Woensdag 10/08/2022

December,maand van het kapotte

Schrijver Luuk Gruwez blikt een laatste keer terug op de afgelopen maand zoals hij die ervaren heeft in het jaar '01, het hummeljaar van het nieuwe millennium.

Foto stephan Vanfleteren

December biedt de gedroomde accommodatie voor wie zich wil wentelen in het besef volstrekt waardeloos en nutteloos te zijn. Het is de maand waarin men minstens driekwart van de dag bezig is met achterhalen of men wel voldoende lief wordt gehad, alsook waar, wanneer en door wie. December stimuleert, wanneer het rijk der duisternis zijn gloriedagen beleeft, de gevoelens van onbeduidendheid zozeer dat mensen gewillig capituleren voor de commercie die hen ertoe aanzet elkaars verprutste ego's middels idiote geschenken op te waarderen.

Er is in december bijna nooit goed nieuws. Dus dient er met behulp van kalkoenen, boterletters, engelenhaar en kerstballen per se te worden bewezen dat het bestaan nog lang niet in de uitverkoop is. Het kan niet anders of daar is een veelvoud aan leugens en feesten voor nodig. Maar echt goed nieuws? Nee hoor! Goed nieuws is er enkel voor doorgewinterde cynici die verkondigen dat wat zij altijd al hadden gedacht ook klopt: dat niets meer naar de kloten kan gaan, doordat alles daar godzijdank reeds is. Men wordt geboren en men heeft het beste al gehad. Zelfs het kindeke Jezus in zijn kribbe: pas gebaard en al van top tot teen geëquipeerd voor de fatale nederlaag.

Puik nieuws is verder nog dat er, ook wat het van de sint verworven speelgoed betreft, niets meer stuk kan, doordat alles vanaf het eerste kwartier al zo verknoeid en verneukt is dat je er niet eens je sociaal minst bedeelde klasgenoot mee overtroeven kunt. En het is, echt waar, alsof ook de natuur alleen nog over voorgoed verwoest speelgoed beschikt, alsof zij gebombardeerd is en er niets meer van overblijft dan een soort Dresden, Hiroshima of Sarajevo, in jaartallen als giganteske littekens op de huid van de geschiedenis. Alsof zij uit skeletten bestaat, van mensen of van bomen: doet er niet toe. Alsof het overal winter is en er nooit iets anders heeft bestaan of zal bestaan. Alsof alles oud is. En inderdaad: alles is oud.

December schreeuwt om kitsch en is het roerend eens met Friedensreich Hundertwasser: 'The absence of kitsch makes our life unbearable.' Sneeuw is het zuiverste maar tegelijk het meest kitscherige dat de natuur in haar offerte heeft. Dus smeekt eenieder die aan december ontsnappen wil: geef ons sneeuw, geef ons alstublieft dat plaatsvervangende licht uit een hemel die zelf aan zijn laatste echte licht toe is.

(Toen ik nog een kind was, zei mijn oma telkens als het sneeuwde: "Onze-Lieve-Heer is weer zijn geld aan het tellen, en hij laat daar af en toe wat van vallen." Vaak liet zij daarop volgen: "Nu begrijpt ge misschien waarom de zwartjes in Afrika niet alleen zwart zijn maar ook arm, want in Afrika, daar sneeuwt het natuurlijk nooit.")

Maar terzake. Gij Here God daar, Gij daar in den Hoge, Gij die in principe nogal gaarne uw geld telt boven onze streken, laat alles ondersneeuwen, 'Erbarme dich Mein Gott', dek alles met de universele bedsprei toe, zodat niemand nog merkt wat hij kwijt is, zodat niemand zich nog herinnert wat en vooral wie hij mist. Want zo rond het eind van het jaar, op de ogenblikken dat iedereen bij elkaar pleegt te zitten, ziet men veel beter wie er ontbreekt dan wie er is. En eigenlijk komen alle vragen dan alleen nog hierop neer: is december de optel- dan wel de aftreksom van alle voorafgaande maanden?

Was het overigens een goed jaar? Het was het eerste van honderd en van duizend jaren. Het was een jaar van chaos, van bof en pech, van catastrofes en triomfen, van reizen en schrijven tegen de tijd. Het begon in het Ardense Baillamont, hartje januari nog, zes dagen staalblauwe luchten en diepe vorst. Wij - Totje, W. en ik - logeerden er in een landhuis, pal naast het kerkhof. Tijdens lange wandelingen verbroederden wij met de faunen van het woud, die de gedaantes van grillige ijspegels hadden aangenomen. Langs Lesse en Semois zagen wij - alsof de Ardennen louter uit calvariebergen bestaan - opvallend veel grote houten kruisen met stervende verlossers, die ik telkens weer een jolig 'Merde!' toewierp. De streek wekte de indruk dat alles er gerookt was, dat alles geconserveerd moest worden: de lucht, het vlees, de mensen, de balken in de zolderingen en ook dat nog prille 2001. In Corbion kwamen wij voorbij een kapperszaak, die blijkens de winkelruit heel toepasselijk Diminutif heette. Wij savoureerden de namen van de plaatsen en de dorpen: Le Pic du Diable, Le Tombeau du Géant, Mon Idée, Vresse, Rochehaut en Frahan. Wij degusteerden de streekbieren: La Médiévale, Tentation de la Semois, Cuvée de Bouillon. Terwijl het radiojournaal melding maakte van de moord op Laurent-Désiré Kabila aten wij in een restaurant in Poupehan het allerlaatste wild van het seizoen, waarna het zonder noemenswaardige overgang lente werd en de lucht weer tintelde van hoop en van het vrolijke bedrog van het voorjaar.

