Woensdag 26/01/2022

AchtergrondAfghanistan

Dit zijn de kinderen van Al Qaida: nakomelingen van jihadisten worstelen met hun terugkeer naar moslimlanden

Moedjahedien die tegen het Sovjetleger strijden in Afghanistan, februari 1980. Beeld Gamma-Rapho via Getty Images
Moedjahedien die tegen het Sovjetleger strijden in Afghanistan, februari 1980.Beeld Gamma-Rapho via Getty Images

Wat de ‘Syriëstrijders’ zijn voor België, zijn de ‘moedjahedien’ voor landen als Egypte: geradicaliseerde jonge moslims die 40 jaar geleden naar Afghanistan trokken als jihadist. Hun kinderen groeiden op in Al Qaida-kampen. Nu zoeken zij moeizaam hun plek in het land dat hun ouders verlieten. Dit is hun verhaal.

Mahmoud Elsobky en Hani Yassin

Ruim dertig jaar voor de VS inderhaast en zonder glorie hun troepen terugtrokken uit Afghanistan, beet ook de toenmalige Sovjet-Unie de tanden stuk op het Afghaanse verzet in een tien jaar durende oorlog (1979-1989). Ook die gruwelijke strijd eindigde zonder zege van een van de partijen en leidde niet tot de soevereine controle van het land. De oorlog met de Sovjets zadelde de landen in het Midden-Oosten, en met name Egypte, wel op met een probleem dat hen nog altijd achtervolgt: de roep van een jihad om de kwetsbare Afghanen te helpen.

Leden van fundamentalistische islamitische groeperingen reisden naar het slagveld in Afghanistan, net zoals de Syriëstrijders een volle generatie later zouden doen vanuit Europese landen. Het verschil is: destijds vertrokken ze met instemming van hun Arabische thuislanden. Sommigen vonden de dood, anderen bleven in Afghanistan, en een aantal besloot terug te keren naar Egypte. Ze stonden bekend als ‘de terugkeerders uit Afghanistan’. Hun kinderen staan nog altijd bekend als de ‘Arabische Afghanen’. Zij zijn terugkeerders van de tweede generatie die op jonge leeftijd met hun familie naar Afghanistan reisden of daar geboren werden, die die woelige periode meemaakten zonder er bewust voor gekozen te hebben.

Al-Mughira (een schuilnaam) is een van hen, een 34-jarige in Pakistan geboren Egyptenaar. Hij groeide op in kampen van Al Qaida. “De man die verantwoordelijk was voor onze opleiding kwam uit Bangladesh. Hij sprak klare taal, behandelde ons goed en eiste extreme discipline. Ik was toen vijf jaar oud. We droegen militaire kleding op kindermaat, en zaten elke dag van ’s morgens tot ’s avonds in de bergen.

“We werden behandeld als militairen. Wie weende, werd bestraft en kreeg geen eten of drinken”, herinnert Al-Mughira zich. “We werden voor zonsopgang wakker gemaakt en moesten twee uur de berg op en af lopen. Wie viel, werd achtergelaten en moest zelf maar zien op te staan. Ze gaven ons eten, maar we durfden dat niet aan te raken tot de militaire commandant het bevel gaf te eten. De drie maaltijden per dag bestonden uit in stukken gebroken droog brood en melk. Niemand klaagde over het slechte eten, want dan namen ze het af.”

Tijdens de trainingen moesten ze kruipen, voorbije obstakels geraken, springen en schieten. Al-Mughira: “Een supervisor hield het geweer mee vast voor de terugslag. Hij zei ons te kijken naar het doelwit en daarna de trekker over te halen. Na drie dagen training kwam ik terug bij mij familie en kon ik zeggen dat ik flink was geweest. Ik had niet gehuild, ik was niet kwaad geworden en ik was niet gestraft.”

Tien jaar oorlog

De 35-jarige Qassem (een schuilnaam) trok met zijn familie van Soedan naar Afghanistan, waar ze onthaald werden door Mullah Yunus Khalis, de leider van Islamitische Partij, die goed bevriend was met Osama bin Laden. Khalis beschouwde Bin Laden als een zakenman en een topinvesteerder die Afghanistan en zijn economie zou hertekenen na de ravage van tien jaar oorlog tegen de Sovjets.

Qassem vertelt over de reis van zijn vader naar Afghanistan om zich bij de moedjahedien te voegen. “Mijn vader reisde ten tijde van de oorlog tegen de Sovjets via Saudi-Arabië en Pakistan naar het land van de jihad. Het was de manier om Afghanistan te bereiken. Osama bin Laden had een kantoor in Pakistan waar hij de Arabische moedjahedien ontving. Hij gaf hen geld, een opleiding en wapens alvorens hen naar de jihadistische arena te duwen. In die tijd bestond het ‘World Islamic Front for the Fight against Jews and Americans’, beter bekend als Al Qaida, nog niet.”

