Woensdag 05/10/2022

Een geweldig goede leugenaar

De befaamde Nederlandse hoogleraar letterkunde Sem Dresden (1914-2002) omschreef de biografie ooit als “een bespottelijk genre, een verschrikkelijk moeilijk genre”. Maar hij voegde er meteen aan toe dat hij er “dol” op was. Waarom? “Omdat een goede biografie je laat denken: die vent kon niet anders dan het leven leiden dat hij heeft geleid.” De hamvraag voor elke biograaf blijft: kies je voor een synthetisch portret, waarbij je ook de sociale of culturele context van de geportretteerde betrekt, of ga je voor een chronologische levensgeschiedenis, die de feiten van naaldje tot draadje opgraaft? En durf je een eigengereide visie op je onderzoeksobject te formuleren? Over die kwesties heeft ook de Nederlandse literatuurhistoricus Nop Maas (°1949) duchtig geprakkezeerd. Eind jaren negentig kreeg Maas vier grote koffers met binnengekomen post ten geschenke van Gerard Reve (1923-2006) en zijn vriend Joop Schafthuizen. Dat kon tellen als vingerwijzing. Na de dood van Reve in 2006 werd Maas, die eerder Revecorrespondenties en de eerste vijf delen van het Verzameld werk bezorgde, de gedoodverfde biograaf. “Wie zou het anders doen?”, zo zuchtte Maas. Hij liet er al bij al geen gras over groeien en komt nu reeds met een eerste deel van fors 700 pagina’s dat de periode 1923-1962 bestrijkt. Aangekondigd zijn ook een tweede turf over ‘de rampjaren 1963-1975’ in maart 2010 en het derde deel, ‘de late jaren 1975-2006’, in oktober 2010, telkens goed voor 700 pagina’s, wat de totale omvang op dik 2.100 pagina’s zal brengen. Buiten proportie lijkt dat, zeker omdat Maas zelf Reves leven ooit in een boutade vatte: “Hij heeft geschreven, gedronken en gemasturbeerd.” Niettemin heeft Maas zijn argumenten klaar: “Ik vind dat het belang van Gerard Reve, voor het heden en voor de toekomst, deze uitgebreide behandeling rechtvaardigt. Ik veronderstel dat Reves niet aflatende inventiviteit, humor en provocaties de lezer geboeid zullen houden.” Bovendien moest “een eerste grote biografie van Reve zoveel mogelijk gegevens vastleggen, die nu nog traceerbaar zijn.” Daar is natuurlijk veel voor te zeggen, zeker ook omdat Reve zijn levensverhalen tot een schier onontwarbare ragebol van wahrheit und dichtung kon omtoveren. Iemand moest er de kam durven door te halen. Toch raak je tijdens het lezen van deze Kroniek van een schuldig leven weleens overdonderd door de karrenvracht aan details, kattebelletjes, voetnoten en citaten. Ze variëren van smeuïg (Reves morbide grappen, curieuze spelletjes met zijn lul, zijn zweetvoeten, zijn onanie en zijn neiging tot ongegeneerd boeren en winden laten) en treurig (zijn ingekeerde jeugd, zijn acné en zijn zuinigheid) tot diep komisch en diep ernstig. Soms domineert het gevoel dat Maas vooral de doorgewinterde Revianen - en God weet dat ze met velen zijn - een voorkeursbehandeling heeft gegeven. Men mag aannemen dat de iets nuchtere Reveliefhebber af en toe wat verstikt raakt, al zal hij niettemin geboeid blijven doorlezen, zeker na de eerste wat weerbarstige 150 pagina’s. Of zoals Jaap Goedegebuure in Trouw het lapidair formuleerde: “Maas kon ermee volstaan om het goud dat hij in handen had uit te stallen.”

Twee bustes en een kut

Het is natuurlijk niet niks wat Maas allemaal heeft weten boven te spitten over Reve, volgens hem “een uitzonderlijk begaafde stilist”, “een naar de mystiek tenderende gelovige”, “een even vileine als humoristische provocateur” en “door depressies geplaagde komediant” die “zijns ondanks erin slaagde menigeen vreugde en troost te bieden”. Maar, zegt Maas, vooral was hij “een sadomasochistisch aangelegd persoon” die zich almaar schuldig en schaamtevol voelde: over zijn jaloezie, zijn egocentrisme en zijn libido. Dat zijn latere rooms-katholicisme hem een uitweg bood maar tegelijk nog meer schuldgevoelens opriep, was te verwachten. Kroniek van een schuldig leven brengt niet alleen de onthulling dat Reve tijdens de Tweede Wereldoorlog een - weliswaar moeizame - relatie had met de kordate Tine Fraterman, ook zijn tien jaar durende, verscheurende huwelijk (een “vechtrelatie”) met Hanny Michaelis is hier voor het eerst uitzonderlijk goed gedocumenteerd. Maas kreeg immers de beschikking over de spectaculair te noemen brieven van Michaelis én over haar dagboek. Dat brengt nuancering aan in de getourmenteerde erkenning van zijn homoseksuele geaardheid, waarover Reve in de jaren zestig plots zo provocatief open kaart speelde. Pijnlijke liefdeshistories, waaronder ook zijn relatie en breuk met Wimie (Wim Schumacher, “zijn vrouw met een kraantje”), vormen de pièces de résistance van deze biografie. De oversekste Reve geloofde al te lange tijd dat hij zijn homoseksualiteit kon uitroken. Dat heroïsche maar tevergeefse en potsierlijke gevecht wordt breed uitgesmeerd. Maas is even scheutig met intimiteiten uit Reves twee relaties met vrouwen. In zijn eerste liaison met de drie jaar oudere Tine Fraterman, die hem uiteindelijk de bons gaf, is zij het die moet aangeven hoe hij zachtzinnig een vrouwenborst beroert en zijn ruwheid moet temperen. Later schoffeert Reve haar als ‘twee bustes en een kut’. Volkomen tragisch wordt zijn huwelijk met Michaelis, wier ouders in de oorlog waren vergast. Ook nadat hij voluit toegaf aan zijn hang naar jongens, sputtert het huwelijk nog lang verder: zij in de ban van verlatingsangst, hij beducht om haar definitief te kwetsen (wat hij toch deed met zijn mannenmanie). Aan Michaelis hield hij niettemin een trouwe vriendin over.

