Maandag 26/09/2022

DIERBARE HUGO,

Vier jaar geleden overleed Hugo Claus: een persoonlijke memorie van Marc Didden

f ik ooit in Hugo Claus' leven gekomen ben durf ik te betwijfelen, maar ik weet nog wel precies wanneer de grote schrijver in het mijne verschenen is. Dat was in 1960 - ik was dus elf - en het gebeurde in de catacomben van het toen nog zo goed als nagelnieuwe Centraal Station in Brussel. Om redenen die wellicht te maken hadden met lelijke woorden als 'ontvoogding' en 'cultuurspreiding' werd daar een heuse Vlaamse Boekenbeurs gehouden, die paupers en proleten, pendelaars en passanten op vlotte wijze moest voorzien van allerhande verheffend drukwerk.

Op een dag moesten we in schoolverband een collectief bezoek brengen aan de beurs en dat gebeurde via een korte maar fikse wandeling van bij de poorten van het Sint-Jan Berchmanscollege tot aan de kelder van het hoofdstedelijke 'hoofdbaanhof'. De volksverplaatsing vond plaats onder de leiding van een eerder fysiek ingestelde pater jezuïet, over wie ik later in de krant mocht vernemen dat hij iets té fysiek ingesteld was.

Om een reden die ik vergeten ben, wilde ik er De Oostakkerse gedichten van een zekere Hugo Claus kopen. Maar de jezuïet van dienst raadde mij dat af. "Waarom?" "Daarom!" Zijn heilige uitleg kwam erop neer dat Claus vuile praat schreef en te weinig punten en komma's gebruikte.

Kort daarop zat mijn vader aan de keukentafel een kruiswoordraadsel op te lossen, een tijdverdrijf van hem waarvoor hij wel eens een exemplaar van Elseviers Weekblad in huis haalde, omdat daar volgens hem de moeilijkste woordpuzzels in stonden. Die week stond 'mijn' Hugo Claus op de cover. Een Vlaamse Schrijver zonder ringbaard en met een zonnebril , dat beviel mij wel. Hij had het over Rome en Parijs, over Cubaanse sigaren en Campari Soda. En ook dat beviel me.

Ik was al, zonder dat ik ooit een woord van hem gelezen had een keiharde fan.

Pas een tijd later werd ik met het werk van de man geconfronteerd. Op een dag legde een vriend van me - ik was inmiddels van het roomse naar het wereldse onderwijsnet verhuisd - een exemplaar van Claus' roman Omtrent Deedee op mijn lessenaar. Hij had het van zijn vader 'geleend' en Claus had het nog eigenhandig gesigneerd, in zijn Oostendse dagen.

Ik heb het nog diezelfde dag gelezen. En ik begreep er helemaal niks van, maar ik vond het wel fantastisch. En dat vind ik nog altijd.

Een jaar of tien later had ik het geluk mij in Amsterdam te bevinden bij de première van Claus' toneelbewerking van zijn Omtrent Deedee die nu heel terecht Interieur heette en waarvan ik, terwijl ik de voorstelling bekeek, dacht: "Daar maak ik later ooit een film van!", overigens een van de vele beloftes die ik nooit gehouden heb.

Het eerste oogcontact

Het zou nog bijna tot het einde van de jaren zestig duren eer ik Claus eens in het echt ontmoette. En 'ontmoeten' moet in dat geval vooral gezien worden als een werkwoord dat alleen vertaald kan worden als een jeugdige soort van wensdenken. Ik werkte in die dagen als student in de Free Press Bookshop aan de Brusselse Spoormakersstraat, vlakbij de Grote Markt, en omdat er niet zo gek veel klanten langskwamen, keek ik wel eens door het raam naar buiten. Op een dag zag ik daar warempel Hugo Claus staan. Hij had zijn grote Romeinse keizerkop tegen de vitrine aangedrukt, terwijl hij met zijn ogen de hele inhoud van de etalage aftastte.

Ik hoopte innig dat de schrijver de winkeldeur zou openen en even mijn klant zou zijn of desnoods vragen hoe het met de verkoop van zijn eigen boeken zat. Maar voor zulke dingen had hij personeel, begreep ik later, en hij stapte tijdens het maken van een vriendelijke hoofdbeweging weer verder.

