bij mama en dat hij altijd trots zou zijn. Toen ik met haar de kamer uitliep, zei ze ‘dada’ en zwaaide ze met haar twee handjes. Dat heeft ze nog maar net geleerd.”

“En dan zit je daar. Wat zeg je nog tegen elkaar als je uren later gaat sterven? ‘Misschien wil ik nog wel Quick eten’, zei Miguel ineens.’” Kyana haalt haar smartphone boven. Op haar scherm: een beeld van een man, vel over been, achter een Giant en een portie friet. Zijn duimpje omhoog, rond zijn mond een glimlach. “Hij heeft er amper van gegeten - misschien vier frietjes en een kwart burger - maar dat was goéd. Niet veel later zijn we vertrokken. Ik dacht: hij gaat nog rondkijken, maar dat deed hij niet, hij zwaaide alleen nog naar Shani. ‘Bedankt voor alles, ik ga altijd meekijken.’ Om dan de laatste keer de straat uit de rijden. De laatste keer samen op de autostrade te zijn. De laatste keer naar de radio te luisteren. Je weet alletwee: dit is de rit naar de dood. We zeiden niet veel meer, we hielden alleen maar stevig elkaars hand vast.”

“Miguel had niet gekozen voor euthanasie, dat vond hij te bruusk. Liever wou hij palliatieve sedatie. We hadden afgesproken dat, behalve ik, ook z'n ouders, z'n oma en z'n zus erbij zouden zijn.” Op de smartphone opnieuw een foto. Een man met een verkrampte glimlach, op een bed, in een trainingspak van Barcelona en daarrond vijf mensen die niet weten hoe ze moeten kijken. “Hij wou nog naar toilet, zei hij, maar hij bleef lang weg, ik werd ongerust en ik ging kijken. Hoe hij me daar nog heeft vastgepakt, dat zei alles. Toen hij z'n spuitje kreeg, zat ik naast hem. Ik weende. Ook de anderen weenden, dat vond hij niet leuk, we mochten geen drama maken, zei hij. Hij wou nog één ding: hij vroeg of de tv aan kon, er was voetbal. Barcelona speelde. ‘M’n lievelingsploeg’ zei hij. Daarna deed hij van ‘sshhht’, alsof alles gezegd was en hij viel in slaap. De hele verdere dag zijn we naast hem blijven zitten en hebben we gezegd dat hij niet bang moest zijn. In de nacht die volgde, gleed hij weg.”

null Beeld RV
Beeld RV

“Miguel is opgebaard in zijn Cercle-tenue, dat wou hij zo. Sommige mensen vreesden die aanblik en durfden hem niet gaan groeten, maar ik zei ‘gá, het is mooi’ en dat was het ook echt. Ik heb die dagen beleefd in een roes en natuurlijk was ik triest, maar misschien ook wel een soort van... verlost ofzo. Ik heb jarenlang afscheid genomen van Miguel, ik kan de keren niet tellen dat ik dacht ‘hier stopt het’ waarna het dan tóch niet stopte - en gelukkig maar. Maar je houdt dat niet vol. Hoe hij hier dan zat te roepen van de pijn en hoe zijn pijnstillers erdoor vlogen op dagen in plaats van op weken, dat was geen leven, voor niemand.”

“Ik weet niet wat de komende tijd mij brengt, als ik één wens heb, laat het dan een min of meer ‘normaal' leven zijn. Eens vriendinnen zien. Gaan wandelen met Camille zonder bang te zijn dat er thuis ondertussen iets misgaat. En op een dag ook weer gaan werken. Ik ben kapster, ik zou graag weer in het salon staan. Het is, door de zorg voor Miguel alweer jaren geleden. De hele simpele dingen: ik hoop dat ze weer terugkomen. En dat er nog iets goed ligt voor mij, het moét.”

null Beeld RV
Beeld RV

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234