Maandag 26/09/2022

Discreet, maar niet saai

Toen aan stijlgoeroe Andrée Putman gevraagd werd om in Londen een winkel van luxelederwaren in te richten, nam ze een vleugje Franse verfijning mee het Kanaal over. Van een winkel maakt zij een bezienswaardigheid.

Joan Collins heeft ooit gezegd dat je niet echt geleefd hebt als je je achterste niet hebt kunnen laten zakken in een Connolly-zetel. Connolly vervaardigt de ruime, zachte lederen kussens die een Rolls Royce zo comfortabel maken. En ook piloten van een Ferrari-raceauto en reizigers aan boord van de Concorde nestelen zich in Connolly-leder. En de lederen zetels van Jaguar ruiken zo lekker dat er zelfs zeep - Imperial Leather Soap - is uitgebracht die de geur moet nabootsen. Honderdtweeëntwintig jaar geleden begon Connolly als schoenhersteller in Canterbury. Het bedrijf ging met zijn tijd mee, begon kappen voor koetsen te maken, later het lederwerk voor de eerste auto's. Dat Connolly niet samen met de Britse auto-industrie ten onder is gegaan, dankt het bedrijf aan de vrij recente en succesvolle introductie van de merknaam in de wereld van de luxe.

Hoewel Vuitton en Hermès al lang geleden hun basis verbreedden en hun naam in het universum van de mode wisten binnen te brengen, kwam bij Connolly die gedachte pas zeven jaar geleden op. Het was Isabel Ettedgui die het bedrijf wees op het belang van een sterk merk. Met haar echtgenoot Joseph (bekend van de exclusieve Londense boetieks en het gelijknamige modemerk) adviseerde zij Connolly om de associatie met dure auto's uit te buiten en te beginnen met een collectie van luxelederwaren. In 1993 opende Connolly zijn eerste zaak, in Mayfair, en begon er riemen, bretels, briefpapier, bureausets en modeaccessoires te verkopen. De Franse binnenhuisarchitecte Andrée Putman maakte er een glamoureus geheel van glas, staal en leder van, waardoor de boetiek snel een zogenaamde destination shop werd, met andere woorden, een groot succes. Zo'n groot succes dat Connolly, nog altijd een familiebedrijf, besefte dat het eigenlijk geen kaas had gegeten van verkopen en dat het zich maar beter kon houden aan wat het kende: lederen zetels maken voor auto's. Vorig jaar verkocht Connolly de afdeling lederwaren dus aan Joseph, die het merk mag exploiteren. Inmiddels blijft de samenwerking heel nauw. Joseph wil geen huidenvetter worden en Connolly geen winkelier, om het eenvoudig te zeggen.

In Angelsaksische landen is Connolly een machtige naam en Joseph heeft door zijn modebusiness contacten over de hele wereld. Een gevolg van de samenwerking en de toegenomen naamsbekendheid is o.m. dat Connolly nu ook zaken doet in het Verre Oosten, onder meer met Honda, Toyota en Mitsubishi.

En nu is er een tweede Connolly-shop in Londen, deze keer in Conduit Street, in het hartje van de West End en sinds kort een opkomende straat voor dure modezaken. Opnieuw vroeg Joseph aan Andrée Putman om de winkel in te richten. Putman, die beschouwd wordt als de grote opperrechter van de Franse smaak en die wars is van alles wat trendy is, zegt dat het beste aan de nieuwe boetiek is dat hij een 'echt product' verkoopt.

Haar bedoeling met deze winkel was een interieur te creëren met "absolute discretie, maar waar neutraliteit niet synoniem is met saai of levenloos". De winkel is lang en smal, met één muur die zich sensueel naar achteren kronkelt. Daar mondt hij golvend uit op panelen van paardenhaar, ingelijst in staal. Dit materiaal is duurder dan zijde, zelfs duurder dan pashmina. Eik op de grond, tapijten in een grijsgroen dat Putman als zeegras omschrijft, en een band van gouden onyx die door één kant van de winkel loopt, maken dat deze ruimte ontsnapt aan het stereotype van de witte schoendoos waar de meeste hedendaagse winkels in verzeilen.