Mijn eerste échte ontmoeting met Hugo Claus voltrok zich uiteindelijk in de barre winter van 1972, in de kantine van de Stadsschouwburg van Amsterdam.

Op de toneelschool die ik in die dagen bezocht, waren wij door docenten als Alex Van Royen en Carlos Tindemans behoorlijk opgeleid tot volbloed Clausfans. Die twee uitstekende leermeesters hadden het in klasverband ook altijd over 'Hugo' wanneer ze de gevierde schrijver bedoelden. Die familiariteit stoorde me wel enigszins maar ze hield wel steek omdat het triumviraat Claus, Tindemans, Van Royen toch enkele jaren daarvoor samen het nog steeds zinvolle pamflet T68 geschreven had en Alex Van Royen ook meerdere malen als acteur optrad in voorstellingen die Claus de schrijver voor Claus de regisseur schreef.

Claus was zeer voorkomend, toen ik hem daar bibberend en mompelend bedankte omdat ik in het theater stage mocht lopen bij zijn werk aan De vossenjacht, een Venetiaans verhaal naar Volpone van Ben Jonson. Ik was zo onder de indruk van Hugo Claus - en van zijn wonderlijke cast, die bestond uit coryfeeën als Guus Hermus en Fons Rademakers, de betreurde Els Ingeborg Smits en Alex Van Royen zelf - dat ik de hele zes weken lang die mijn stageperiode uitmaakten geen enkele keer iets heb durven te zeggen tegen de schrijver-regisseur, ook al vroeg Claus me af en toe, slechts zeer lichtjes spottend: "En wat denkt de expert ervan?" Hij heeft toen wel, na afloop en ten behoeve van de schooldirectie, met zijn kroonpen een briefje geschreven waarin hij zijn tevredenheid over mijn aanwezigheid uitte. Ik heb het briefje lang bijgehouden, maar toen ik in mijn wilde jaren eens van huis en van lief veranderde, heb ik het verloren. Story of my life. Overigens vroeg Claus me in die tijd ook eens in de Leidsestraat, waar ik De Standaard gaan kopen was, of ik last had van heimwee en of het daarom was dat ik er altijd zo triestig bij zat in het repetitielokaal aan de Marnixtraat. "Nee", zei ik. "Ik denk dat ik gewoon liefdesverdriet heb". Hij kocht snel een pakje sigaretten en terwijl hij al verder stapte richting Keizersgracht zei hij, vaderlijk en dus niet sentimenteel: "Nou, dan zou ik zo snel mogelijk een andere jonge dame inschakelen." Ik heb toen geluisterd. Zijn advies bleek een uitstekende remedie.

De vossenjacht was niet het beste stuk van de wereld en was al evenmin de merkwaardigste voorstelling uit de opvoeringsgeschiedenis van het Amsterdams Toneel. Maar het was een absoluut voorrecht om als aspirant-regisseur te mogen toezien hoe een ontegensprekelijk genie als Hugo Claus op even elegante als efficiënte wijze kon omgaan met die heterogene groep spelers, musici, techniekers, decorbouwers, kledingontwerpers of belichters en nog een handvol andere minder begaafden die zo'n voorstelling maken, samen. Ook de domste vragen bedacht hij systematisch met een antwoord dat vaak de moeite was om in te lijsten. Toen een niet zo écht verstandig 'actricetje' het repetitie na repetitie in een repliek over "servies" bleef hebben terwijl ze eigenlijk "serieus" had moeten zeggen (er stond gewoon een tikfout in de tekstbrochure!) zei Claus grootmoedig: "Weet u wat, juffrouw? Blijf rustig "servies" zeggen en laat de mensen maar denken dat dat Vlaams is."

Ik heb de kracht van Claus' toneel voor het eerst ervaren toen de al genoemde Alex Van Royen in de klas regelmatig een bandopname van Vrijdag liet horen, waarop hij op weergaloze wijze de rol van Georges had overgenomen van Fons Rademakers, die hem gecreëerd had.

