Zondag 02/10/2022

Een nieuw project voor Vlaanderen

Op de vooravond van de 21ste eeuw heeft de kiezer de Vlaamse politieke krachtverhoudingen grondig door elkaar geschud. De zucht naar verandering, naar een ander beleid was nooit zo groot.

Die zucht naar verandering kan niet los gezien worden van de grote maatschappelijke veranderingen die het einde van de 20ste eeuw kenmerken. De doorbraak van de kennis- en informatiemaatschappij, het wegvallen van de grenzen - met als symbool de introductie van de euro - en de technische en biologische revolutie luiden een nieuw historisch tijdperk in waarvan de draagwijdte nu nog niet duidelijk is. Naast de onvermoede mogelijkheden die de 21ste eeuw zal bieden, zijn er ook reële bedreigingen: de dreiging van een dualisering van de maatschappij op basis van de toegang tot de kennis- en informatiemaatschappij en de verloedering van het milieu, om er slechts twee te vermelden. In die context mag het niet verbazen dat de burger andere verwachtingen heeft ten overstaan van de politieke overheid dan enkele decennia geleden. De Vlaamse regering heeft de bedoeling binnen de krijtlijnen van de Vlaamse bevoegdheidssfeer een beleid te voeren dat rekening houdt met de nieuwe maatschappelijke uitdagingen en dat de burger opnieuw een houvast geeft, hem terug het gevoel geeft dat de politiek wel degelijk het verschil kan maken. Vlaanderen toekomstgericht en vernieuwend besturen betekent voor de Vlaamse regering in de eerste plaats dat zij de rol van de overheid in het maatschappelijk gebeuren anders zal invullen. Hierbij is het uitgangspunt dat de overheid niet alles moet doen, maar wat zij doet, goed moet doen. Dat betekent concreet dat de overheid aan beleidsuitvoering zal doen wanneer privé-initiatief niet aangewezen is of bij gebrek aan privé-initiatief. De overheid is wel exclusief verantwoordelijk voor de normering, controle en bestraffing. Voor haar opdrachten krijgt de overheid de nodige middelen. Deze belangrijke krachtlijn van de beleidsvisie van de Vlaamse regering wordt concreet vertaald in de verschillende hoofdstukken van deze regeerverklaring, gaande van het economisch, over het milieu- en het welzijnsbeleid. In het verlengde van deze fundamentele beleidsoptie zal de Vlaamse regering ook een aantal initiatieven nemen om het Vlaamse beter te doen functioneren. Hierbij is het uitgangspunt dat de Vlaamse regering en het Vlaams Parlement het primaat hebben in de politiek en dat zij moeten beslissen in functie van het algemeen belang en niet in het belang van lobby's en drukkingsgroepen. De herwaardering van de administratie, die reeds tijdens de vorige legislaturen was ingezet, zal worden verdergezet, waarbij nog meer dan in het verleden de nadruk gelegd zal worden op de uitbouw van een kwaliteitsvolle en klantvriendelijke dienstverlening door de diensten. De vereenvoudiging van de regelgeving en de 1-loketgedachte zijn in dit verband belangrijke beleidsopties. Toekomstgericht en vernieuwend besturen betekent voor de Vlaamse regering dat zij oog heeft voor duurzame ontwikkeling in de verschillende bevoegdheidsdomeinen. Dat betekent voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden van de toekomstige generaties in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling gebeurt binnen de ecologische grenzen, en heeft aandacht voor de minder begunstigden in onze samenleving. Uitgangspunt van het economisch beleid is de Vlaamse economie opnieuw meer zuurstof te geven zodat het ondernemerschap zich kan ontplooien en jongeren weer een perspectief op zinvolle arbeid geboden wordt. Om haar toekomstgericht beleid te kunnen realiseren, moet de Vlaamse regering over een aantal bevoegdheden beschikken die momenteel nog tot het federale niveau behoren. De Vlaamse regering zal in het kader van de nieuwe dialoog van gemeenschap tot gemeenschap dan ook het gesprek aangaan met de overige deelstaten en de federale staat om te komen tot een nieuwe bevoegdheidsverdeling. Daarbij aansluitend streeft de Vlaamse regering naar goede verhoudingen met de overige deelstaten in de Belgische federale staat. Zij wijst er op dat het territorialiteitsbeginsel en het principe van de niet-inmenging ten volle gerespeceerd en gewaarborgd moeten worden. Ook het vraagstuk van de faciliteiten moet besproken worden. Het is de overtuiging van de nieuwe Vlaamse regering dat een beleid dat deze krachtlijnen als uitgangspunt neemt de kwaliteit van het leven in Vlaanderen ten goede zal komen. Maar een overheidsbeleid alleen kan dat niet waarmaken: daarvoor is tevens een actieve participatie van de mondig geworden burger aan het maatschappelijk leven noodzakelijk. Daarom roept de Vlaamse regering de burgers op actief mee te werken aan een open en verdraagzaam Vlaanderen, waarin respect voor de medeburger en de regelgeving centraal staan. De Vlaamse regering zal eventuele parlementaire initiatieven ondersteunen om die uitgangspunten van een open en verdraagzaam Vlaanderen op basis van de constitutieve autonomie te vertalen. Als zowel de overheid als de burger hun aandeel in het nieuwe maatschappelijk contract opnemen, kan Vlaanderen de 21ste eeuw met vertrouwen tegemoet zien.

DEEL I: MEER DEMOCRATIE EN EEN BETER BESTUUR

Hoofdstuk 1: Een nieuw bestuurlijk beleid

Inleiding: fundamentele beleidsopties 1. Vereenvoudiging van wetgeving en klantvriendelijkheid

De regelgeving blijft exponentieel groeien en de complexiteit ervan neemt toe. Het beheersen, transparant maken en het onderling afstemmen van regels en procedures zijn essentieel om de dienstverlening van de overheid klantvriendelijker te maken.

Concrete voorstellen die leiden tot een vereenvoudiging van wetgeving, procedures en regels zullen zowel door de administratie als door de bevolking, instellingen en ondernemingen die ermee worden geconfronteerd, positief worden onthaald. Vereenvoudiging betekent geenszins de afzwakking van doelstellingen en/of normen.

Binnen het jaar na de installatie zal de regering, na voorbereiding door de administratie, voorstellen in het Vlaams Parlement indienen om de wetgeving, procedures, regels en allerhande formaliteiten te vereenvoudigen en te stroomlijnen met het oog op een beter bestuur. Tevens moet er een evaluatie komen van de decreten, waarbij een beroep kan worden gedaan op de Raad van State. Bedoeling is om op het einde van de bestuursperiode tot een vermindering van 25% van de Vlaamse regelgeving te komen. De Vlaamse regering legt in dit verband jaarlijks aan het Vlaams Parlement een voortgangsrapport voor, met inbegrip van de stand van zaken van het decreetsactueel.