Dwarse, lastige jongen

In dit eerste deel worden we diep ondergedompeld in Reves grauwe communistische jeugd in Amsterdam. “Mijn ouderlijke woning was een gevechtspost in de strijd van het internationale proletariaat. Daarmede is veel gezegd. Nooit heb ik een zo geconcentreerde verzameling ontevreden mensen gezien als die welke ons huis bezocht.” Al snel raakt hij in een hardnekkige rivaliteit verwikkeld met zijn oudere broer Karel Van het Reve of zoals een vriend het formuleerde: “Karel heeft zijn broertje altijd als een lulletje behandeld en hem daarmee hoogstwaarschijnlijk diep geraakt.” Maas spreekt van “een patroon van kleinering”. Volgens de biograaf was angsthaas Gerard extreem gevoelig voor wat hem aan treurigs overkwam en had hij er “een talent voor om dat niet alleen te onthouden, maar ook te herbeleven en erin te zwelgen”. Op de lagere school en het gymnasium vond “de dwarse, lastige jongen” zijn draai niet. Zijn wreedheid jegens dieren was berucht: “Gerard had er plezier in een vlieg of mug successievelijk van vleugels en poten te ontdoen tot die niet verder kon.” En bovendien kon de onberekenbare Reve toen al “geweldig goed liegen”. Uitvoerig wordt aangetoond hoe de met een te duchten ironie uitgeruste Reve veel “bijval en aanmoediging” nodig had om zijn minderwaardigheidscomplex te overwinnen tegenover zijn schrijvende communistische vader Gerard Sr. ‘Vanter’ en imponerende broer Karel. “Daarom werkte hij steeds zo hard op zijn geschriften: om te voorkomen dat hij belachelijk gevonden zou worden.” Na de oorlog, waarin Reve enige illegale hand- en spandiensten en roofovervallen verricht, wordt hij leerling-journalist bij Het Parool. Spoedig affirmeert Reve zich als schrijver met De Avonden (1947), het boek dat door zijn lijzige, mistroostige oplijsting van banaliteit en illusieloosheid “een steen in een zeer rustige vijver” van de Nederlandse letteren was en meteen bekroond werd met de Reina Prinsen Geerligsprijs. “Zet de tanden op elkaar als ge gaat lezen. Maar onthoud de naam Simon van het Reve, ge zult nog meer van hem vernemen”, luidden de profetische woorden van de Het Parool-verslaggever. Bij de kritiek ontstond een schisma, maar meestal boog men diep voor Reves talent. Niettemin waren de wanklanken soms hevig. Jef Last formuleerde kurkdroog zijn afwijzing in het linkse blad De Vlam: “Het is weliswaar geen literair criterium, maar ik stel me voor, dat een jong arbeider, na het lezen van De Avonden behoefte zal voelen om (zonder tandpasta) zijn mond te spoelen.” Tot op grote hoogte was Frits van Egters een zelfportret van Reve. Maas ontbindt dan ook al zijn duivels om te demonstreren wie model stond voor de personages in De Avonden. Mooi is de anekdote dat Reve het boek op zijn kamertje schreef, “daarbij zeer geïrriteerd door het geluid van buurvrouwen die bij zijn moeder op bezoek waren”, maar toch steeds de deur wagenwijd openliet. Jong en eenzaam, maar eeuwig zuchtend naar contact. Al even onthullend is dat Reves psychiater, de jungiaan C.J. Schuurman, hem aan het schrijven kreeg en hem deed inzien dat “an unhappy childhood a writer’s goldmine” is. Toch levert mijlpaal De Avonden, dat in 1947 “de literaire sensatie” van het jaar was, Reve gaandeweg ook een ontgoocheling op. De verkoop liep verhoudingsgewijs matig, pas in de jaren zestig werd het boek een goedlopende titel. In de tussenperiode raakte Reves schrijverschap in ralenti, om redenen die we hierboven al zagen. Werther Nieland en De ondergang van de familie Boslowits braken geen potten, waarna hij in Londen ging wonen en overschakelde naar het Engels als schrijftaal. Aan het eind van dit eerste deel stuiten we op een Reve die, na zijn gedurfde outing op de beruchte schrijversconferentie in Edinburgh, eind 1962 in een impasse is getuimeld: “Hij woonde in een krot, verdiende slechts geld met toneelvertalingen en dronk te veel. Als uit de kast komende homo, aspirant-katholiek en bestrijder van linkse tendenzen oogstte hij hoon van diverse groepen, die in totaal een grote meerderheid van de bevolking uitmaakten. Zijn liefdesvriend [Wimie] was ervandoor, en hij besefte dat hij als bijna 39-jarige niet hoog scoorde op de homoseksuele liefdesmarkt”, zo concludeert Maas. Het is bijna tranentrekkend. Tja. Reve had het in 1946 al voorspeld: “Schrijver zijn is waarschijnlijk geen benijdenswaardig lot, schrijver willen worden is echter weinig minder dan een verschrikkelijk ongeluk. Een schrijver kon beter modelvlieger worden of naar Zandvoort gaan.” In de jaren zestig wenkte voor Reve dan toch het schrijversgeluk.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234