Vrijdag 12/08/2022

Duurbare Peet

Van onder de pannen van de zolder van het documentatiecentrum In Flanders Fields hoor ik de Ieperse beiaard luiden. Ik zit in kleermakerszit, voor mij ligt de schat: een stapeltje vergeelde brieven in een schoendoos. Dezelfde schoendoos wellicht waar ze al meer dan negentig jaar in zitten. Het zijn brieven van een frontsoldaat uit de Eerste Wereldoorlog, binnengebracht door een verre nazaat van de vrouw met wie hij correspondeerde. Ik hoop om via deze tere velletjes papier te mogen binnenkijken in het hoofd en het gevoel van een mens in extreme omstandigheden.

Leest u over mijn schouder mee.

Belgisch front 24/11/16

Duurbare Peet,

Vol vreugde heb ik uw brief ontvangen; en gansch tevreden neem ik uw aanbod aan. Want reeds lang was mijn verlangen, eene oorlogspeet te hebben, en nu zie ik mijne innige wensch vervuld.

Ik ben Antwerpenaar van geboorte en bewoonde, ook voor den oorlog deze stad, waar ik den stiel uitoefende van monteur. Bij de beschieting van mijne stad Antwerpen, ben ik deze ontvlucht met mijn ouders; de wijk nemende naar uw gastvrije Holland. Drie maanden heb ik daar de stad Groningen bewoond, nadien keerden mijne ouders weer; en ik heb mij aangeboden als oorlogsvrijwilliger. Na eenigen tijd onderricht genoten te hebben, in een kamp van Frankrijk, heb ik mijne wapenmakkers vervoegd, hier aan den IJzer, om mede ons nog gebleven stukje België te verdedigen.

Sedert 18 maanden maak ik het loopgravenleven mede. Bij den val van Namen stad welke in ’t begin in duitsche handen viel, werd een broeder krijgschgevangen genomen, waarvan ik sedertdien niets meer verneem.

Soldaat Jan Mussels

B115, 1/3 Belgisch Veldleger.

Het handschrift van soldaat Mussels is zwierig, de stijl is vlot. Soldaat Mussels stuurt zijn brief, zo vertelt de enveloppe, naar mejuffrouw Cornelia van Beek, in Den Haag. Hoe komt een eenvoudige jongen - want dat waren de meeste frontsoldaten - aan een Nederlandse pennenvriendin met een zo voorname naam?

De volgende brief heeft als hoofding

‘Werk der Vlaamsche Oorlogsmeters

Mevrouw Emiel Hullebroeck

Hotel Witte Brug

DEN HAAG (Holland)’

De zolder ligt gelukkig vol documentatie. Een thesis van Mieke Mullen leert me Emiel kennen. Emiel Hullebroeck was een Gentse zanger van het Vlaamse lied, aan wie we ‘Tineke van Heule’ te danken hebben. Zijn vrouw, Anna de Vos, - met de kenmerkende vrouwelijke nederigheid van die tijd ‘mevrouw Emiel Hullebroeck’ - startte vanuit hun schuiloord in Nederland in de herfst van 1916 een project voor oorlogsmeters. Doel: “De Vlaamsche en Nederlandsche vrouwen aan te zetten om zich over het lot van de Vlaamschen IJsersoldaat te ontfermen en, voor den duur van den oorlog, door een opbeurende briefwisseling, de jarenlange vereenzaming dragelijker te maken.” Het project was van bij de start een eclatant succes. Duizenden soldaten schreven zich in, blij om in het Nederlands te kunnen communiceren.

Den Haag (Holland) 10 februari 1917

Hooggeachte Mejuffrouw,

Ik kan u niets anders mededelen, als dat ik zelf ook zéér weinig brieven van het front krijg.

Ik raad U aan van tijd tot tijd een open briefkaart te sturen. Misschien komt er wel spoedig klaarte in de zaak, doch dat er bijzondere dingen gebeuren dat is zeker.