Tevens zal de Vlaamse regering haar volle medewerking verlenen aan de ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap.

Verschillende soorten dienstverlening voor elke afzonderlijke klant moeten tot één geïntegreerd geheel gesmeed worden.

2. Eén geïntegreerd loket voor de gemeentelijke, provinciale en Vlaamse dienstverlening

Werken aan integrale kwaliteitszorg en klantgerichtheid betekent dat de administraties van de verschillende overheden samen werken aan de geleidelijke uitbouw van één geïntegreerd aanspreekpunt waar klanten in hun gemeente terechtkunnen voor een gedifferentieerde dienstverlening. De moderne informatie- en communicatietechnologie biedt de mogelijkheid om virtuele loketten te openen voor die klantgerichte dienstverlening.

Bij het ontwikkelen van zulke geïntegreerde loketten is er coördinatie tussen de verschillende beleidsniveaus nodig. De kostprijs mag niet afgewenteld worden op de gemeenten maar moet gefinancierd worden door alle overheden die hun diensten aanbieden.

Processen moeten herdacht worden met het oog op één contactpunt: de burger ziet de overheid als één geheel, maar kan verschillende administraties en diensten aanspreken. Er is één dossier voor de gebruiker, maar voor diezelfde gebruiker kunnen bij de overheid veel dossiers bestaan.

Het is duidelijk dat zon integratieproces een doorgedreven samenwerking vergt tussen de administraties van de verschillende overheidsniveaus. Het vereist ook bekwame en efficiënt opgeleide ambtenaren, zowel op de eerste lijn als op de tweede lijn, die een dossier van het begin tot het einde mee kunnen begeleiden en sturen. 3. Openbaarheid van bestuur

De gebruiker van de openbare dienst moet maximale waarborgen en rechtsbescherming genieten inzake de grondwettelijk gewaarborgde openbaarheid van bestuur. Met betrekking tot beslissingen van gemeenten, OCMW's, intercommunales en provincies moet een zo uniform mogelijke beroepsprocedure worden ingesteld, die mede de openbaarheid van bestuur realiseert.

4. Beperking van het aantal kabinetsleden

De verhouding kabinet-administratie is aan herziening toe, met het oog op een doorzichtiger, efficiënter en democratischer bestuur.

Vanuit het politieke primaat bepalen de ministers het beleid, waarbij zij bijgestaan worden door hun kabinet voor de politieke afweging van de potentile beleidskeuzen. Zodra het beleid bepaald is door het politieke niveau, houdt dat automatisch ook de opdracht voor de beleidsuitvoering door de administratie in.

In het verleden namen kabinetten specifieke taken van de administratie over. Dat vermindert de verantwoordelijkheid van de administratie en werkt demotiverend. De administratie moet ten volle haar rol in de beleidsuitvoering kunnen spelen, met sturing vanuit de regering. Bovendien moeten de beleidsvoorbereiding en de beleidsevaluatie een wezenlijke kerntaak van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap worden.

De versterking van de rol van de administratie gaat hand in hand met een inkrimping van de kabinetten. De ministers hebben in hun kabinet vooral behoefte aan goede stafleden, die hen bijstaan in inhoudelijke en politieke afwegingen. Het aantal stafleden wordt bepaald vanuit de bevoegdheidspakketten van elke minister. Voor specifieke problemen moeten zij een beroep kunnen doen op externe consultants, ten laste van de kabinetskredieten. Het aantal uitvoerende kabinetsmedewerkers wordt globaal verminderd met 30 % ten opzichte van de huidige aantallen. 5. Depolitisering

De depolitisering van de administratie moet worden voortgezet. De aanwervingen gebeuren reeds op basis van vergelijkende examens. Voor bevorderingen op leidinggevende niveaus wordt nu al gewerkt met een interne potentieelinschatting, een extern assessment center of interview en een presentatie van de beleidsvisie. Het invoeren van mandaatsystemen en contractmanagement moet het resultaatgerichte werken nog meer beklemtonen. Het Vlaams Selectiecentrum voor Overheidspersoneel zal op korte termijn voor alle overheden in Vlaanderen optreden als bemiddelaar voor de selectie van contractueel personeel.

6. Communicatiebeleid

De Vlaamse overheid wil actief communiceren om haar beleidslijnen en actieprogramma's op regelmatige basis kenbaar te maken aan de publieke opinie. De bevolking heeft recht op duidelijke informatie over de aanwending van de publieke middelen, de doelstellingen van de overheid en de uitvoering ervan.

De Vlaamse overheidscommunicatie wordt vraaggericht uitgebouwd, vanuit de behoeften van de klanten. Bij de wegwijs- en eerstelijnsvoorlichting neemt de Vlaamse Infolijn een centrale plaats in. Er wordt een netwerk van Vlaamse en gemeentelijke voorlichtingsambtenaren uitgebouwd en het elektronisch loket wordt versneld ingevoerd.

Er wordt een deontologische code voor de Vlaamse overheidscommunicatie uitgewerkt, met inbegrip van een controleregeling ter bestrijding van politiek misbruik van overheidscommunicatie. En met het oog op een systematisch bekendmakings-, imago- en voorlichtingsbeleid ten aanzien van het buitenland wordt een vaste werkgroep met ambtelijke ondersteuning opgericht, en worden binnen het totale communicatiebudget daartoe de nodige middelen uitgetrokken. 7. Decumul en onverenigbaarheden

Politieke mandatarissen moeten hun beslissingen in volle onafhankelijkheid kunnen nemen. Daarom is de Vlaamse regering voorstander van de volgende onverenigbaarheden:

- de gelijktijdige uitoefening van kabinetsopdrachten en functies die aanleiding kunnen geven tot belangenvermenging ;

- de cumul van verschillende politieke mandaten om de geloofwaardigheid van de politiek te herstellen en een continue vernieuwing en verjonging mogelijk te maken. De onverenigbaarheid tussen het ambt van burgemeester, schepen of OCMW-voorzitter met een parlementair mandaat is in dat opzicht een prioritaire doelstelling ;

- wat de privé-sector betreft, mag geen cumul worden toegestaan van bestuurs- en directiefuncties in belangenorganisaties die aanleiding kunnen geven tot belangenvermenging;

- ook onverenigbaar met een parlementair mandaat zijn mandaten in: 1) intercommunales (raad van bestuur), 2) organisaties die een decretale functie vervullen in de subregionale economie, 3) het VVSG-bestuur, 4) het VVP-bestuur, 5) bestuurs- of directieraden van rechtspersonen met overheidsparticipaties, parastatalen, DAB's, AOB's en VOI's en 6) officiële adviesorganen van het parlement en de regering.

