Donderdag 06/10/2022

Een amour fou met de muze

Martin Mosebach wordt beschouwd als een van Duitslands meest vooraanstaande auteurs. In zijn nieuwe roman staat het toeval centraal. 'Het is het enige fenomeen waarvan je met zekerheid kunt voorspellen dat het zich zal voordoen.'

Martin Mosebach situeert zijn romans graag in Frankfurt, de plek waar hij woont. Dat heeft het voordeel dat hij zijn locaties niet hoeft te verzinnen. De schrijver maakt gebruik van wat voor de hand ligt. "Mijn bijzondere relatie met mijn geboortestad Frankfurt am Main impliceert dat ik haar als een van de verderfelijkste en lelijkste steden van Duitsland ervaar. Maar in mijn fantasie en in het innerlijke beeld dat ik van de stad heb, denk ik eraan als een van de mooiste steden die ik ken", zo begint een van de talrijke essays waarin Martin Mosebach Frankfurt als het theater van zijn leven en zijn literatuur beschrijft. Even complex als zijn band met de stad zijn Mosebachs betrekkingen met de personages die Het onvermijdelijke toeval, zijn laatste roman, bevolken. "Ik schep mijn verhalen uit de observaties, uit de belevenissen, uit de omgang met de mensen die ik ontmoet. Maar ik schrijf geen sleutelromans. In mijn romans herschep en monteer ik die ervaringen op mijn manier en speel er patience mee tot er een artistieke structuur ontstaat. Weliswaar schrijft het leven mooie verhalen, maar als romancier kun je die niet klakkeloos overnemen. Meestal moet je de realiteit temperen om ze waarschijnlijk te maken."

Dat is geen gemakkelijke opdracht voor een roman die het verschijnsel toeval thematiseert, zoals uit de titel blijkt. Mosebach: "Het toeval doorkruist onze hoop en onze vrees. Het toeval is het enige fenomeen waarvan je met zekerheid kunt voorspellen dat het zich zal voordoen. Om het even wat we plannen, een of ander toeval zal het beïnvloeden."

In Het onvermijdelijke toeval werpen we een blik achter de coulissen van de Hopstens, een rijk en blijkbaar zorgeloos Frankfurts gezin - een echtpaar van middelbare leeftijd met zoon en dochter - dat zijn deuren opengooit voor een select publiek. Maar er zijn uitzonderingen. De komst van Joseph Salam, een louche Libanese zakenman met Weens accent, initieert een ontbindingsproces dat reeds in het milieu besloten ligt. Salams verschijning veroorzaakt een algemene ontregeling van de maatschappelijke en emotionele relaties die bij de ouverture van de roman nog vrij stabiel leken. Salam gedraagt zich als een ongeleid seksueel projectiel. Het gebeurt dat hij onaangekondigd bij de getrouwde gastvrouw Rosemarie Hopsten aanbelt met geen ander doel dan haar meteen te nemen, wat hij ook doet.

DSK

Als lezer ontkom je niet aan de indruk dat we in Salam het type DSK ontmoeten, een impressie die de auteur, wiens roman vóór de Strauss-Kahnaffaire verscheen, niet afwijst: "Ja, achteraf dacht ik zelf ook: je hebt een DSK geschilderd. Maar ik ben niet geneigd mijn personages te veroordelen. Comprendre, c'est pardonner. Ik geloof dat romanciers geen echte antenne voor het kwaad hebben, omdat ze altijd proberen hun personages te begrijpen of ze in hun onbegrijpelijkheid te bewonderen."

Misschien is dat de reden waarom Mosebach zo graag het gedrag van dieren beschrijft, schepsels die zich onttrekken aan morele en ethische normen en oordelen. Liever dan een levenloze decoratie installeren de Hopstens een levend wezen in hun chique vertrekken, een kaketoe, een vogel die met zijn nijgende kuif een meditatief karakter suggereert, hoewel dat slechts de vermomming is van de agressieve, op overleven getrainde waakzaamheid die in zijn scherpe snavel schuilt. Mosebach: "Het dier belichaamt voor mij het pure, onbewuste leven en is daarmee eigenlijk de geheimzinnigste vorm van leven. In de dieren klopt het bloed; een verzwakking door het denken doet zich in hen niet voor."