Met de meeste hoogachting

Mevr. Em. Hullebroeck

Er gebeuren bijzondere dingen. Pas gestart loopt het project in de kijker door zijn grote succes en Vlaamsgezinde karakter. De Militaire Veiligheid - ofte ‘Militaire Vuiligheid’ zoals de piotten ze bespotten - blokkeert de briefwisselingen een aantal maanden om ze onder de loupe te nemen. Anna de Vos en medeoprichter Johan de Maegt worden verdacht van flamingantistische opruierij. Het onderzoeksrapport vermeldt een verklaring van Anna de Vos: “Je suis flamingante.” Tussenkomst via Frans van Cauwelaert, die eveneens in Den Haag het blad Vrij België uitgeeft, zorgt ervoor dat de Belgische regering opnieuw het licht op groen zet.

Front 3/2/17

Waarde Peet,

Ik laat U met blijdschap weten dat het pakje tabak met pijp en cigaretten mij goed toegekomen is, en zeer welkom was. Den tabak is zeer smakelijk, en rooken deze op uwe gezondheid. Want mijne wapenmakkers hebben er aan mede gerookt, de tabak wordt door hen ook zeer geprezen, alsook de brave Hollandschen menschen, welke tegenwoordig hier in de loopgraven, nog al dikwijls het voorwerp onzer gesprekken zijn. Bijzonder in mijne compagnie zijn er verschillige die met een Hollandsch Peetje in briefwisseling zijn. Elk is nieuwsgierig bij het deurkomen van een pakje of een brief door hun gezonden. En U kunt niet gelooven het genoegen en opbeuring welk zulks aan hen verschaft.

Tegenwoordig is ’t hier zeer koud, het land is met een dikke sneeuwtapijt bedekt en ’t water draagt eene vaste schaal ijs, even ook onzen Yzerstroom waar wij ons bevinden. Dit maakt hier op ons front het terrein gunstig om aan te vallen. Den Duitsch heeft dit eens gewaagd maar kon toch niet tot in onze loopgraven doordringen, groote verliezen achterlatende werd hij weergeslagen.

Ik krijg nog geregeld het Vrij België, het wordt gaarne gelezen. Ik ga mijn briefje eindigen, hopende dat het U in beste gezondheid moge toekomen. Ik voor mij blijf steeds met de besten trouw bezield, en hoop op een gezonde terugkeer. Ik schrijf U van verre mijn beste groeten toe en blijf

Uw dankbaar petekind

Soldaat Jan Mussels

In een brief kristalliseren de gedachten en gevoelens van een mens vaak uit, wegens de lichte vertraging die ze oplopen door het uitschrijven. Daar hoopte ik op, voor ik begon te lezen, op een inkijk in het zielenleven van een frontsoldaat, van een gewone mens in extreme omstandigheden.

Ik hoopte ook dat Cornelia van Beek de warme schouder zou zijn voor Jan Mussels die hij in die loopgravenoorlog vol brute mannelijkheid en ruwheid moest ontberen. En dat dat Jan ontboezemingen en confidenties zou ontlokken.

Maar na een vijftal brieven moet ik besluiten dat hij Cornelia vooral ziet als leverancierster van tabak.

Bijzonder een kopje koffie laat zich goed smaken, met een pijpje of een cigaretje daarbij. Dit is ons lang leven, en ons nagerecht.

Veel tabak.

Het pakje werd me nog niet besteld, bij de ontvangst zal ik U seffens bericht laten, tenminste als de haaien onderweg het niet oprooken, maar ik vrees toch niet, dat deze cigaren of cigaretten smoren.

Heel veel tabak

Een pakje met cigaren en cigaretten kwam mij toe ze waren zeer fijn, en bij het zoeken, door den smakelijken geur aangetrokken, had ik seffens eenige kalanden, welke met mij allen rookten op uw gezondheid.

