Vrijdag 30/09/2022

Een deken en een lang blond vrouwenhaar

Erik Mertens over 'zijn' vondeling Erik Jozef Bell

Agent Erik Mertens ontdekt op een koude decembernacht in 1975 een pasgeboren baby in een Gentse telefooncel. Een week na de vondst van baby Jasper Van Essen vertelt Mertens het verhaal van toen.

door Marijke Libert Foto Stephan Vanfleteren

Erik Mertens: "Ik had al wat opgeraapt in mijn leven, indrukken vooral. Ik maakte avonturen mee, was een rekel. Ik had bijnamen: de witten, wegens mijn haar, mijn witte, wilde haar. Of den aaneengenaaiden, omdat ik als para ooit in een tachtig meter diep Grieks ravijn was gevallen en met één meter chirurgische draad en wat ijzeren staven opnieuw ineengezet moest worden.

"Dat was één val te veel, want de para mocht daarna niet meer springen. Dus werd ik flik in Gent. Een paar jaar later kreeg ik een nieuwe bijnaam: de vinder. Die heb ik als een titel gedragen, mijn hele carrière lang. Vorige maand ging ik met pensioen. Over veertien dagen zal het eenendertig jaar geleden zijn dat de feiten zich voordeden. Ik moest eraan denken toen ik het nieuws zag en las over Jaspertje Van Essen, de vondeling uit Antwerpen. Ik dacht: 'Wat een gedoe.' Nochtans hadden wij ooit de primeur, in Gent. Toen was het 125 jaar geleden dat men een naamloze baby had gevonden.

"Goed. Het overkwam mij, in de nacht van de eenentwintigste op de tweeëntwintigste december... Dat lees ik in mijn pv, de enige pv die ooit in ons familiealbum belandde. Naast de foto van...

"We schrijven het jaar 1975, één uur tien 's nachts. Mijn collega en ik zijn ter hoogte van de Watersportbaan als we de radiofonische oproep krijgen om ons te begeven naar het kruispunt van de Achilles Musschestraat met de Zwijnaardse Steenweg. 'Daar ligt een kind', zo wordt gezegd, 'in een telefooncel.' Collega Jozef lacht: 'Komaan, in de studentenbuurt, die jonge gasten gaan nog eens met ons dinges spelen.' Toch moeten we ter plaatse gaan om ons van die 'grap' te vergewissen.

"Het is slecht weer, guur is het juiste woord. Regen, hagel. Natte sneeuw dretst op de voorruit van de interventiewagen, op de koude grond, op de telefooncel waarvoor Jozef een paar minuten later parkeert. Hij zegt: 'Voilà, wat zei ik, niets te zien. Ik stap toch uit. Ergens is er dat vreemde gevoel... Je weet maar nooit wat zich achter die brede grijze band onder aan de cel bevindt. Ik nader het hok en hoor ineens: 'Whèèè.' Ik trek de deur open en zie een pakje dekens liggen. Het schreien komt daaruit. Ik kijk goed, ontwaar dan het gezicht van een minuscuul kind. Ik neem het hele boeltje op, zie de baby. Naakt, pasgeboren, nog vol bloed. Op dat moment is het alsof de wereld echt even stilstaat. Je siddert en denkt: 'Wat overkomt mij hier?' Wat doe je met een hoop dekens met daarin iets wat pas ter wereld kwam?"

"Toch is daar snel de rede van de politieman. Ik stap naar de wagen en beveel: het dichtstbijzijnde ziekenhuis! Jozef kijkt eerst verstard naar dat buideltje op mijn schoot en vertrekt dan, met gierende banden. In de auto, die paar minuten, blijf ik maar staren naar dat naakte beetje mens, ik zie de korstjes slijm van de baarmoeder waaruit het kind zich pas heeft losgemaakt. Ik denk: 'Zijn moeder heeft hem daar gelegd, wat erg.' Die moeder, of haar helper, heeft het allemaal heel snel gedaan. De navelstreng is niet eens afgebonden maar op vijftien centimeter van het lichaampje met een simpele schaar doorgeknipt. Het is heel stil in onze wagen onderweg. De dichtstbijgelegen kliniek is het universitaire ziekenhuis, amper een kilometer verderop. Ik kijk nog eens naar de bundel. Ik zeg: 'Het is een jongetje.' Heeft iemand dat eerder gezegd?