Qassems familie vestigde zich in de hoofdstad Kaboel. “Omdat de prijzen er zo laag waren, huurde mijn vader een heel hotel voor mijn familie, met drie verdiepingen, waar we lang verbleven. Plotseling was er een moordaanslag. Iemand wierp een zwarte zak in de vuilnisbak aan het hotel. Die avond verzamelden de broeders in de lobby van het hotel om het eid-feest te vieren. Kort daarop ontplofte de bom. De grote deur viel neer en er was wat schade. Misschien dacht hij dat er genoeg explosieven waren om het hele hotel op te blazen. Maar dat was een misrekening. Later werd de man gearresteerd. Bleek dat hij gefinancierd werd door een Amerikaanse organisatie. Er werd afgesproken dat hij 90 dollar moest betalen voor de dood van minstens tien broeders in het hotel. Na dat incident verbood de talibanregering het gebruik van zwarte vuilniszakken, en moest het vuilnis in witte zakken.”

Kandahar was de tweede stopplaats. Het was zowat de hoofdstad van de moedjahedien. Qassem: “Daar bevonden zich de meeste Al Qaida-kampen. Nieuwe moedjahedien kwamen daar terecht en werden er opgeleid om te vechten. Bin Laden koos in die stad een huis zo groot als een kasteel op een berg uit. Daar begon hij de economie van het land om te vormen door ze te richten op cocaïne- en opiumhandel. De Afghanen verkochten die voor één dollar per kilo. Hij adviseerde hen zonnebloemen te telen, die hij voor anderhalve dollar per kilogram zou kopen. Hij kocht zonnebloemen en stuurde die naar Saudi-Arabië.

“Mijn vader breidde zijn handel in honing en goud via Saudi-Arabië en Soedan uit, en had veel medewerkers om hem daarbij te helpen. Hij kon op die manier een speciaal huis in Kandahar huren. Deze keer was het gebouw een grote villa omringd door een grote muur. Hij speelde dankzij zijn handel een belangrijke rol bij de ondersteuning van de moedjahedien. Later bekleedde hij een hoge positie in Al Qaida. Hij was verantwoordelijk voor de interne inlichtingendienst van de organisatie.”

Zelf werd Qassem opgeleid om bommen en automatische wapens te maken. “Met een paar kameraden maakte ik anderhalve ton explosieven bedoeld voor met Al Qaida gelieerde groeperingen, die we later naar Irak smokkelden. Deelnemen aan de jihad op het terrein begon als je voorbij de lagereschoolleeftijd was, als je een jongeman werd die wapens kon bedienen en met de auto kon rijden. Ze verbonden zich niet aan een specifiek programma dat werd opgelegd door de organisatie, maar deden die dingen vrijwillig. Niemand dwong ons om iets specifieks te doen.”

Pendelen tussen Afghanistan en Iran

Musab (een schuilnaam) is een 33-jarige Egyptenaar die geboren werd in Soedan, het land waar Bin Laden en zijn gezellen tot 1996 verbleven. Soedan vroeg hem te vertrekken met zijn groep van 500 personen, op bevel van de VS. Musab verhuisde naar Jemen, daarna naar de Verenigde Arabische Emiraten, en vervolgens naar Teheran, waarna hij pendelde tussen Afghanistan en Iran. Musabs vader was verantwoordelijk voor de explosieveneenheid van Al Qaida en kwam om bij een luchtaanval. De rest van het gezin trok toen naar Iran.

“Na de revolutie van 25 januari 2011 keerde ik terug naar Egypte. Voor ik terugging, werd me verteld dat de situatie gestabiliseerd was en dat we terug moesten”, vertelt Musab. “Dat werd gecoördineerd tussen de Egyptische en de Iraanse overheid. We wisten dat Egypte niet wilde dat we problemen zouden veroorzaken. In het verleden wilden ze ons arresteren als we zouden terugkeren. Maar toen de situatie na de januarirevolutie veranderde, keerden we toch maar terug. We moesten naar Caïro via Turkije. Toen we terug waren, was alles slecht. Nadat ik een test had afgelegd om mijn studieniveau te bepalen, dacht ik dat ik naar het middelbaar kon. Maar ik moest in het lager beginnen.”

Strijders dragen BM-12-granaten naar hun kampement in de Afghaanse bergen, februari 1988. Beeld Getty Images
Strijders dragen BM-12-granaten naar hun kampement in de Afghaanse bergen, februari 1988.Beeld Getty Images

De integratie in Egypte verliep moeizaam. Musab: “In het begin was ik enthousiast. Maar terug in Egypte was de realiteit anders dan ik me had voorgesteld. Ik dacht dat het leven makkelijk zou zijn, met mensen die elkaar graag zagen en dat mijn familie me zou onderhouden. Maar het was precies omgekeerd: de familieleden waren nog de ergsten voor ons. Ze deden ons kwaad, ze wilden geld en probeerden profijt te halen.