Ieder woord precies op zijn plaats, iedere klank een rake speldenprik, een toneelstuk als een rijke partituur die eigenlijk maar op één manier juist kan worden gespeeld. Ik heb die voorstelling vanop de bandopnemer later zelf gezien, en ook nog in tenminste zeven andere versies, maar nooit klonk ze juister dan de lezing in Claus' eigen regie. Vandaar wellicht ook dat de andere geloofwaardige versie die ik me met plezier herinner, de versie is uit de gelijknamige film uit 1980, waarin Frank Aendenboom zo schitterde.

Korte bezoeken

Door de jaren heen heb ik Claus af en toe kort bezocht in zijn talrijke achtereenvolgende huizen in Gent, Antwerpen en Zuid-Frankrijk. Maar het bezoek dat me het allerbeste bijblijft dateert ook al uit 1972 en vond plaats in een prachtig huis aan de Amsterdamse Raamgracht.

Ik had hem na de middag gevraagd om wat documentatie die ik nodig had voor een soortement thesis die ik samen met mijn stageverslag moest inleveren. Hij had duidelijk niet veel zin om daar tijd in te steken, ook al omdat hij in die tijd na het werk een eerder druk en mondain sociaal leven af te werken had. Maar, always a gentleman, had hij meteen een joviaal voorstel. "Van vijf tot zes heb ik karatetraining", zei hij. "En om zeven uur ga ik Japans eten met een juffrouw. Maar als je tussen zes en halfzeven thuis komt aanbellen, regelen we dat wel."

Ik was daar natuurlijk al om twee minuten over zes, niet ontdaan van enige zenuwen. Ik belde iets te nadrukkelijk aan en pas na heel lang wachten hoorde ik iemand vragen: "Ja?" Hij stond onder de douche en was onze afspraak helemaal vergeten en eigenlijk ook wie ik was. Maar hij liet me grootmoedig binnen, wees mij waar de dranktafel zich bevond, toonde me waar zijn platen stonden en sprak tevens zijn lof uit over de goddelijke samenzang van The Everly Brothers.

Hij wees me ook een kast aan waarin allemaal dozen opgeborgen zaten met foto's, krantenknipsels, toneelprogramma's en what have you. Ik mocht er zo veel in rommelen als ik maar wilde. Mocht ook boeken meenemen, als ik ze maar terugbracht. Ik heb ze nog.

Toen belde zijn date aan en verdween de schrijver de Amsterdamse nacht in. "Neem maar wat je nodig hebt", zei hij en hij drukte mij op het hart dat als een bepaalde dame zou aanbellen ik niet mocht zeggen dat hij naar de Japanner was en zeker niet met wie en hij raadde me ook aan om tien uur de tv aan te zetten om naar Monty Python te kijken op zijn pas aangekochte Sony-kleuren-tv.

Ik was dubbel onder de indruk want behalve op Expo 58 had ik nog nooit een kleuren-tv gezien en Monty Python leerde mij die avond voorgoed dat een mens maar beter gek kan zijn om deze wereld aan te kunnen. Om dat te vieren zoop ik onderwijl en helemaal alleen een halve fles zwarte Johnnie Walker leeg in het lege huis van mijn favoriete schrijver.

Het zou nog tien jaar duren eer ik Hugo Claus nog eens tegenkwam. Ik wilde toen een film gaan maken, maar ik was ongeveer de enige die dat wilde. Iedereen raadde me dat ook ronduit af en zei dat ik daar zeer zeker niks van kon en wellicht ook in de gevangenis zou belanden als ik mij in de schulden stak voor die film en die ik, ook dat was zeker, nooit zou kunnen terugbetalen. Mijn producer pleitte ervoor mijn scenario - het was al bekroond en heette Brussels by Night - te laten realiseren door een echte regisseur. "Take the money and run", weet je wel en geen gedoe aan mijn kop. Ik zei dat ik het scenario alleen maar zou loslaten als Hugo Claus het verfilmde. Maar die wilde dat niet. Ik ging hem wel nog bezoeken in zijn werkkamer aan de Pussemierstraat, hartje Gent. Hij schonk een biertje voor me uit en zei me kort maar krachtig dat hij mijn tekst gelezen had en dat hij hem goed vond. Dat vond ik al helemaal oké en daarna gaf hij mij het scenario terug en zei hij : "Er is maar één mens die dat kan verfilmen en dat ben jij."