"De spoedafdeling 's nachts. Een slaperige wereld, een verpleger van dienst. 'Een ogenblikje', zegt die, wanneer wij daar binnen razen. Ik zeg: 'Niets ogenblikje, nu, meteen, snel en direct. Ik heb een vondeling bij.' Eerst is er ongeloof. Al duurt dat maar een paar seconden. De consternatie is meteen groot. 'Whèèè', horen we, almaar dat aanhoudende huilen. Het kind wordt uit mijn armen getrokken, dekens weg, dokter erbij, nog een dokter erbij, verpleegkundigen erbij. In geen tijd staat de spoedafdeling in rep en roer. Van overal stroomt volk toe, ook volk dat er niet moet zijn. Later komen de journalisten.

"Ineens word jij, de vinder, op de achtergrond gezet. Wat ergens vanzelfsprekend is. Je bent professioneel, een agent. Je deed je job, een interventie. Nu moet je een verslag opmaken. Er klopt iemand op je schouder, een verpleger met een schrijfplankje. Hij vraagt: 'Mijnheer de agent, wie moet ik inschrijven als patiënt?' Ik zeg: 'Goede vraag, ik zou het niet weten.' Tja, wat doe je in zo'n geval? Het was verdorie meer dan een eeuw geleden dat er in Gent nog zoiets gebeurd was. Ik hoor de dokter op dat moment ergens in de verte zeggen: 'Kind van het mannelijke geslacht, gezond, op gewicht. Ik bind nu de navelstreng af, de baby gaat naar de afdeling voor verzorging.' Ik zucht, ben tevreden met dat bericht. 'En toch moet ik een naam hebben', dringt de verpleger aan, 'een identiteit.' Ik word kregelig, ik zeg: 'Ik weet niet wie hij is, ik heb hem verdorie in een telefoonkot gevonden.' De verpleger vraagt me naar mijn voornaam. Erik, zeg ik. En die van mijn collega? Jozef. In een paar seconden tijd is het kind zonder naam gedoopt: Erik Jozef. De mannen naar wie de naam verwijst, rijden even later nog altijd beduusd terug naar het hoofdkantoor en lichten er hun officier in.

"Die ochtend trek ik groggy naar mijn bed, maar word een paar uur later gewekt. Gesommeerd door mijn hoofdcommissaris Mortier. Hij wordt overstelpt met vragen van de pers, hij heeft mijn verslag gelezen, maar hij wil mijn verhaal horen. Ik vertel alles tot in het kleinste detail. Ook meld ik dat ik nadien patrouilles in de buurt van de telefooncel liet rondrijden. Ik verneem dat de oproep die 's nachts was doorgegeven uit een telefooncel op een paar straten van de vindplaats kwam. Van betrokkenen, wellicht, de moeder, haar partner? Een studente, denkt men en zal men blijven denken als het dossier jaren later zonder uitkomst wordt afgesloten. Ik herinner me dat ik op het moment dat ik het kind in mijn handen hield, iemand op een brommertje zag wegracen. Nadien is dat een raar idee, dat mogelijk een van de natuurlijke ouders van het kind in de buurt was toen ik hun kind opnam. Die wou blijkbaar zien of het kind goed was terechtgekomen.

"The day after is er een met wisselende emoties. Het onderzoek loopt, alles wordt uitgedrukt met formele woorden. Zo staat er in het verslag: 'Heden neerlegging ter griffie van een bruin deken en een lang blond vrouwenhaar.' Dat was het enige wat we aan tastbaar materiaal hadden, die nacht. Een smoezelig deken in serge en dat lange blonde vrouwenhaar dat op dat deken lag en een beetje glinsterde op mijn schoot. Van de moeder wellicht, dat kon niet anders.