Ik kan het een eenvoudige milicien als Mussels ook niet kwalijk nemen. De soldij lag belachelijk laag. Het - hoewel gevaarlijke - soldatenleven bestond voor de Belgische soldaten aan het IJzerfront vaak uit ellendige verveling en pogingen om de tergend traag sluipende tijd te doden. Dan ga je hard naar sigaretten verlangen, natuurlijk. En naar nieuws van de familie in bezet gebied. Ook van die taak kwijt Cornelia zich uitstekend: tussen de soldatenbrieven steken een paar zeer ontroerende kaartjes van Jans familie vanuit Antwerpen naar het front.

Borgerhout 27 juni

Geachte Heer en Madame,

Met deze kom ik u hartelijk te bedanken daar u zoo goed hebt geweest van een kaartje te sturen van mijn kind, daar ik al zoo lang geen nieuws van hem had gekregen. Madame en Mijnheer, daar hebt u veel goed mee gedaan voor een Moeder, die haar kind zoo lief heeft. Madame of Mijnheer ik dank u voor hetgeen u hebt geschrefen. Mijnheer, wilt U ook zoo goed zijn een kaartje naar mijn kind te schrijfen en er op zetten als dat zijn ouders zijn kaartje hebben ontvangen van de 27en als dat zijn ouders zusters en broeders er heel blijde mee waren en niet vergeten te groeten van zijn broer Jozef Mussels te doen, hij gaat bij een boer daar moet hij niet op denken en dat zijn broeder al twee brieven heeft van gekregen en hij bedank u zoo innig het doet hem hard zeer hij mag van ginder niet schrijfen erop zetten dat hem vele kussen van zijne moeder zuster broerders heeft, veel kussen op zun dikke wangen. Zult u het is doen mijnheer?

Mijnheer het geld dat verschiet u mij zulle!

Betekent die cryptische laatste zin dat Cornelia van Beek geld heeft opgestuurd naar de familie Mussels? Ik kan niet inschatten of het bij haar persoonlijkheid past, de brieven van Cornelia ontbreken telkens. Heeft Jan Mussels haar brieven bewaard? Liggen ze bij zijn nazaten nog ergens te vergelen in een schuif?

Tabak schooien, de kaartjesregeling met thuis bespreken, wat summiere informatie over het frontleven. En ook in elke brief een aantal hooggestemde Vlaamse frasen.

Nog harde dagen zien ik hier aanbreken, maar vol trots zien ik deze tegemoet want uit deze zal de zegepraal geboren worden. Wij Vlamingen brengen bijzonder het onze daartoe bij, omdat wij bewust zijn; dat we terug zullen worden wat we ééns waren, een groot volk.

Dat zijn de vaste ingrediënten. Het is een bizarre mix.

Na wat gemok besluit ik dat ik te veel verwacht van de brieven. Wat kan Jan Mussels zijn oorlogsmeter ook vertellen? De meeste jongens die aan de IJzer lagen, waren zeer eenvoudige dorpsjongens wier leven voor de oorlog volledig ingebed was in de tien straten rond hun huis. De oorlog rekt hun belevingswereld wel op, ze gaan op verlof in Brighton of Parijs. Maar de meeste brieven vanuit de loopgraven behandelen wie van het dorp overleden is, of wie van twee straten verder gewond is geraakt. Die streekpraatjes kan Jan met Cornelia niet voeren, dus wat schiet er dan over? De verveling in de loopgraven werkte waarschijnlijk ook eerder geestesdodend dan stimulerend. Waar hoop ik dan op? Op filosofie? Een ontluikende schriftelijke romance tussen twee mensen uit een zo verschillende stand, twee mensen die mekaar zonder een oorlog op straat wellicht niet eens gegroet zouden hebben?

Maar dan komt er toch een brief waarin Jan zijn tamelijk literaire, zelfs licht gezwollen stijl laat varen.

Beste Weldoenster,

Met eene overgroote vreugde heb ik uwe brief ontvangen waarin ik gezien heb alsdat u mijn portret ontvangen, hetgeen mij heel veel plezier gedaan heeft.

Ook beste Weldoenster zou ik gaarne van u een portret wilen ontvangen, want ik denk tog zoo dikwijls aan u, omdat gij zoveel doet voor mij op te beuren.