8. Meer inspraak

- in afwachting van de invoering van het bindend referendum en het volksdecreet wordt het consultatief referendum ingevoerd om de burgers nauwer bij het beleid te kunnen betrekken. De Vlaamse regering verbindt er zich alvast toe de uitslag van deze referenda te respecteren.

- in het huidige systeem zijn de kieskringen electoraal niet neutraal wegens de ongelijke grootte. Het kiesquorum is in kleinere kieskringen moeilijker te halen dan in grote kieskringen. Daardoor worden de resultaten vertekend. De apparentering versterkt dit effect. De Vlaamse regering zal in overleg met het Vlaams Parlement een initiatief nemen om die situatie aan te passen.

B.De optimalisering van de werking van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de VOIs 1. Meer verantwoordelijkheid voor de Vlaamse administratie

De Vlaamse administratie pleit terecht voor meer responsabilisering. De kerntaken van de Vlaamse administratie zijn beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie, met inbegrip van monitoring, toezicht en inspectie.

De beleidsuitvoering kan ondergebracht worden bij verzelfstandigde entiteiten (VOIs die steeds moeten werken binnen het kader van beheersovereenkomsten. De beheersovereenkomsten moeten sluitende bepalingen bevatten met betrekking tot vijf kernpunten:

- de doelstellingen, op grond van het politieke primaat met betrekking tot de beleidsbepaling;

- de middelen, de sturing en controle van de entiteiten ;

- de resultaatsverbintenissen en de aanspreekbaarheid daarop ;

- de jaarlijkse rapportage en de (parlementaire) controle ;

- de terugkoppeling van alle gegevens die de beleidsondersteunende administratie nodig heeft voor de beleidsvoorbereiding en de beleidsevaluatie.

De Vlaamse openbare instellingen nemen de uitvoerende taken op zich die - in het kader van de doelstellingen die de overheid zich stelt - niet kunnen worden overgelaten aan de vrije marktwerking. Hun autonomie inzake interne organisatie, budget en personeelsbeleid maakt het mogelijk om - binnen de krijtlijnen van de beheersovereenkomst - de activiteiten beter af te stemmen op de te bereiken doelstellingen.

De rol en de samenstelling van de raden van bestuur moeten worden geëvalueerd en bijgestuurd. Daar primeren het algemeen belang, de efficiëntie en de onafhankelijkheid op het particuliere belang van pressiegroepen. Bijsturing van de rol van de raden van bestuur impliceert ook een volwaardige responsabilisering van het operationele management.

2. Grotere resultaatgerichtheid

De administratie moet resultaatgericht werken op grond van duidelijk afgesproken, meetbare doelstellingen. Via doelmatigheidsanalyse moet de werking van de administratie voortdurend worden geëvalueerd en verbeterd. In dat verband moet ook de uitvoering van het outsourcingscontract in verband met de informatica-dienstverlening doorgelicht worden.

Mensen zijn sleutelelementen in elke dienstverlenende organisatie. Er moeten verdere stappen gezet worden naar een krachtig competentiemanagement. Dat vereist een aantal ingrepen in het wervings- en bevorderingsbeleid, de beloningsmogelijkheden en het vormingsbeleid. In dat kader moeten ook de zeer stringente voorwaarden van het federale Algemene Principes Koninklijk Besluit ter discussie gesteld worden.

Inzake personeelsbeleid moet meer mobiliteit worden uitgebouwd tussen alle geledingen van de Vlaamse overheid (ministerie, Vlaamse Openbare Instellingen, wetenschappelijke instellingen, provincies en gemeenten). Dat betekent een aanzienlijke verruiming van de globale interne arbeidsmarkt en de mogelijkheid tot optimale aanwending van het aanwezige personeel.

Voor topambtenaren moet een mandaatsysteem worden ingevoerd. Voorwaarde is wel dat de mandaathouders worden geresponsabiliseerd om met de beschikbare middelen de afgesproken doelstellingen te halen. Dat mandaatsysteem zou concreet inhouden dat topambtenaren in principe maximaal twee mandaten van zes jaar dezelfde functie kunnen uitoefenen. Daarna stappen ze in een andere functie om verstarring te voorkomen.

3. Evaluatiesysteem

Voor behoorlijk management zijn degelijke benoemings-, evaluatie- en beroepsprocedures onontbeerlijk. Bureaucratisering moet daarbij evenwel te allen prijze vermeden worden.

4. De oprichting van een dienst interne audit binnen het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

Binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zal de Interne Audit worden opgericht met als taakstelling het uitvoeren van en administratieve onderzoeken. De Interne Audit functioneert onafhankelijk (onder meer via rapportering aan een onafhankelijk auditcomité) en kan alle bedrijfsprocessen en activiteiten onderzoeken en evalueren.

Door de deskundige evaluatie van het bestaande controlesysteem en de formulering van aanbevelingen ter verbetering ervan moet de Interne Audit bijdragen tot structurele verbeteringen en de correcte en efficiënte werking van de administratie.

Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke instanties, wordt de Interne Audit ook ingezet voor het uitvoeren van administratieve onderzoeken, ingeval zich ernstige indicaties van onregelmatigheden voordoen.

Indien de onderzoeken zouden uitwijzen dat er mogelijke misdrijven zijn gepleegd, worden de gerechtelijke instanties ingelicht.

Het is de bedoeling dat de Interne Audit op relatief korte termijn - begin 2000 - operationeel wordt, met als werkterrein het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de Vlaamse wetenschappelijke instellingen en de Vlaamse Openbare Instellingen.

C. Uitgangspunten met betrekking tot de bestuurlijke organisatie 1. Subsidiariteit, gemeentelijke autonomie en openbaarheid

Bestuurlijke vernieuwing moet ook los van de institutionele hervormingen tot ontwikkeling komen. Een basisprincipe daarvoor is dat de bestuursopbouw maximaal rekening houdt met het beginsel van de subsidiariteit. Dat betekent dat de beleidsbeslissingen genomen worden op het meest functionele niveau en zo dicht mogelijk bij de burger. De gemeenten krijgen dan ook een centrale plaats.

Het CBO-rapport vormt het aanknopingspunt voor de afbakening van de bevoegdheden van de diverse beleidsniveaus in Vlaanderen. Voor de drie rechtstreeks verkozen overheidsniveaus (Vlaanderen, provincies, lokale besturen) moet er op korte termijn duidelijkheid komen over hun kerntaken. In het kader van een gebiedsgerichte benadering zal ruimte behouden worden voor lokale en subregionale noden en bekommernissen en voor specifieke behoeften. Streefdoel is dat er een gelijktijdige afsprakenregeling over de drie bestuursniveaus in complementariteit tot stand komt.