Artificiële wereld

Martin Mosebach beklemtoont dat hij in Het onvermijdelijke toeval een artificiële wereld schept: "Het milieu dat ik beschrijf bestaat in werkelijkheid niet, de Frankfurters zijn niet zo wellustig als ik ze hier presenteer. Frankfurt is hier voor mij alleen maar het podium van een commedia dell'arte." Het schijnbaar verhevene botst in deze vertelling met het werkelijk burleske en groteske. Neem nu het personage van Hans-Jörg Schmidt-Flex, die als onderdrukte zoon van een monumentale vader niet aarzelt om na het bezoek aan een proctoloog het verfijnde salongezelschap te vergasten op een uitgebreide reportage over zijn aambeien en de noodzaak zijn sluitspieren te trainen. Mosebach: "Ik ben een lachlustig mens. Het maakt me gelukkig om in een bepaalde situatie het komische te ontdekken, maar niet om iets of iemand belachelijk te maken. Don Quichot heeft me geleerd dat we hier op aarde moeten verdragen dat het tragische en het komische als in een vlecht met elkaar verstrengeld zijn. Het komische zorgt er ook voor dat de afstand die de verteller tegenover zijn materiaal en zichzelf moet innemen gemakkelijker tot stand komt."

Maar ondanks die distantie die hij zichzelf oplegt is Martin Mosebach niet in staat iets zinnigs te zeggen over de evolutie van zijn schrijverschap: "Elk boek dat ik schrijf is voor mij als een eerste boek. Ik heb altijd de indruk dat ik niet kan terugvallen op de ervaring van boeken die ik eerder geschreven heb. Daardoor heb ik ook het gevoel dat al mijn boeken zeer verscheiden zijn. Uit het ene boek kun je geen conclusies over de andere boeken trekken, ook al zullen buitenstaanders er wel veel gemeenschappelijke dingen in ontdekken."

Dialoog met de meesters

Martin Mosebach is een erudiet auteur. Behalve romans, theaterstukken en gedichten schrijft hij lucide essays over het vak dat hij beoefent en over de meesters die hij bewondert. Tot die laatsten behoort de Oostenrijkse schrijver Heimito von Doderer, wiens opvattingen over de romankunst Mosebach graag tot de zijne maakt: "Von Doderer heeft eens gezegd: 'Wat een roman is, bepaalt degene die hem schrijft.' En hij heeft nog iets moois gezegd: 'Er is sprake van een roman als je niet kunt zeggen wat erin gebeurt.' Dat betekent tweeërlei: enerzijds is een roman de meest open vorm van alle mogelijke verhalen; formeel gaat het om het literaire genre dat het minst gefixeerd is. En ten tweede is de roman een vertelling die geen pointe beoogt, maar is hij een brede stroom, die zijwegen en zelfs stagnatie toelaat. Uit het verhaal ontstaan verhalen. In Europa en Azië is in de loop van meerdere duizenden jaren zo schitterend verteld dat het voor een aankomend schrijver werkelijk idioot zou zijn als hij zich van die verhaalstroom zou afkeren. Als schrijver dialogeer je met de grote werken uit het verleden, de meesterwerken die tot de literaire canon behoren." Over zijn plaats in die canon maakt hij zich geen illusies: "Het is gewoon onmogelijk om te voorspellen of mijn werk een generatie zal overleven, en duurzaamheid is zoals je weet een van de belangrijkste voorwaarden voor opname in de canon."