"Die eerste uren van de volgende dag blijf je in verwondering rondlopen. Wat ik meegemaakt had, was niet zozeer een mooi maar een bevreemdend moment. Mijn vrouw zei: 'Oh, Erik, een kerstekind.' Ook andere mensen zagen er een vorm van romantiek in. Ik niet, ik dacht aan die lugubere natte sneeuwnacht en aan dat 'whèèè' dat uit die cel weerklonk. Mijn hoofdcommissaris stuurt me de dag nadien naar de dienst Bevolking. Wettelijk moet de vinder de geboorte melden van de vondeling én hem een naam geven. Ik moet twee getuigen meenemen: Jozef en de officier van wacht. Wat ik bij de burgerlijke stand meemaak, is pure Kafka. Ik loop er tegen een ambtenaar met een missie aan, een die zijn belang wil accentueren in een niet alledaags dossier. Ik zeg hem dat ik een kind kom aangeven volgens de regels van de wet, dus binnen de 48 uur. Ik spel de beide voornamen waaronder de baby in het uz ingeschreven staat. De man schrijft Eric neer. Ik zeg: nee, officieel is het Erik met een 'k'. Hij weigert dat met als argument: 'Dat verwijst te veel naar de Duitse spelling en daar zijn wij hier tegen.'

"Iets later staan we weer op straat. De vondeling heeft nog altijd geen naam, geen officieel bestaan, is niet geregistreerd. De hoofdcommissaris stuurt me ogenblikkelijk terug naar de bevolkingsdienst. Daar schrijft de man na wat gefoeter toch Erik op, maar weigert nadien resoluut de familienaam die ik voor de baby bedacht. Ik wil hem Erik Jozef Bell noemen. Naar de uitvinder van de telefoon, Alexander Graham Bell. Wegens de vindplek en omdat die naam zo zwierig klinkt als de persoon naar wie hij verwijst. De ambtenaar weigert, dus wij weer naar af. Ik roep de hulp van het gerecht in, dat meteen en efficiënt reageert. Een dag later staan we er terug met een onderzoeksrechter en met de schepen van de burgerlijke stand. Net binnen de 48 uur, op kerstavond 1975 wordt te Gent een ambtenaar met een missie de laan uitgestuurd én een kind van twee dagen oud van een identiteit voorzien. Ook dat zinnetje zal in mijn herinnering blijven zitten: 'Bij deze geef ik het gerechtelijke bevel dat heden wordt ingeschreven de jongen met de naam Erik Jozef Bell.' Eindelijk.

"En net als je denkt dat je tijd hebt om even te bekomen, is het alweer gedoe. Ik krijg een reprimande uit andere hoek. De vondeling diende die bewuste nacht naar een ziekenhuis van het ocmw gebracht te worden. Terwijl wij de baby, van wie we niet wisten of hij wel levensvatbaar was, gewoon naar dat ziekenhuis brachten dat het dichtst bij de vindplek lag. Maar dat is een logica die de dokter van het ocmw-ziekenhuis Bijloke niet snapt. Hij meldt dat hij een klacht tegen mij zal indienen. Waarop ik naar het uz trek en daar de hoofdprofessor van de kinderafdeling ontmoet. Hij belt furieus zijn collega op en regelt het met drie woorden. Ik begin me af te vragen wat er allemaal rondom mij gebeurt. Was dit eigenlijk nog een positief verhaal?

"Ja, natuurlijk was het dat. Er was een baby gevonden en tijdig in goede handen terechtgekomen. Mijn vrouw, ùok, dochtertje en ik willen het in alle rust nog even gaan bekijken. Er staat intussen een foto in de krant die we uitknippen en in ons album plakken. (toont) Kijk, dat is onzen Erik, mooi manneke hé, blakend van gezondheid.

"We gaan naar het uz, vragen aan de balie om baby Bell te mogen zien. Ze vragen welke band ik met hem heb. Ik zeg: 'Ik ben de vinder.' Mijn vrouw is vertederd door het kind, mijn dochtertje staat met grote ogen toe te kijken. We bemerken ineens dat Erik twee verschillende sokjes draagt, dat zijn van die details die je niet vergeet. Toch worstel ik met iets, als ik later thuiskom. 'Eigenlijk', denk ik en ik spreek dat later ook uit, 'wil ik Erik Jozef Bell graag adopteren.' Ik praat erover met mijn vrouw, maar zij ziet dat minder zitten. We besluiten uiteindelijk samen om het niet te doen.