Tegelijkertijd moeten de verschillende taken en rollen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse openbare instellingen (VOIs) ten opzichte van de andere besturen worden afgelijnd.

Zowel voor Vlaanderen, voor de provincies als voor de gemeenten staat het primaat van de politiek centraal. Dat betekent dat opdrachten en bevoegdheden maximaal toevertrouwd worden aan verkozenen en organen die onder de rechtstreekse controle staan van verkozen raden. Omwille van het primaat van de politiek wordt afgestapt van de toewijzing van bevoegdheden aan structuren die niet beantwoorden aan de vereisten van democratische legitimering.

In dat nieuwe beleid staan openbaarheid van bestuur en openheid centraal. Dat veronderstelt een echt spreekrecht voor de ambtenaren, een verstaanbare wetgeving en een vlotte toegankelijkheid tot de administratie.

2. Lokale besturen

In afwachting dat de bevoegdheid over de organieke wetgeving inzake gemeenten en provincies overgeheveld wordt, wordt verder werk gemaakt van een wetenschappelijk onderbouwd ontwerp van Vlaams gemeentedecreet. Daarover wordt een zo breed mogelijk maatschappelijk debat gevoerd. Dat ontwerp moet passen binnen een eigentijdse Vlaamse bestuurlijke organisatie.

3. Gemeentefonds, Investeringsfonds en het Provinciefonds

De verdelingscriteria van het Gemeentefonds worden herbekeken op basis van onder meer de volgende principes:

- meer aandacht voor het objectieve belastingvermogen en dus voor fiscale solidariteit. Eenzelfde belastingeenheid levert immers in de ene gemeente meer op dan in een andere ;

- de valorisering van de centrumfuncties. De belastingen van de centrumsteden zijn hoger. Dat heeft niet alleen te maken met hun financiële draagkracht, maar veel meer met de ruimere opdrachten van de centrumsteden. Een stad zonder hoogwaardige centrumfuncties verliest haar aantrekkingskracht. Een stedelijk beleid moet die functies verstevigen en verder uitbouwen. Dit mag niet enkel op kosten van de stadsbewoner zelf gebeuren: elke verhoging van de belastingdruk van de stedelingen zal de stadsvlucht verder in de hand werken ;

- de bestuurskracht van de gemeenten, meer bepaald wat de kleinere gemeenten betreft ;

- het gemeentefonds moet ook de positie honoreren van gemeenten die de open ruimte in Vlaanderen vrijwaren. Zo kunnen landelijke gemeenten met veel open ruimte beloond worden om landelijk te zijn en te blijven. Steden met weinig open ruimte worden beloond voor het scheppen van meer open ruimte en groen.

- de evolutie van een aantal nieuwe uitdagingen, onder meer de veiligheidsproblematiek (meeruitgaven als gevolg van de politiehervorming) en de stijgende pensioenlast van de gemeenten.

Ook het Investeringsfonds wordt hervormd volgens de bovenstaande principes. Lokale besturen die samenwerken op het vlak van investeringsdossiers, moeten daartoe een stimulans krijgen. De decretaal voorziene jaarlijkse investering van het Gemeente- en Provinciefonds zal vanaf 2000 opnieuw integraal worden toegepast.

De samenwerking tussen gemeenten moet financieel worden beloond, net zoals gebiedsgerichte samenwerking op bovenlokaal niveau met de provincies en andere partners. In de eerste plaats wordt gedacht aan samenwerking op het vlak van mobiliteit, economische ontwikkeling, werkgelegenheid, het opstellen van een gezamenlijk structuurplan.

4. Intercommunales

Samenwerking tussen lokale besturen is vaak nodig, vooral voor kleinere gemeenten die afzonderlijk onvoldoende bestuurskrachtig zijn, zeker als zware financiële inspanningen nodig zijn. De mogelijkheden inzake samenwerking tussen de gemeenten moeten gestimuleerd worden in een losser verband. Aandachtspunten daarbij zijn een sterke gemeentelijke verankering, de statutaire inperking van de activiteiten, het inbouwen van cumulatiebeperkingen, de afstemming van het administratief toezicht en de versterking van het democratisch toezicht, de democratische werking en een representatieve samenstelling van het beheersorgaan.

De intergemeentelijke samenwerkingsvormen zijn hulpstructuren, door de gemeenten op vrijwillige basis opgericht voor de doelmatige uitoefening van welomschreven taken van gemeentelijk belang. Intercommunales mogen niet leiden tot persoonlijke of structurele belangenvermenging. De rechtstreekse band met de gemeenten die ze hebben opgericht, moet gevrijwaard blijven. Er komt een decretale basis voor de democratisering van de intercommunales en er komen nieuwe rechtsvormen die hun moeten toelaten hun activiteiten te ontplooien.

5. Uitvoering en verdieping van het pact tussen de Vlaamse regering en de Vlaamse gemeenten en OCMWs en van de afsprakennota met de provincies

De uitvoering en de verdieping van het pact tussen de Vlaamse regering en de Vlaamse gemeenten en OCMW's moet op termijn uitmonden in een gezamenlijk bestuursakkoord. Dat betekent dat Vlaanderen en de lokale besturen in partnerschap overleg zullen plegen over beoogde doelstellingen. Prioritair zijn:

- een duidelijk decretaal kader voor het convenantenbeleid, dat wordt vereenvoudigd. Er wordt gestreefd naar een systeem van sectorale samenwerkingsakkoorden op basis van gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen, waarbij men oog heeft voor maatwerk, afgestemd op de lokale situatie. Een duidelijke meerjarenfinanciering wordt vastgelegd;

- een grondige aanpassing van het decreet op de intercommunales ;

- de aanpassing van het decretaal kader voor publiek-private samenwerking voor de gemeenten en de OCMWs ;

- de specifieke vereenvoudiging en harmonisering van administratief toezicht in overeenstemming met het principe van de gemeentelijke autonomie.

In dezelfde zin wordt ook de dialoog voortgezet tussen de Vlaamse regering en de provincies en de provinciegouverneurs zoals aangevat op basis van de afsprakennota.

Hoofdstuk 2: Institutionele vernieuwing

Inleiding

De huidige staatkundige ordening en de bestaande bevoegdheidsverdeling leiden tot heel wat blokkeringen en een inefficiënt bestuur. Dat blijkt onder meer overvloedig uit het verslag van de Senaatscommissie voor institutionele aangelegenheden. Dat werkdocument heeft een grondige analyse gemaakt van de problematiek van de bevoegdheidsconflicten, maar er worden niet altijd concrete oplossingen geformuleerd.