Verder liefste, de koude die wij geleden hebben in de loopgracht is onbeschrijfelijk maar wij hebben het met een echte vlaamsche moed doorstaan.

Want een dezer dagen zal den lagen duitsch tog moeten wijken, en als ik dan nog zal leeven, dan zal ik met mijne familie die nu nog zoo ver van mij verwijdert is, naar holland komen om u te bezoeken, en dan zult u wel beloond voor hetgeen u reeds al gedaan hebt voor mij.

Ik ben verplicht van te sluiten daar ik gebrek heb aan nieuws en let niet al te wel op het geschrift want het is in den loopgracht geschreven

Aanvaard intuschen mijne beste groeten

Uwen vriend die zo dikwijls aan u denkt

Jean Mussels

G295 1e Compagnie

Belgisch Veldleger

België

Liefste? Ik denk toch zo dikwijls aan u? Hier lijkt te gebeuren wat mevrouw Hullebroeck in haar voorwoordje van de brievenbundel De Vlaamsche ziel, brieven van het Yserfront voorspelt: “Een briefwisseling heeft een oorlogsmeter steeds met denzelfden soldaat, waardoor de toon vertrouwelijker en hartelijker kan worden.” De stijl van Jan Mussels is veel directer, veel naïever en minder cerebraal dan in voorgaande brieven. Hij schrijft ook veel meer fouten. Moest hij zich haasten, hier? Was hij vermoeid?

Cornelia van Beek krijgt er ook kop noch staart aan, blijkt uit een brief op 25 december waarin Jan teruggrijpt naar zijn gebruikelijke stijl.

Front 25/12/17

Waarde oorlogsmeter,

Juist met Kerstmis ontving ik uw langen brief. Rustdag zijnde besteed ik volgaarne een weinig van mijnen vrijen tijd, en zal er mij tevens eens goed op toe leggen, aan uw verlangen te voldoen, namelijk U zoo duidelijk mogelijk te antwoorden op uwe vragen.

Vooreerst, daar het nieuwe jaar 1918 zal ingetreden zijn, wanneer U mijn schrijven zult ontvangen, moet ik U met deze gelegenheid, bijzonderlijk de beste wenschen van gezondheid toesturen van 18 en nog vele navolgende. Ook ware het te hopen dat het menschdom zich dit jaar verzoene en vrede maken daardoor ook uw landje verlosse van het wee, die het ook drukken.

Nu waarde Oorlogsmeter moet ik het U eens vertellen, want ik zie dat de brieven U in Holland zo verward toeschijnen. Deze maal is het weer niet het handschrift van Mussels, uw eigenlijke oorlogspeteking. Want hij zal U misschien nooit schrijven daar hij ongeletterd is. Ik ben eene zijner wapenmakkers. Vroeger schreef ik U reeds eenige malen. Maar daar den dienst mij elders riep heb ik voor eenige maanden de Kompagnie moeten verlaten in mijne afwezigheid waren het andere soldaten welke U voor onze Jan Mussels schreven, en vandaar deze verschillige gedachten. Reeds menigmaal spoorde ik Jantje aan toch een weinig te leeren. Hij geeft daar gehoor aan voor eenige dagen en neemt dan les bij onze brancardier, een onderwijzer van vredestijd. Maar een kaartje spelen doet hij toch liever, anders is hij zeer braaf en gedienstig een moedig soldaat en ieders vriend. Hij vertelt mij over zijne familie, een weinig over zijn leven, en voor zoover ik hem ken deel ik U dit mede, met ook een weinig van mijne gedachten, om toch een briefje aaneen te kunnen klinken en dit U te zenden.

Ah! Hier komt de aap uit de mouw. Slimme Jan had een achterpoortje gevonden om, hoewel zo goed als ongeletterd, toch zijn voorraadje tabak en zijn kaartjes te krijgen. De Vlaamsgezinde frasen kreeg hij er, afhankelijk van zijn ghostwriter, al dan niet bij. Ter verontschuldiging voor zijn list stuurt Jan een briefje aan Cornelia, in ontroerende hanenpoten.