“De meesten van onze buren beschouwden ons als terroristen en waren bang”, vertelt Musab. “We maakten wel nieuwe vrienden, maar altijd was er eigenbelang mee gemoeid. Dat we constant in het oog werden gehouden door de staatsveiligheid was wat me nog het meest frustreerde, waardoor ik ook weer weg wilde uit Egypte. Ik begreep uit wat ze ons vertelden dat ze ons één à twee jaar in de gaten zouden houden. Maar nu nog houden ze ons in de gaten. Ze weten alles over ons, over wat we denken. Het was moeilijk om aan identiteitspapieren te geraken. We stootten constant op obstakels bij overheidsinstellingen, en moesten advocaten inschakelen om de problemen op te lossen.”

Secularisten, islamisten, progressieven

De effecten van de nieuwe omgeving waren niet positief, zegt Musab. Vijf jaar en langer ging hij om met diverse segmenten van de samenleving, “secularisten, islamisten, progressieven”, zonder met hen in discussie te treden. Musab had moeite om zich aan te passen aan de situatie in Egypte omdat hij uit een andere, religieuzere omgeving kwam. Het verbaasde hem dat hij mensen niet regelmatig zag bidden of met tegenzin naar het vrijdaggebed zag gaan.

“Mensen waren bang om met ons om te gaan”, zegt Musab. “Vaders waren bang om hun dochters aan ons uit te huwelijken. Ze zeiden: ‘Ik wil niet dat mijn dochter trouwt met een terrorist met politieke problemen.’ Er was een jongeman met politieke problemen die met een vrouw wilde trouwen. Maar haar vader verbood het, ook al kwam de man uit een rijke familie. De weigering kwam er omdat zijn vader lid was van Al Qaida.”

“We waren vertrouwd met de dood en het sneuvelen van moedjahedien”, vertelt ook Anas, een 32-jarige Egyptenaar die in Afghanistan opgroeide. “Er waren veel doden bij de broeders. Elke dag sneuvelde wel iemand. Op den duur voelde ons hart geen verdriet meer en werd er niet meer getreurd om gevallen broeders.

“Het gebeurde dat we bloed op onze kleren hadden en dat onze moeders dachten dat we gewond waren en begonnen te huilen en te panikeren. Tot we ze geruststelden dat het niet ons bloed was, maar het bloed van deze of gene die die dag gedood was en die we begraven hadden. We hadden geen verdriet, want elke dag namen we wel van iemand afscheid. Als we treurden, dan berokkenden we onszelf in moreel opzicht schade. We waren vaak stil. We begrepen niet wat er rondom ons gebeurde.”

Abdullah (33, pseudoniem), een Egyptenaar van geboorte, zegt dat niemand op voorhand wist wat er op 11 september 2001 stond te gebeuren, tot ze het op televisie zagen. “We wisten niets over de operatie. We vierden de aanslagen, maar we kregen het bevel er tegen zonsondergang mee op te houden. Mensen uit de entourage van Osama bin Laden keken zorgelijk.

“Ondertussen strooide de Amerikaanse luchtmacht folders over ons uit. Het gerucht ging dat er antrax op zat. Wie er een vast had gehad, liet zich in het ziekenhuis onderzoeken. We kwamen erachter dat het verhaal niet klopte en dat de Amerikanen dat poeder gebruikten om te verhinderen dat de letters door de zon zouden verdwijnen als ze de brochures uit het vliegtuig gooiden. Ze schreven: ‘Geef ons Osama bin Laden, we steunen jullie land.’ Het was geschreven in het Arabisch, het Engels en het Pasjtoe, de taal van de Afghanen. We verzamelden de brochures en speelden ermee. Maar in het algemeen voelden we ons onveilig en onzeker.”

Tape op de ramen

Stilaan doken tekenen van gevaar op, zegt Abdullah. “Op een avond kwam mijn vader vroeger dan anders thuis en begon hij snel tape op de ramen en al het glas in huis aan te brengen. Toen ging hij snel weer weg en liet ons alleen achter. Hij nam zijn wapen en zijn radio mee om samen met de leiding van de organisatie dingen te regelen.” De reden voor de tape was dat glas bij bombardementen in het rond vliegt en mensen ernstig kan verwonden. Op die manier blijft het glas aan de tape kleven en vliegt het niet in het rond.