Om in Vlaanderen een werkelijke bestuurlijke vernieuwing door te voeren, en om een groot aantal van haar programmapunten te kunnen realiseren, zal de Vlaamse regering nieuwe stappen zetten op het gebied van de institutionele vernieuwing. Voortbouwend op de institutionele dynamiek ontwikkeld door het vorig Vlaams Parlement zal de Vlaamse regering inzonderheid streven naar een aanpassing van de bevoegdheidsverdeling tussen het federale en het Vlaamse niveau. Die aanpassingen moeten de bestuurskracht van onze instellingen versterken. Uitgangspunten daarbij zijn verantwoordelijkheid, subsidiariteit en solidariteit. Het uiteindelijke doel is een maximale groeikans te geven aan welvaart en aan welzijn. Het verdiepen van de autonomie betekent voor Vlaanderen niet dat het afbreuk wil doen aan objectief verantwoorde solidariteit tussen personen en tussen de deelgebieden.

Om een werkbaar federaal model te krijgen, is het noodzakelijk dat de voorgestelde hervormingen door overleg tussen de verschillende beleidsniveaus opgelost worden. In dat overleg, dat zijn beslag zal krijgen in het kader van een nieuwe dialoog van gemeenschap tot gemeenschap waarvan de respectieve regeringen en parlementen deel uitmaken, is het subsidiariteitsprincipe een fundamenteel uitgangspunt.

Ondanks de zeer beperkte lijst van grondwetsartikelen die voor herziening vatbaar zijn, is het mogelijk hervormingen op korte termijn te realiseren. Het betreft onder meer aanpassingen in de bevoegdheidsverdeling die bij vroegere staatshervormingen werden verworven, maar nooit werden uitgevoerd. Voor andere noodzakelijke hervormingen is een breder overleg noodzakelijk.

A. Hervormingen die snel doorgevoerd kunnen worden

1. Organieke wetgeving voor gemeente en provincie

- de uitvoering van beslissingen zoals voorzien in de Sint-Michielsakkoorden

2. Fiscaliteit

- de mogelijkheid tot een selectieve toepassing van op- en afcentiemen op de personenbelasting ;

- volledige autonomie over de eigen belastingen

3. Tewerkstellingsbeleid

- sluiten van samenwerkingsakkoorden om de werkloosheidsuitkeringen te activeren met het oog op de uitbouw van de sociale economie

- de autonome besteding en de indexering van bestaande trekkingsrechten inzake werkloosheid

- het scheppen van een decretaal kader voor het algemeen bindend verklaren van Vlaamse sociale akkoorden voor Vlaamse bevoegdheden

- controle en toezicht op de uitzendarbeid

- vorming: overheveling van het betaald educatief verlof, het industrieel leerlingenwezen en de opleiding in bedrijven

4. Economie

- overheveling van de bevoegdheden van het sociaal-economisch comité van de distributie

5. Vervoer en mobiliteit

- de volwaardige aanwezigheid van de gewesten in het bestuur van de NMBS

- de mogelijkheid tot exploitatie van spoorweginfrastructuur

6. Energiebeleid

- eigen regulering van de nu reeds toegewezen energiedomeinen

- overheveling van het beslissingsrecht over de vaststelling van de tarieven en de technische aansluitingsvoorwaarden voor de beleidsdomeinen die tot de bevoegdheid van de deelgebieden behoren (distributie, rationeel energiegebruik, decentrale productie). Het controlecomité voor de elektriciteit en de gas moet omgebouwd worden tot een onafhankelijk orgaan met twee kamers

7. Statistiekbeleid:

- de organisatie en uitbouw van een eigen statistiekbeleid

8. Financiering van het onderwijs:

- de herziening van het aan de gemeenschappen toegewezen gedeelte van de BTW ter financiering van het onderwijs op basis van objectieve criteria

- de uitvoering van de afspraken in de Bijzondere Financieringswet met het oog op het welvaartsvast maken van de onderwijsmiddelen

9. Milieuheffingen

- de verdeling, in functie van hun bevoegdheden, tussen de gewesten en de federale overheid van de opbrengst van een eventuele energieheffing binnen een Europese context

10. Constitutieve autonomie

- uitbreiding tot meer autonomie inzake de organisatie van de eigen instellingen

11. Varia

- het recht en het instrumentarium tot onteigeningen voor wat de eigen bevoegdheden betreft

- eigen Inspectie van Financiën

- de autonome besteding van de opbrengsten van de Nationale Loterij in functie van de bevoegdheden;

- instelling van een Vlaamse controlecommissie voor verkiezingsuitgaven

- deblokkering van overdracht van goederen van de federale overheid naar de gemeenschappen en gewesten

- afspraken omtrent verdeling van zendfrequenties

B. Noodzakelijke hervormingen waarvoor een diepgaander overleg noodzakelijk is

In de eerste helft van deze legislatuur moet in het kader van de nieuwe dialoog van gemeenschap tot gemeenschap een definitieve oplossing worden geboden aan de volgende knelpunten.

1. Meer fiscale autonomie en verantwoordelijkheid

- de overdracht van de gewestelijke belastingen en de belastingen die in het verlengde daarvan liggen (belasting op de inverkeerstelling, BIV, Eurovignet, registratie- en schenkingsrechten)

- het gedeelte gewestmiddelen dat via samengevoegde belastingen wordt toegewezen aan de regio's wordt concurrerend, zodat het de gewesten vrijstaat om zelf de tarieven en de vrijstellingen te bepalen

2. Land- en tuinbouw en visserij

- overheveling van het volledige land-, tuinbouw en visserijbeleid

3. Wetenschaps- en technologiebeleid

- volledige overheveling behalve wat direct aansluit bij de federale bevoegdheden

4. Ambtenarenzaken

- autonomie over de organisatie van eigen personeelsbeleid met het ter discussie stellen van het APKB

5. Gezondheidszorg en gezinsbijslag

- Gezien het reële persoonsgebonden karakter, de noodzaak om tot een samenhangende aanpak inzake preventief en curatief beleid te komen en een socialere en efficiëntere aanpak van de gezondheidszorg te realiseren, streeft de Vlaamse regering, in het kader van de dialoog van gemeenschap tot gemeenschap, naar de overheveling van de normerings- en uitvoeringsbevoegdheden betreffende het gezondheids- en gezinsbeleid naar de gemeenschappen

6. Buitenlandse handel

- de bevoegdheid inzake buitenlandse handel komt toe aan de gewesten en de cordinerende taak van de BDBH wordt vanuit de gewesten opgebouwd

7. Telecommunicatie

- het BIPT wordt omgevormd tot een onafhankelijk instituut waarin de federale staat en de verschillende deelstaten gelijkwaardig vertegenwoordigd zijn in het beheer.