Beste Meter,

Ik zal trachten U ook eenige woorden toe schrijven. Maar mijnen kameraad Frans moet me toch nog wat helpen. Maar eenen volgende maal zal het toch beter gaan zoogaauw mijne boekjes aankomen.

Ik groet u vriendelijk

Jan Mussels

De volgende brief is ondertekend met:

‘Soldaten Jan Mussels

Frans Embrechts

1ste Cie’

Frans Embrechts stelt er zichzelf in voor: vrijwillig in dienst gekomen in 1915, afkomstig van Turnhout, twee zussen en drie broers, alle drie in het leger.

“Eene van ons werd gekwetst, men mag zich hier aan alles verwachten. Maar in alle geval wij houden goeden moed, en hoop vast van er door te spartelen.”

In volgende brieven is Jan steeds aan het kaarten of gaan voetballen. Zo zal Jan het zich gedroomd hebben: Cornelia blijft tabak sturen, maar hij hoeft niet meer te schrijven. Frans Embrechts ontbolstert nu hij in eigen naam mag schrijven.

Wat zegt U beste Peet, dat je toch al een oude meme bent. Maar wanneer U met de kleine nichtjes en neefjes in de duinen bent, los en vrij, geeft U misschien nog leskens aan de jongeren. Tenminste zijt U toch vol levenslust. Hier bij ons in de compagnie treft men mannen van 18 tot 35 jaar soms zoals eenen troep schoolkinderen, en de ouden geven zich ook niet onder voor de jongeren.

Cornelia voelt zich schuldig omdat ze te lang heeft gewacht met schrijven doordat ze een borduurachterstand moest inhalen. Frans schrijft haar schuldgevoel weg.

U moogt het zich niet meer verwijten van lui geweest te zijn met de pen, daarbij de redens waren zeer gegrond een weinig het schrijven uit te stellen, want U moogt niet, uwe familieleden vergeten en de petekinders. Zeker zullen zij, zeer tevreden geweest hebben op hunnen verjaardagen hun geschenk ontvangen te hebben. Ik durf soms ook wel eens uitstellen voor een paar dagen, aan mijne petemoei te schrijven, maar in die dagen van uitstellen, vergeet ik daarom niet aan haar te denken. Zoodus, U hebt zeer wel gedaan uwe borduur- en andere handwerkjes af te maken. Als je zoo ijverig zit te zwoegen, zou ik ook wel zeggen: zit toch zoo niet te peuteren, maar langs den anderen kant moet ik het geduld bewonderen, noodig om dit peuterwerk te doen, en dat wij soms niet zouden bezitten.

Om maar te tonen dat frontsoldaten ook na een paar jaar oorlog nog consideratie kunnen opbrengen voor de besognes van de burgerij.

Soms duurt het immers ook een tijdje voor Frans terugschrijft, zij het om redenen van een andere orde.

Front, 16 mei 1918

Waarde Oorlogsmeter,

Het deed ons beiden zeer veel genoegen je brief van 16 april te ontvangen. Juist waren wij in de loopgrachten, en moest enige dagen wachtens alvorens U antwoord te kunnen geeven, want den Duitsch had er zoo leelijk ons boeltje ’t ondersteboven gekeerd, dat de plaats ongeschikt was om te schrijven.

Wanneer ik weder terug aan ’t front kwam, was het bij ons ook volop oorlog, als nooit tevoren. Maar ik durf zeggen, dat wij ons allen prachtig houden. Bijzonder onze Compagnie heeft zich bijzonder onderscheiden, met het hoofd te bieden aan eenen overmachtigen Duitschen aanval, welke vooraf ging aan een lang en vreeselijk bombardement dat vele uren duurde. Onze officieren gaven een schoon voorbeeld en ook natuurlijk de soldaten volgden. Ik werd met eenige mijner wapenmakkers aan de orde van het regiment vermeld, en heb ook de strepen van korporaal verworden, om mijne goede houding gedurende den slag.