Martin Mosebach, die in 2007 werd onderscheiden met de Georg-Büchnerprijs, Duitslands meest prestigieuze literaire prijs, is over zulke kwesties even stoïcijns als sceptisch. Liever dan zich in speculaties te vermeien doet hij een beroep op de lezer, die wellicht beter de standplaats van de schrijver kan bepalen dan de schrijver dat zelf vermag: "Ik leer van mijn lezers meer over mijn boeken dan ik er zelf over weet." Hij is het helemaal niet met mij eens dat zijn boeken streng van vorm en gestileerd zijn, want beide eigenschappen bevallen hem niet, maar "we kennen nu eenmaal onszelf niet en misschien hebt u wel iets gezien wat klopt".

Laatbloeier

Nauwkeuriger kan Mosebach vertellen over zijn observaties van zichzelf als praktiserend schrijver. Naar eigen zeggen is hij een laatbloeier: "De meeste schrijvers die ik ken, schreven reeds als scholier. Dat lag helemaal buiten mijn horizont. Mijn juridische opleiding was een noodoplossing, omdat ik geen idee had wat ik anders had moeten doen. Maar één ding was me duidelijk: geen literatuur. Ik was tweeëndertig jaar toen ik mijn eerste roman publiceerde, een leeftijd waarop heel wat schrijvers al hun derde of vierde boek hebben uitgegeven."

Mosebach vertelt graag over de concrete aspecten van het vak. Echt gedisciplineerd kun je zijn schrijverschap niet noemen: "Thomas Mann was met zijn muze getrouwd, maar zelf beleef ik er telkens weer een amour fou mee. Ze valt over me heen en we laten elkaar niet los tot we beiden uitgeput zijn. Daarna zien we elkaar gedurende maanden niet weer. Om te schrijven reis ik graag naar het buitenland, bij voorkeur naar een ver oosters land waarin ik als het ware wegzink en waar ik me met huid en haar aan mijn boek kan overleveren. Het komt me vooral ten goede dat ik daar de alledaagse Duitse taal niet hoor, maar dat ik er alleen de taal van mijn boek in mijn oor heb.

"Schrijven is een zo luchtige aangelegenheid dat ik daartegenover een lichamelijke weerstand moet plaatsen. Daarom schrijf ik met de hand. Ik wil iets ambachtelijks met het schrijven verbinden, de hand moet er een actief aandeel in hebben. Als ik een nieuw boek begin, blijkt al in de eerste dagen in welk ritme het zal groeien, welke hoeveelheid tekst er dagelijks kan ontstaan. Het is als met een bergwandeling: je moet er niet op los draven, maar je moet een tempo ontwikkelen dat je gedurende vele uren kunt volhouden. Als je een berg tekst voor je hebt, is het niet anders: het komt op de regelmaat en de continuïteit aan, het heeft geen zin te veel van jezelf te vergen."

Maar je zou ook kunnen opperen: voor de schrijver en de lezer wordt de bergwandeling pas interessant als de wandelaars falen, als hun iets dramatisch overkomt, of als de 'helden' er zelf voor zorgen dat ze hun vijanden niet ontlopen, al was het maar door ze zich in te beelden, zoals de windmolens van Don Quichot. Ze voor het oog van de wereld in dat falen begeleiden en ervoor zorgen dat ze ten minste in dat mislukken slagen, is een taak die de schrijver Martin Mosebach graag op zich neemt.

BIO

Martin Mosebach

Het onvermijdelijke toeval

Nieuw Amsterdam, 288 p., 19,95 euro. Vertaald door Gerrit Bussink

Geboren op 31 juli 1951 in Frankfurt am Main

Volgt een opleiding in de rechten

Wordt als schrijver door de historicus Golo Mann ontdekt en debuteert in 1983 met de lijvige roman Das Bett

Publiceert talrijke romans (Eine lange Nacht, Das Beben, Der Mond und das Mädchen) en daarnaast ook essays, luisterspelen, gedichten en theaterstukken

Wordt in 2007 onderscheiden met de prestigieuze Duitse Georg-

Büchnerprijs

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234