8. Vervoer en mobiliteit

- De gewesten moeten voor een specifieke verkeersmobiliteitsproblematiek aanvullende regels kunnen uitdiepen aangaande verkeersreglementering en regels van algemene politie

- de volledige reglementering in verband met de binnenvaart moet overgeheveld worden

- het beheer van de luchthaven van Zaventem is een gewestelijke bevoegdheid

9. Ontwikkelingssamenwerking

- in het verlengde van de eigen bevoegdheden, het voeren van een eigen ontwikkelingsbeleid

- de overheveling van het federale niveau naar de gemeenschappen en gewesten van financiële middelen die de federale overheid besteedt aan de ontwikkelingssamenwerking die in het verlengde van de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten ligt

10. Economie

- de overheveling van alle instrumenten ter ontwikkeling van het zelfstandig ondernemerschap naar de gewesten

11. Brussel

- de rechtstreekse verkiezing van de Brusselse leden van het Vlaams Parlement

- de gewaarborgde vertegenwoordiging en tevens effectieve en evenwichtige beleidsparticipatie van beide taalgroepen op alle beleidsniveaus

- de optie voor het principe van tweetalige ambtenaren in plaats van tweetalige diensten

- de invoering van de goedkeuringsvoogdij met betrekking tot de lokale besturen

12. Varia

- bij het Vlaams Parlement hoort een Rekenhof; in afwachting van een wijziging van de Grondwet moet de structuur van het Rekenhof beter aansluiten bij de federale staatsstructuur

- overheveling van de concipiëring en de controle van de boekhouding

- mogelijkheid tot beroep van de Rekenplichtigen van de Vlaamse administratie bij het Vlaams Parlement

- de gemeenschappen en gewesten moeten effectief betrokken worden bij de bepaling en de coördinatie van het vervolgingsbeleid voor de aangelegenheden waarvoor ze regelgevend bevoegd zijn.

- het volledige justitile welzijnsbeleid komt toe aan de gemeenschappen

- met het oog op een efficiënte en toegankelijke rechtsbedeling, en rekening houdend met het gebrek aan tweetalige magistraten: streven naar de horizontale splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel

- de horizontale splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde

DEEL II. WELVAART EN WELZIJN IN VLAANDEREN

Hoofdstuk 1. Meer welvaart met een actief werkgelegenheidsbeleid Inleiding

Een vitale, duurzame economie is de basis voor meer werkgelegenheid en welvaart. Vlaanderen presteert goed dankzij de inspanningen en de creativiteit van zijn ondernemers en werknemers. Maar het kan nog veel beter.

De economische ontwikkeling in Vlaanderen is immers onvoldoende arbeidsintensief en voornamelijk het gevolg van de groei van deeltijdse arbeid. Daarnaast vormen de laaggeschoolden een echte risicogroep op de arbeidsmarkt.

Er is dus een beleid nodig dat meer en duurzame werkgelegenheid creëert door onze ondernemingen en werknemers meer zuurstof te geven, de creatieve krachten in onze samenleving te ondersteunen en de ecologische innovatie van de economie te stimuleren. Het Vlaams Parlement heeft daartoe overigens reeds een belangrijke aanzet gegeven met de resolutie van 30 april 1997 betreffende de werkgelegenheid in Vlaanderen.

Er is ook een beleid nodig dat perspectieven op werk biedt voor mensen met minder kansen. In dat verband moet de sociale economie een bijzondere plaats krijgen in het overheidsbeleid. Tevens moet positief ingespeeld worden op de nieuwe noden zoals de social-profitsector die arbeidsintensief is.

Dat beleid zal aangepast moeten zijn aan de gevolgen van de informatie-economie die leidt tot een dualisering op de arbeidsmarkt wegens aan de ene kant het schaarsteprobleem (tekort aan bepaalde kwalificaties) en aan de andere kant het uitsluitingsfenomeen (onaangepaste kwalificaties). Zo'n aangepast beleid moet steunen op verhoogde aandacht voor onderwijs- en vormingsbeleid, innovatiebeleid en vernieuwend ondernemerschap.

Het werkgelegenheidsbeleid moet gebaseerd zijn op de ontwikkeling en het beheer van op elkaar afgestemde maatregelen die kaderen binnen een duidelijke visie. De toename van het aantal actoren op de arbeidsmarkt en de vermenigvuldiging van het aantal beleidsmaatregelen maken dit uitgangspunt tot een noodzaak. De nood aan programma-management wordt gevoeld op verschillende domeinen, zoals de vorming, de sociale economie, werkervaringsprogramma's en subregionaal arbeidsmarktbeleid. Er moet een gefundeerde en transparante afstemming van de verschillende programma's gerealiseerd worden. Vereenvoudiging, verduidelijking en samenhang moeten voorop staan. Nieuwe beleidsinitiatieven moeten reeds in de voorbereidende fase expliciet ingepast worden in dat beleidskader.

De Vlaamse regering zal binnen haar bevoegdheden en gebruik makend van bestaande instrumenten overleg plegen met alle sectoren die getroffen werden door de dioxinecrisis en op basis daarvan initiatieven nemen.

A. Een hogere werkzaamheidsgraad

Het doel is de werkzaamheidsgraad, die aangeeft welk deel van de beroepsactieve bevolking werk heeft, te verhogen van de huidige 59,5% tot 65%, zodat wordt aangesloten bij de ontwikkeling in Nederland en Duitsland. Dat veronderstelt een jaarlijkse banengroei met 30.000 jobs gedurende vijf jaar. Over de ganse bestuursperiode betekent dat dus een banengroei met 150.000 eenheden. Die is geheel in de geest van maar ook ambitieuzer dan de norm vastgelegd in het Verdrag van Leuven, met name de halvering van de werkloosheid tegen 2003. Om dat te bereiken, zal de Vlaamse regering maatregelen nemen op de volgende vlakken:

1) een verlaging van de belasting op de arbeid;

2) een vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt, inzonderheid voor de lagergeschoolden, ouderen en jongeren;

3) het mogelijk maken van een beter evenwicht tussen arbeid en vrije tijd;

4) het op gang trekken van de ecologische ombouw van de economie;

5) het ontwikkelen van nieuwe arbeidsplaatsen op nieuwe markten.

Het bereiken van die doelstellingen veronderstelt ook een gelijklopende aanpak van de federale en de Vlaamse overheid.