Ik ga mijn briefje sluiten en groet u vriendelijk, steeds blijf ik moedig, en tot een volgende maal,

Uw oorlogspetekind

Frans Embrechts

Hier moet Embrechts het over de laatste grote doorbraakpoging van het Duitse heir hebben. Nog eenmaal wierpen ze alles en iedereen wat ze hadden in de strijd, in de hoop de komst van de Amerikanen voor te zijn. Het zou tevergeefs zijn, maar dat weet Embrechts in deze brief nog niet.

De volgende brieven schrijft hij vanuit Carteret, waar hij opleiding mag geven aan oudere oorlogsvrijwilligers die hopen mee te helpen om het tij te keren. Enkel op uitdrukkelijke vraag van Cornelia wil Frans beschrijven hoe het voelt om een lijf-aan-lijfgevecht te voeren.

Het is wreed wanneer men zulke slachterij onder de oogen ziet. Voor eenen aanval, ik geloof niet, dat er iemand is, die niet eenige oogenblikken in angst verkeert. Dit duurt toch maar minuten, en de vrees is in woede veranderd, en dan ontziet men niets meer, langs beide kanten is het oog voor oog en tand voor tand. ’t Is maar na eenen aanval dat men walgt voor dit onmenschelijk sport.

In Carteret hoeft Frans er even niet aan te denken, hij leeft het mooie leven. Hij geeft les, zo schrijft hij, gaat pootjebaden in de zee, zoekt schaaldieren op de rotsen, luistert naar soldatenliedjes van muzikale leerlingen.

Maar dan vertrekt hij weer.

Carteret, 22 september 1918

Waarde meter,

Morgen maandag, zal ik het dorpke Carteret verlaten ter bestemming voor het front en zal het binnen weinige dagen weder oorlog voor me zijn. Toch trek ik er moedig naartoe. Ik verlang mijne oude strijdmakkers weer te zien, hun een handje te helpen in hunne tegenwoordig moeiëlijke taak en hun leven te deelen. Volgens het schrijven der dagbladen, doen onze regimenten goed werk, ik moet daar ook bij zijn.

Ik kreeg hier eenige edelweizen welke gerepatrieerde krijgsgevangenen op de zwitsersche bergen plukten. Waarschijnlijk zult U deze bloemetjes natuurlijk al gezien hebben? Ik nog niet. Ik stuur er U eentje voor als herinnering.

Dezen namiddag hebben wij een afscheidsfeestje gegeven ter eere der mannen die morgen naar het front gaan. Het word tijd mij een weinig op te borstelen en sluit mijn briefje U mijn beste gezondheidswenschen toesturende

Uw oorlogspetekind.

Frans Embrechts

Ik ben razend benieuwd naar wat er nu komt. Frans gaat meedoen aan het slotoffensief. Het Belgische leger was na drie jaar relatieve rust veel sterker en beter georganiseerd dan bij het begin van de oorlog. Toch eiste het bevrijdingsoffensief enkel in de eerste zes dagen al 15.000 doden. Ik voel aan de stapel brieven. Een vijftal bladzijden. Dat moet genoeg zijn om Frans de periode te laten overbruggen tot de wapenstilstand op 11 november.

De volgende brief is er een van Cornelia van Beek!

Van Stalkweg 21

Den Haag

24 october 1918

(Krijg ik ook eens een portret van U?)

Waarde Embrecht,

Zoo, dus u bent nu weer uit Frankrijk terug, dat lees ik uit uw laatsten brief, van 22 september, die ik zondagochtend 20 oct. ontving. Ach ach, wat zijn we al weer veel verder met de oorlog, sind u dit aan mij schreef, of liever gezegd wij niet maar de Vlamen en Belgen. Den Duitsch krijgt er nu leelijk van langs, en u hebt daar dapper aan mee geholpen, denk ik, ten minste te oordeelen naar uw laatste schrijven was u vol vuur, om weer naar het front te gaan, ik bewonder uw moed en begrijp er niets van hoe iemand met dat gevoel bezield kan zijn. Ik hoop van harte dat u er zonder gewond te zijn afgekomen bent, en ook Jan Mussels, van wie ik nooit meer iets vernam.