“De Amerikaanse bombardementen begonnen rond middernacht”, herinnert Abdullah zich. “We moesten naar de schuilkelder om ons in veiligheid te brengen, en volgden de ontwikkelingen via radiocommunicatie. Onder elk huis bevond zich een geheime schuilplaats. Al Qaida had een afdeling die zich specialiseerde in het bouwen van zulke schuilplaatsen. Ze waren gemaakt van beton dat bommen kon weerstaan. De geheime schuilplaatsen hadden de vorm van de letter S.

“Mijn vader kwam op een dag thuis en zei tegen mijn moeder: ‘Kom uit de schuilplaats. Beter het lot te trotseren dan hier stikkend dood te gaan.’ Hij zat wat verderop, en mijn moeder wilde bij hem komen zitten. Maar hij stuurde haar weg. Hij was bang dat hij een doelwit was en dat zij gewond zou raken. Naast hem stonden radio’s waarmee hij informatie doorkreeg, met codes zoals ‘wat heb je met de bloem gedaan?’, waarmee explosieven bedoeld werden. Hij had de radio’s moeten afzetten, want hij was een leider en werd geviseerd. Maar dat deed hij niet.”

De vader van Abdullah werd gedood bij een luchtaanval terwijl hij in zijn wagen zat.

“De intensiteit van de bombardementen en de aanvallen nam toe, en families begonnen hun voorbereidselen te treffen om vanuit Afghanistan te vluchten naar de buurlanden”, zegt Abdullah. “De keuze viel op Iran in 2003, vooral ook omdat alle landen de deuren sloten voor de volgelingen van Osama bin Laden. Wie gearresteerd werd, werd naar het gevangenencentrum van Guantanamo gestuurd.

“De beste optie voor ons was naar Teheran te trekken. Officials begonnen te communiceren met de Iraanse zijde, die blij was met onze komst. Ze openden de grenzen en eisten geen visums. Ze vroegen ons wel gebruik te maken van smokkelroutes en hen er niet bij te betrekken. We moesten onze eigen verantwoordelijkheid nemen. De tocht duurde drie weken.

“Mannen smokkelen was anders dan vrouwen smokkelen. Broeders werden gesmokkeld via huwelijksvoertuigen. Ze huurden een bus met daarin een bruidegom en een bruid (die werden betaald). De broeders maakten gewoon deel uit van het gezelschap. Ze zaten daar in kostuum samen met de ouders en familie van de jonggehuwden, alsof ze deel uitmaakten van het feest. Als de grenswacht hen zag komen, lieten ze hen passeren.”

Op die manier werden ook wapens en geld gesmokkeld. “Soms deden ze zich voor als leden van de islamitische missioneringsorganisatie Tablighi Jamaat, die de grenswacht herkende aan hun bagage en dekens.

“In Teheran leidden we geen comfortabel bestaan. De Iraanse autoriteiten keerden zich tegen ons en zetten ons gevangen. Sommigen stierven in de gevangenis door verwaarlozing. Al Qaida reageerde meteen toen ze hoorden wat er gebeurde met zijn volgelingen in Iran. Ze vielen de Iraanse grenswacht aan en doodden meer dan veertig van hen om de druk op de families in Iran te verlichten. De Iraniërs moesten ons daardoor toestaan ons voort te bewegen en te vertrekken na ons gedeeltelijk huisarrest. We trokken naar de grensstad Waziristan en bleven daar even. Daarna gingen we naar Turkije. Daar hadden we contact met de Egyptische inlichtingendiensten. Na de revolutie van 25 januari 2011 keerden we terug naar Egypte.”

Musab zou wat graag opnieuw leven in de islamstaat waarover hij gedroomd had en waarover zijn vader hem vanaf zijn kindertijd verteld had. Het was dat kalifaat dat zijn vader ertoe aanzette zijn land en zijn familie en zijn huis te verlaten om zijn geloof te volgen, en de huizen van de ongelovigen achter zich te laten.

Dit verhaal werd mede mogelijk gemaakt door de gewaardeerde steun van het Fonds Pascal Decroos.

Wie zijn de moedjahedien?

Het Arabische woord ‘moedjahedien’ betekent letterlijk ‘strijders’. Het was de term die in de jaren zeventig en tachtig gebruikt werd voor wat we nu ‘jihadisten’ noemen: geradicaliseerde moslims die in het buitenland voor de invoering van een fundamentalistische islam strijden. Meer specifiek wordt met de moedjahedien de gewapende oppositie bedoeld die het in Afghanistan opnam in de oorlog tegen de Sovjet-Unie (1979-1989). De moedjahedien werden gefinancierd door de VS, om het de Sovjets zo lastig mogelijk te maken. Een van de belangrijkste leiders was de jonge Osama bin Laden, telg uit een rijke Saudische ondernemersfamilie, die in Afghanistan de financiering en leiding van de moedjahedien voor zijn rekening nam.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234