1. Het verminderen van de belastingen op de laagste arbeidsinkomens.

De last op de arbeid moet verminderd worden tot het niveau van de drie naaste buurlanden. Vlaanderen moet tot die doelstelling bijdragen door, via een systeem van vermindering van de belastingen op de laagste arbeidsinkomens, een belastingvermindering voor het inkomen uit arbeid door te voeren die het nettoloon verhoogt. Die belastingvermindering slaat op de laagste schijven van het inkomen uit arbeid. De Vlaamse regering zal ervoor zorgen dat op federaal niveau dringend de nodige stappen worden gezet om die belastingverlaging mogelijk te maken.

Het systeem van vermindering van de belastingen op de laagste arbeidsinkomens biedt ook een begin van oplossing voor de werkloosheidsvallen. Daarnaast moeten de werkloosheidsvallen ook worden aangepakt door een drastische verlaging van de kinderopvangkosten voor sommige inkomensgroepen, gekoppeld aan een uitbreiding van het opvangaanbod, door het gratis maken van werknemersabonnementen op het openbaar vervoer (voor sommige inkomensgroepen) en door een relevante verlaging van de registratierechten op de aanschaf van een woning om de arbeidsmobiliteit te bevorderen. Dat beleid moet ook gelden voor werkzoekenden.

Maatregelen ter voorkoming van werkloosheidsvallen zijn gericht op laaggeschoolden en maken aldus deel uit van een beleid gericht op doelgroepen waarvan de kansen op de arbeidsmarkt moeten worden vergroot. Het betreft vrouwen, ouderen, jongeren en laaggeschoolde langdurig werklozen.

2. Het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt

a) Vorming en opleiding

Het aandeel in de loonmassa dat ondernemingen aan opleiding moeten besteden wordt opgetrokken tot 1,9% zoals bepaald in het Interprofessioneel Akkoord. Dat is een belangrijke aanzet in de kwalitatieve versteviging van de economische structuur.

De Vlaamse regering zal een efficiënt en doelgericht instrumentarium opzetten om de vormings- en opleidingsinspanningen binnen ondernemingen verder aan te moedigen, met dien verstande dat het moet gaan om reële extra inspanningen, op gestructureerde wijze aan de hand van opleidingsplannen, bovenop het interprofessioneel akkoord. Daarbij wordt voorrang gegeven aan opleidingen op de werkvloer. De opleidingsdoelstelling van Vlamivorm blijft dus aangehouden terwijl het beleidsinstrumentarium wordt aangepast.

Het opleidingsaanbod moet eenvormiger en transparanter worden gemaakt. Dat impliceert dat de nog bestaande federale opleidingsstelsels (Betaald Educatief Verlof, Leerlingwezen voor beroepen in loondienst) worden overgedragen naar de Gemeenschappen. Die overdracht moet het mogelijk maken een performant stelsel van alternerend leren-werken op te zetten voor de doelgroep van de deeltijds leerplichtigen. Het onderwijs-, vormings-, opleidings- en innovatiebeleid moet als een geheel worden beschouwd. Bijgevolg moet een opleidingspact gekoppeld worden aan een innovatiepact.

b) Trajectbegeleiding voor jonge werkzoekenden

Aan elke laaggeschoolde schoolverlater wordt na zes maanden werkloosheid een startbaan aangeboden. Dat veronderstelt een arbeidskostenverlaging op het federale vlak. De Vlaamse regering zal daar onmiddellijk werk van maken. Voorafgaand aan dat jobaanbod wordt hun een intensieve trajectbegeleiding gewaarborgd die niet alleen training maar ook attitudevorming en werkervaring omvat. Tijdens de startbaan worden de jongeren verder begeleid om hun kansen op doorstroming na de startbaan te vergroten.

c) Tewerkstellingsprogramma's

Het is noodzakelijk om de bestaande tewerkstellingsprogramma's te onderzoeken op hun doelmatigheid. Structurele arbeidsplaatsen moeten omgezet worden in reguliere tewerkstelling. De eigenlijke tewerkstellingsprogramma's moeten voorbehouden worden voor tijdelijke tewerkstelling met het oog op de doorstroming van laaggeschoolde langdurig werklozen naar reguliere tewerkstelling. De trekkingsrechten die de federale overheid betaalt voor de tewerkstellingsprogramma's, moeten door de Gewesten autonoom kunnen worden besteed. Daartoe zullen sluitende afspraken worden gemaakt met de federale overheid.

Tevens zijn een vereenvoudiging en een vermindering van het aantal tewerkstellingsprogramma's nodig.

Er moeten ook samenwerkingsakkoorden komen tussen de federale en de Vlaamse overheid, met het oog op het meer doeltreffend activeren van werkloosheidsuitkeringen.

d) Lokale werkgelegenheidscentra

Steunend op de concepten van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en de gemeentelijke tewerkstellingsconvenanten worden lokale werkgelegenheidscentra opgericht. Die lokale werkwinkels bieden op het niveau van een stad of gemeente en onder de regie van de VDAB een integraal dienstenpakket voor werkzoekenden aan. Dat dienstenpakket moet laagdrempelig zijn en de zelfredzaamheid stimuleren. Die lokale werkwinkels zorgen tevens voor de bemiddeling van werkzoekenden en begeleiden de risicogroepen op de arbeidsmarkt naar het circuit van de nieuwe dienstenwerkgelegenheid (personenzorg, buurtrenovatie, milieuzorg, leefbaarheid, huishoudelijke activiteiten).

e) Arbeidsbemiddeling en de rol van de VDAB

Ingevolge de recente Internationale Arbeids Organisatie-Conventie is de arbeidsmarkt opengesteld voor particuliere intermediairen. Die intermediairen vervullen een onmiskenbare rol in het arbeidsmarktgebeuren en dragen elk op zich bij tot een betere afstemming van die markt. Daartoe moet de rol van de VDAB verschuiven van centrale actor naar centrale regisseur. Die regiefunctie houdt in dat de VDAB via publiek-particuliere samenwerkingsverbanden zorgt voor een doelmatige en transparante werking van de arbeidsmarkt en zich meer en meer ontwikkelt als een ondersteuningsorganisatie ten bate van die markt. Zij biedt tevens enkel een aanbod aan, complementair aan het kwalitatief aanbod van de andere intermediairen waarbij vooral wordt gewaakt over de terbeschikkingstelling van een aanbod voor de risicogroepen op de arbeidsmarkt.

3. Het mogelijk maken van een beter evenwicht tussen arbeid en vrije tijd

De arbeidsverhoudingen zullen worden aangepast aan de noden van de huidige samenleving. De Vlaamse regering moedigt in de arbeidsverhoudingen een beter evenwicht tussen arbeid en vrije tijd aan, waarbij zowel de werknemer als de werkgever de mogelijkheid krijgen om de arbeidstijd te organiseren volgens hun noden en behoeften.