Wie was ik dan om hem tegen te spreken?

Ik kocht achteraf in het grote postkantoor aan de Korenmarkt een gele briefkaart, waarop ik volgende mededeling schreef: "Bedankt voor het biertje, sorry voor het storen", waarna ik de kaart in een brievenbus gooide die zich binnen in dat mooie gebouw bevond.

Later vertelde hij me dat hij dat geapprecieerd had. Hij vond het aardig van me. En aardig was een woord dat hij graag in de mond nam. Toen ik hem eens vroeg of aardig zijn soms ook niet akelig was, zei hij wijs: "Beste Marc, ik heb liever iemand die aardig is en het niet meent, dan iemand die onaardig is en het wel meent!".

Om over na te denken.

De mooiste weken

En toen ging op een ochtend eind 1989 de telefoon bij mij thuis en terwijl ik opnam, hoorde ik een zachte stem zeggen: "'t is Hugo." Nu moet u weten dat ik niet graag gebeld word. Niet 's morgens, en eigenlijk ook niet overdag en 's avonds nog veel minder.

"Welke Hugo?", zei ik met een stem die minder zacht was dan die van de beller. "Claus" antwoordde die geduldig. "En ik wil je iets vragen." En toen kwam het verzoek of ik de zwaarlijvige Brusselaar Gigi wilde spelen in zijn nieuwe film. Een bewerking van zijn eigen roman Omtrent Deedee en dus ook een beetje een bewerking van zijn eigen stuk Interieur, dat ik twintig jaar eerder met open bek had zitten bekijken in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Dat stuk dat ik zelf dus wilde verfilmen.

Nu, ik had snel door dat als ik die film niet kon draaien, erin meespelen zeer zeker the next best thing zou zijn. Ik zei "ja", maar bestierf het al meteen van de zenuwen, omdat ik plotseling besefte dat ik straks op de gigantische schermen van diverse bioscoopcomplexen te zien zou zijn, in gezelschap van acteergoden als Jan Decleir en Frank Aendenboom; sympathieke mensen die ervoor doorgeleerd hadden als Carl Ridders en de geweldige Hugo Van Den Berghe; grandes dames als Chris Lomme en Ann Petersen, die mij er bij de eerste kennismaking al fijntjes op wees dat Hugo het scenario eigenlijk speciaal voor haar geschreven had.

Er is van alles gezegd en geschreven over Het sacrament en over de al dan niet grote talenten van Hugo Claus als filmmaker. Ik ga me op deze plek niet mengen in dat debat, maar ik ga vooral zeggen dat ik die zes winterse weken in Kobbegem tot de mooiste van mijn leven reken. Dat het voor mij een onvoorstelbaar voorrecht was om iemand die ik al bijna 30 jaar lang bewonderde op dagelijkse basis mocht meemaken als regisseur, als tafelgenoot bij de lunch, aan de toog van een volkscafé achteraf. Ik heb er, doordat Hugo mij overtuigd had om die rol van Gigi te spelen, ook geleerd wat de behoeften zijn van een acteur ten aanzien van zijn regisseur. Ik kon ook nooit mijn tekst onthouden en ik moet nog lachen als ik eraan denk dat ik dan zo beschaamd was, maar Hugo mij troostend zei: "Zeg maar wat je wilt. 't Is geen Shakespeare."

Gestampte boer

Fast forward naar de vroege jaren 2000. Ik zit op een diner in Antwerpen naast Hugo Claus en in plaats van "geef mij de peper eens door", zeg ik, oprecht, hoe bijzonder ik zijn nieuwe dichtbundel In geval van nood wel vind.

Terwijl hij een glas witte bourgogne door zijn keel jaagt zegt hij: "Denk je dat ook maar iemand van die kinkels van de kritiek die bundel gelezen of besproken heeft?" Ik herinner hem aan zijn uitspraak dat een leeuw zich niet moet storen aan de vlooien in zijn vacht.

Hij zegt me tijdens dat diner ook, driekwart badinerend, dat zijn tijd gekomen is. Een mens moet in zijn leven drie dingen doen, zegt hij: "Een boom planten, een zoon maken en een leeuw schieten. Ik heb twee van die drie dingen gedaan. Dus ik denk dat het goed geweest is."