"Het heeft een paar dagen echt in mij 'gehangen', daarna heb ik het van mij afgezet. Tenslotte gaat het leven gewoon verder. Een paar weken na zijn vondst wordt de kleine Erik naar de Bijloke overgebracht en nog later in een pleeggezin gezet. Intussen lopen de aanvragen om het kind te mogen adopteren binnen. Nooit gezien, zo'n grote interesse. Een pleeggezin zal Erik later aannemen en een nieuwe naam geven. En voor mij komt er nadien ook een heel formeel einde aan het verhaal. Ik zal Erik nooit meer terug zien, wel word ik nog een keer in dat verband naar de rechtbank geroepen. De nieuwe ouders spreken er de wens uit met rust te worden gelaten. Ze vragen aan iedereen, ook aan de vinder, om geen contact meer te leggen met hen of het kind. Ik zweer dat, onder eed, ik respecteer die wens. Dit jongetje moet helemaal 'vers' kunnen starten, zonder herinnering aan toen. Zo redeneerden zij toen. Dat was dertig jaar geleden. Ik besef dat het nu allemaal anders gebeurt. Adoptiekinderen worden snel en deskundig op de hoogte gebracht van hun roots of van het feit dat ze die niet echt hebben.

"Erik, of hoe hij nu ook moge heten, wordt over twee weken 31. Ik vraag het mij soms af: 'Heeft hij een vak geleerd, hogere studies gedaan? Werkt hij? Wat is er van hem geworden. Weet hij wat zijn achtergrond is, weet hij wel dat hij een paar uur na zijn geboorte in een telefooncel lag en daarom een tijdlang als 'Bell' door het leven ging. Heeft het belang dat hij dat weet?'

"Die telefooncel bestaat nog, althans ze stond er nog een paar jaar geleden. Ik deed toen al lang geen straatdienst meer, maar als ik in de buurt was, reed ik er graag even langs. Gewoon kijken naar de plek en meteen weer doorrijden.

"In het korps ging het verhaal nog jaren mee. Ah, de witten, die heeft ooit nog een kind gevonden. Of die vindt altijd van alles, dat soort dingen. Het relaas over de feiten heb ik al honderden keren in familie- en kennissenkring gedaan, mijn vrouw kan elk woord mee zeggen. Al was het nu toch even geleden dat ik het deed. Deze week, met dat het nieuws over vondeling Jasper, kwam alles weer naar boven. Ik zie in Essen dezelfde dingen gebeuren als bij ons toen. Die golf van medeleven, de aandacht, de sensationele berichten. Ik vraag me intussen af wat de vinder nu denkt.

"Stel dat na dit stuk in de krant die jongen zich in mijn verhaal herkent en mij opbelt. Dat hij zegt: 'Ik ben het, Bell, jij hebt mij 31 jaar geleden gevonden, mag ik u ontmoeten.' Ik zou zeggen: 'Uiteraard', en het zou een bijzonder weerzien zijn, ook redelijk emotioneel denk ik. Maar, ik ben voorzichtig. Ik wil niet laten uitschijnen dat ik daarop aanstuur. Ik hou me aan mijn eed, aan wat ik die ouders beloofde. Al moet ik hier eerlijkheidshalve toegeven dat ik even schrok, toen ik dat zo moest staan zweren voor de rechtbank. Toen ik mocht beschikken en de rechtszaal verliet, was het alsof ik letterlijk en figuurlijk de deur op mijn neus kreeg. Zo van: 'Agent Mertens, vertrek uit zijn leven.' Indien hij zelf echter de draad zou opnemen, zou ik hem met open armen ontvangen, een tweede keer. Maar nu zou ik met hem een pint mee pakken.

"Weet je wat zo eigenaardig is? Ergens, niet zichtbaar, heb je, hoe dwaas en onnozel dat ook klinkt, een beetje een band. Je hebt die baby gevonden, je was het eerste paar armen waarin dat kind terechtkwam na zijn geboorte. Ik denk dat ik dat mag voelen, ik ben ook maar een mens."

Op dat moment is het alsof de wereld echt even stilstaat. Wat doe je met een hoop dekens met daarin iets wat pas ter wereld kwam?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234