2001 was het jaar waarin ik, zelf voor het eerst in meer dan dertig jaar rookvrij, vier meeslepende aprilnachten doorbracht in de rokerige fadokroegen van Lissabon, in het gezelschap van Totje, van Z. en van P., de muzikale vriend die met hetzelfde naturel als de plaatselijken aan de saudade was, als anderen aan de fles. Wij hoorden António Rocha in een vrijage met de Portugese taal zijn fado zingen over die wellust van de weemoed. 'Deixa-me ser a luz do teu caminho.' ('Laat mij het licht zijn op jouw pad.') Het was één uur in de nacht in Bairro Alto en 's anderendaags, tegen de middag, op de markt van Alfama, waar P. en ik samen veertig paar sokken kochten ('voor als het nog eens oorlog werd'), zouden wij een verkoopstertje zien, misschien tien of elf jaar oud, in een rode trui waarop een teddy stond afgebeeld. In haar ogen - om met Du Perron te spreken - 'reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen' en - ook daar kon je niet naast kijken - alle saudade van heel Lissabon. Het was, niettemin of net daarom, een goede plek en het was een goede tijd.

Maar tegen de ochtend van de volgende dag droomde ik dat Totje, Z., P. en ik helemaal niet in Lissabon waren, maar ergens in Afghanistan. Bovendien was ons verblijf aldaar niet toevallig. Wij maakten deel uit van een officiële delegatie, die moest toezien op de correcte naleving van een nieuw ceremonieel: het zou mensen, wanneer een van hun dierbaren kwam te overlijden, voortaan ten stelligste verboden zijn nog langer wit als rouwkleur te dragen, zoals bijvoorbeeld in India, of zwart zoals bij ons. Nee, alle rouwen moest vanaf nu in het roze, en wat de vrouwen betreft in een roze boerka. Overtreders moesten zonder pardon standrechtelijk geëxecuteerd worden, waarna er natuurlijk opnieuw uitgebreid gerouwd moest worden en zich weer de situatie voordeed waarin al wie dat niet in het roze deed zonder aanzien des persoons omgebracht moest worden. Ten langen leste zag heel Afghanistan tot in de kleinste negorij roze van het rouwen. De droom was vreemd, omdat de Taliban in die maand de boeddhabeelden van Bamiyan nog niet hadden vernield, laat staan dat Bin Laden en de aanslag op de Twin Towers al aan de orde waren. Ook het woord 'boerka' was mij, geloof ik, nog onbekend. Maar - acceptabel of niet - ik hield van dat rare, antieke stuk textiel met het fameuze tralieraampje ter hoogte van het gezicht. Onder zo'n kledingstuk kon alleen maar een angelieke verschijning verborgen zitten. Ging lelijkheid vrijwel nooit met mysterie gepaard, schoonheid deed dat des te meer. Ik droomde van een land vol roze rouwende vrouwen in wapperende boerka's.

2001 was het jaar waarin wij in de Cevennes, ten huize van M. en K., en voorts in het gezelschap van H. en A., hoog boven het dal, tijdens de avond van Maria-Hemelvaart, door ons Maria-Spoetnik genaamd, liederen aanhieven ter ere of ter schoffering van de Maagd, liederen die wij vervolgens blijmoedig vermassacreerden tot allerlei schunnigheden en vunzigheden. Het hogere, vonden wij, mocht pas scoren bij de gratie van het lagere. Het hogere hoorde gewoonweg bij het lagere, net zoals het stralende verhevene bij het duistere verzwegene hoorde of het dal bij de heuveltop. De hele avond hadden wij maling aan de toekomst van de wereld die beneden ons lag en er bestond geen andere actualiteit dan die van de wijn in ons glas.

Ook dat was een goede plek en het was een goede tijd. Maar die nacht, opnieuw in een droom, werd ik met een heel ander tafereel geconfronteerd. In Zuidwest-Vlaanderen werkten vele miljoenen mensen in wat Welfare Valley werd genoemd. Dag en nacht sloofden zij zich perfect gedrild uit voor de afschaffing van dag en nacht, van einde en begin. Zij waren, met andere woorden, noch min noch meer bezig dan met de fabricage van de eeuwigheid. Uit de vloeren van de diverse bedrijfseenheden steeg passende muziek op, die enkel af en toe werd onderbroken voor stichtelijke uitspraken. Een ervan was afkomstig van Fernando Pessoa: 'Ik heb alle voorwaarden om gelukkig te zijn, behalve het geluk.' De eeuwigheid was zo goed als klaar. Het kwam er nu op aan als het ware in een moeite door ook het eeuwige geluk uit te vinden en dat vervolgens op grote schaal te reproduceren. 's Ochtends schoot ik wakker. Het was zaterdag. Zaterdag, waterdag, dus ging ik mij uitgebreid wassen in de open lucht, in een stenen bassin achter het huis. Ik keek uit over het dal. Alle nevelachtigheid die zich de avond voordien nog in mijn hoofd had bevonden, had zich inmiddels daar beneden neergevlijd. Het landschap kreeg er iets vredevols door en het verwierf een zekere tover. Datgene wat wij mystiek plachten te noemen: natuurlijk was het enkel en alleen chemie of fysica of biologie, maar misschien konden wij het toch maar beter mystiek blijven noemen. Augustus neigde nog niet naar zijn eind en ik zag al volop herfst. In de verte doemde al de dwaze duisternis van die dwaze december op. Ik zag alles minder worden. Straks zouden Totje en ik nog verder zuidwaarts trekken, naar de flanken van het Lubéron-massief, waar de zomer niet zo'n vaart had en van lanterfanten, slenteren en sluimeren hield. Ik telde de dagen dat het jaar nog de moeite waard zou zijn. Veel waren het er niet meer. Het was nu echt wel de hoogste tijd voor de eeuwigheid.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234