In de strijd met de e-commerce komt het er voor de reële winkel op aan te zorgen voor een sensuele, met licht doorstroomd gevoel. Grote, opwaarts gerichte lampen van zwart metaal verlichten de hoeken tegen het plafond en kleine neerwaarts georiënteerde spotjes verspreiden alom een zo natuurlijk licht dat je vergeet dat er nauwelijks daglicht binnenvalt in deze ruimte. De verlichting doet denken aan die van Le Corbusier in de kapel van Notre-Dame-du-Haut in Ronchamp. Niet geheel toevallig. Putman restaureerde met bravoure de Villa Turque van Le Corbusier in het Zwitserse La Chaux de Fonds.

Putman, die de privé-salons en het appartement van Karl Lagerfeld heeft ingericht, is iemand die kan werken met een zeer beknopte opdracht. Lagerfeld had haar gezegd dat hij zijn bibliotheek met vierduizend boeken binnen handbereik van zijn sofa wilde en dat hij, wanneer hij met natte schoenen uit de regen naar binnen kwam, meteen op die sofa zou kunnen gaan zitten. De briefing voor de Connolly-shop was nog vreemder. Het enige dat Joseph aan Putman zei was: "Maak mij hier een klein Bordeaux", verwijzend naar het Museum voor Hedendaagse Kunst dat Putman in Bordeaux in een oude opslagplaats had ondergebracht. Dus staan er grote kolommen in de shop, baadt hij in licht en zijn er industriële materialen gebruikt zoals glas en gegalvaniseerd metaal. Maar Putman interpreteerde de opdracht ook als wou Joseph een beetje dezelfde sfeer als in Bordeaux, wat niet vanzelfsprekend is voor een boetiek in Londen. Voor Connolly creëerde ze "een omgeving die de show niet wil stelen, maar die de dingen die erin uitgestald staan in staat stellen voor zichzelf te spreken". Voor Putman zijn "discretie en een rustige neutraliteit wat van belang is voor het interieur".

Stijl, zegt ze, betekent voor haar niet dat je een verlammend respect voor een periode of voor ostentatieve rijkdom aan de dag moet leggen. En dat, terwijl Andrée Putman toch opgroeide in een 12de-eeuwse abdij in Bourgogne, de Abbaye de Fontenay. Misschien is het wel daardoor dat zij beklemtoont dat "luxe en rijkdom twee duidelijk gescheiden dingen zijn".

Op dit ogenblik is ze volop bezig met het inrichten van hotels, een voor VW tussen Berlijn en Hannover, een ander in Parijs, op de Champs Elysées. Toen de BBC haar onlangs vroeg wat haar favoriete gebouw was, koos ze het best bewaarde geheim van Parijs: het Monument voor de Weggevoerden, gebouwd ter nagedachtenis van de joden en de verzetsmensen die in de Tweede Wereldoorlog vermoord werden. Onder een kinderspeelplein, "zo saai dat geen kind er wil spelen", bevindt zich dit onderaardse monument, dat in 1960 door schrijver André Malraux, toenmalig minister van Cultuur, werd besteld bij Henri Pingusson, een leraar architectuur. "Duidelijk gedeprimeerd door mijn keuze voor een compleet onbekende schat achter de Notre Dame stuurde de mensen van de BBC een spion. Daarna werden ze wat enthousiaster."

Het monument is gebouwd in steensoorten uit alle streken van Frankrijk en wordt verlicht met miljoenen kleine lampjes. In de muur staan verzen gebeiteld van Louis Aragon, Paul Eluard en Jean-Paul Sartre, in een speciaal alfabet van prikkeldraad. "Dat gebouw gaat over moed en hoop. Daarom hou ik er zo van", zegt Putman.

Nonie Niesewand

© The Independent

luxeboetiek. In het interieur zijn de allerduurste materialen verwerkt

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234