Eenige avonden geleden was ik in een comedie waar Belgen een voorstelling gaven en ook het publiek bestond bijna alleen uit Belgen en Engelschen. Bij het uitgaan om kwart over 11 riepen de krantejongens opeens dat er extra edities van de dagbladen nog uitgekomen waren. je begrijpt, zoo laat, daar moest iets in staan. En jawel, daar lazen wij het: ‘De Vlaamsche kust ontruimd’. Wanneer u de geestdrift bij had kunnen wonen van al die Belgen en Engelschen die daar uit de Comedie kwamen, dan had dat zeker uw hart goed gedaan. Ze begonnen te dansen en te zingen en hoera te roepen en de straat opeens zoo levendig dat je niet kon begrijpen, dat ’t al bijna middernacht was.

Raad eens, wat ik goed gekregen heb, het edelweisje, dat mooie zachte zilveren bloemetje? Ik zal het goed bewaren. ’t Is net fluweel, hé, en je kunt niet begrijpen hoe zulke teere bloempjes in sneeuw en koude groeien kunnen.

Nu ga ik mijn praatje weer eindigen. Ik wens u het beste toe, wie weet hoe dicht u bij de Nederlandsche grens op post staat, laat mij maar gauw weten of u al in ’t bevrijde Brugge geweest bent.

Ontvang vele groeten van uw oorlogsmeter

C. van Beek

Waarom zat hier voor het eerst een brief van Cornelia? Ze moet deze teruggestuurd hebben gekregen! Was er geen postbedeling tijdens het bevrijdingsoffensief? Dat kan natuurlijk. Ik zie onzinnige beelden voor mij van een postbode die paniekerig tussen de twee linies in loopt, een hand vol brieven in de lucht gestoken, zijn hoofd ineengedoken, schoten ontwijkend.

Eén brief nog.

Deze moet van Frans Embrechts zijn.

Het is er een van zijn zus, Clara Embrechts.

Turnhout 16 Januari 1919

Geachte Jufvrouw,

Wij ontvingen van u daar juist eene kaart waarin U naar nieuws van onzen Frans vraagt? Wij moeten U met droefheid melden dat hij gesneuveld is. Hij was op 14de October gekwetst in den buik, en naar het hospitaal te Hoogstade gebracht alwaar hij den 30ste Oct overleden is. Wij hebben dit vernomen van den aalmoezenier die hem gedurende die veertien dagen gedurig had bezocht, en hem tot eene goed dood heeft voorbereid, hij heeft dan nog dikwijls de H. Sacramenten ontvangen en is dan eene schoone dood gestorven, dat is toch nog een groote troost voor ons.

Zijn lijkdienst heeft hier plaats den 27sten Januari, maandag acht dagen. Wij zullen U dan als de doodsbeeldekens af zijn er een zenden, zijn portret staat er op. Zoo, waart u dan zijn oorlogsmeter? daar wisten wij niets van. Wij bieden U dan Jufvrouw onze hartelijkste dankzeggingen over den troost welke U hem door uw schrijven en door uw verder weldoen verschaft hebt. ’t Is toch spijtig niet waar? eene van de vier en zoo op ’t laatst nog moeten vallen, maar wat kunt ge er aan doen aan den wil Gods. Maar och hij zal zijn loon al reeds ontvangen hebben in den hemel, wij zullen daar toch eensmaal wedervinden.

Nu vele groeten van ons allen

Clara Embrechts

PS U vraagde ook in uw brief juffrouw of wij Jan Mussels niet kenden, wij hebben er al achter geïnformeerd maar men kan hem ons niet thuis wijzen.

Onderaan in de doos zitten nog drie foto’s. Een van Cornelia van Beek. Een van Jan Mussels. Een doodsprentje van Frans Embrechts. In de verte luidt de beiaard opnieuw.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234