Ik zeg dat ik geen van de drie ooit gedaan heb, maar daar luistert hij niet naar.

"Eet je dat stuk boudin de homard niet meer op?", zegt hij, terwijl hij met zijn vork in mijn bord prikt.

Een paar jaar later zitten we weer samen, met vrouwen en vrienden, in het mooie huis van het echtpaar Claus in Caromb. Veerle heeft andermaal wonderlijk gekookt en we luisteren naar Ella Fitzgerald terwijl de zon ondergaat in de buurt van de Mont Ventoux. Als we binnenkomen zit Claus via de satelliet naar het VRT-nieuws en Bavo Claes te kijken. Ik durf hem niet te vragen of hij heimwee heeft. En ik ben nog steeds even onder de indruk van hem als toen, lichtjaren geleden, daar aan de Amsterdamse Raamgracht. Er wordt veel gelachen, die avond, en ik, die eigenlijk nog altijd niets durf te zeggen tegen hem, praat de hele avond en dus veel te veel.

Ik lieg over iemand van wie ik dacht dat Claus hem mocht en zeg dat ik het "een interessante mens" vind, en hij zegt dat het integendeel een volstrekte klootzak is.

Later kom ik Hugo Claus nog eens tegen in de Antwerpse boekhandel Demian en word ik samen met Jef Lambrechts en zijn vrouw, Herman Selleslags en Sonja Cantré nog eens uitgenodigd in de ruime woonst van de Clausen in Antwerpen centrum. Het is de laatste keer dat ik hem écht zie.

Ik bedenk vooral dat ik een gestampte boer ben. Want alhoewel de grote schrijver mij al een keer of zeven acht in zijn diverse huizen toeliet, heb ik hem of zijn vrouw niet één keer uitgenodigd in mijn huisje.

Erger nog: toen Veerle Claus mij in de winter van 2008 nog eens vroeg om bij hen kreeft te komen eten zei ik: "Nee, merci!", omdat ik bang was om alweer te veel te praten.

Wat later zat ik op een middag in het Brusselse café Walvis een koffie te drinken met Stephan Vanfleteren omdat we even wilden bijpraten over iets dat we misschien ooit samen zouden doen. Plotseling ging de mobiel van de grote fotograaf over. Het was De Bezige Bij. Stephan keek naar mij en zijn gezicht betrok en toen zei hij: "Ja, ja, ja."

Claus' tijd was dus gekomen, zoals hij dat zelf wilde. Ik had geen half woord van Stephan nodig om te weten waar het over ging. Ik dacht ook spontaan aan die kreeft en hoe ik door daaraan te verzaken ervoor gezorgd had dat mijn voorlaatste bezoek aan Claus eigenlijk het laatste was geweest.

Als afscheid kon ik in deze krant alleen maar het volgende uitbrengen: "Waarde Hugo, ik kan niks, maar ik heb het allemaal van jou geleerd."

Zelden heb ik iets in druk laten verschijnen wat ik zo hard meende.

Er staat mij, en u allen, eigenlijk niets anders te doen dan in uw boekenkast, of in die van iemand anders, te duiken en er een meesterwerk als De koele minnaar, De hondsdagen, De zwaardvis of Onvoltooid verleden uit te halen en dat in stilte te lezen of te herlezen. Ik sla alvast In geval van nood nog eens open en lees op pagina 159 het gedicht 'Poëzie'. Ik wil het u niet onthouden, met permissie.

Het gaat zo:

Volgens Remco genas Voltaire zichzelf van de pokken

door het drinken van 120 liter limonade.

En dat dat poëzie was.

In één maaltijd at Balzac een honderdtal oesters,

twaalf koteletten, een eend met knolrapen, een

tong normande, en voor de stoelgang een peer of zeven.

En vier flessen Loire-wijn.

Is dat ook poëzie, Remco?

In Engeland liggen elfduizend kinderharten op ijs:

Poëzie?

En zij die 's nachts in bed krabbelt en sabbelt

aan haar bruidsjurk van twintig jaar geleden?

Kan zij onbewezen blijven

zoals poëzie?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234