De Vlaamse overheid vervult een voorbeeldfunctie betreffende arbeidsherverdeling op vrijwillige basis. Er wordt onderzocht waarom de Vlaamse herverdelingsmaatregelen onvoldoende werken. Het beter evenwicht tussen arbeidstijd en vrije tijd dat zo ontstaat levert meteen ook meer kansen voor werkzoekenden op.

4. Ecologische ombouw van de economie

Een duurzame economische groei kan niet zonder een flankerend beleid, onder meer op het vlak van de mobiliteit, het voorradig zijn van uitgeruste en ecologisch verantwoorde bedrijventerreinen, onderzoek en ontwikkeling en een betere samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs.

Een programma van ecologische innovatie, waarbij de ondernemingen ertoe aangezet en aangemoedigd worden om op een duurzame wijze om te springen met grondstoffen en energie, speelt een belangrijke rol in dat werkgelegenheidsbeleid.

Het ontwikkelen van duurzame producten, zowel in de productie- als in de consumptiefase, leidt tot nieuwe hoogtechnologische en kennisintensieve activiteiten. Het competitievoordeel dat zo ontstaat kan de internationale concurrentiepositie van onze bedrijven ten goede komen. Arbeidsintensieve hergebruik- en recyclagesectoren bieden extra kansen aan minder geschoolde werknemers.

Het gericht ondersteunen van KMO's inzake milieuvriendelijke investeringen of inzake immateriële investeringen vergroot de ontwikkelingskansen van KMOs.

5. Ontwikkelen van nieuwe arbeidsplaatsen op nieuwe markten

a) Informatie-economie

De informatie-economie is niet alleen een hefboom voor duurzame economische ontwikkeling maar ook voor werkgelegenheid. Zij biedt de mogelijkheid tot ontsluiting van nieuwe vormen van werkgelegenheid zoals tele-arbeid en huisarbeid. Verder kan zij ook bijdragen tot een betere integratie van bepaalde groepen van mensen met een handicap. Ten slotte is de industriële sector in de informatie-economie ook van blijvend belang en zorgt die economie naast een nieuwe inhoud van de arbeidspost voor extra werkgelegenheid.

b) Social-profitsector

De social-profitsector is bij uitstek een sector waar, onder invloed van de evolutie van de maatschappelijke behoeften (vergrijzing, tweeverdienerschap), enkele duizenden nieuwe jobs zullen ontstaan. Daarbij wordt vooral gedacht aan de welzijnssectoren zoals kinderopvang, bejaardenhulp, thuishulp, gehandicaptenzorg en bijzondere jeugdzorg.

In de non-profitsector moeten extra arbeidsplaatsen gerealiseerd worden om de druk op het personeel te verminderen of om tegemoet te komen aan de toenemende vraag. Om dat te realiseren worden de federale en Vlaamse arbeidskostenverminderingen strikt verbonden aan tewerkstellingsengagementen. De programmatie wordt aangepast en de harmonisering van de lonen in de sector doorgevoerd. Ook de toelagen van de Vlaamse overheid worden daaraan aangepast. Die maatregelen worden in driehoeksoverleg gemplementeerd.

c) Sociale economie

De sociale economie (sociale werkplaatsen, beschutte werkplaatsen, invoegbedrijven) wordt verder uitgebouwd. Indien het noodzakelijke akkoord met de federale regering terzak tot stand komt, zal die uitbreiding slaan op 7.500 banen in het geheel van de sociale werkplaatsen, de beschutte werkplaatsen en de invoegbedrijven.

Daarnaast moet er een uitbreiding komen met 7.500 eenheden van de doorstromingsprojecten waar werkervaring wordt opgedaan om in de klassieke bedrijven, de social-profitsector of de overheidssector aan de slag te kunnen. Ook hier zal de Vlaamse regering ervoor zorgen dat een samenwerkingsakkoord wordt gesloten met de federale regering dat haar in staat stelt de werkloosheidsvergoedingen voor die werkplaatsen te activeren.

Bij het ontwikkelen van de sociale economie moet zorg gedragen worden voor een band met het gewone economische circuit. Sociale economieprojecten moeten ook mogelijk zijn binnen reguliere bedrijven.

d) Werkgelegenheid in de diensteneconomie

Er bestaat een grote vraag naar diensten die thans onbetaalbaar zijn. Hier liggen vele mogelijkheden voor nieuwe arbeidsplaatsen, ook voor laaggeschoolde werkzoekenden. Er is echter een ontsluitingsprobleem op de arbeidsmarkt voor die activiteiten. In die sector moet reguliere arbeid ontwikkeld worden.

De Vlaamse regering zal in samenwerking met het federale en lokale beleidsniveau specifieke initiatieven nemen en de vereiste budgettaire middelen uittrekken om extra reguliere banen in deze nieuwe sectoren te realiseren.

Voor het ontsluiten van de dienstverlening aan personen en gezinnen kan worden geopteerd voor het systeem van dienstencheques en het fiscaal aanmoedigen van die dienstverlening. In dat kader zal de mogelijkheid onderzocht worden hoe buurtdiensten kunnen worden ontwikkeld in het normale economische circuit.

e) Toerisme

Toerisme is één van de snelst groeiende sectoren. Het arbeidsintensieve karakter vormt een aanzienlijke werkgelegenheidsbron voor laaggeschoolden, vrouwen en studenten (seizoensarbeid). Door de toeristische sector bovendien echt toegankelijk te maken voor groepen die daar thans van verstoken blijven, ontstaat een positief werkgelegenheidseffect.

B. Sociaal Overleg

Een evenwichtige, sociale overlegstructuur is van cruciaal belang voor de Vlaamse economie. Er is dringend nood aan een werkgelegenheidsgericht sociaal overleg dat via een globale overeenkomst leidt naar een coherent werkgelegenheidsbeleid. Het gewicht binnen het sociaal overleg moet daartoe meer worden gelegd op interprofessioneel- en op ondernemingsniveau.

Verder wordt een Vlaams decretaal kader uitgewerkt dat het mogelijk maakt om afspraken tussen de sociale partners algemeen bindend te verklaren zodat voor de Vlaamse bevoegdheden Vlaamse sociale akkoorden kunnen worden afgesloten. In elk geval moet het overleg over werkgelegenheid in het kader van worden voortgezet.

C. Stimuleren van het ondernemerschap

De Vlaamse regering zal een concreet actieplan uitwerken en doorvoeren om het ondernemerschap te bevorderen en het aantal starters te vergroten. Dat actieplan zal zich baseren op een grondige analyse van de oorzaken van het relatief beperkt aantal starters in Vlaanderen.

De hoofdlijnen van dat actieplan zijn:

- het versterken van de relaties tussen kenniscentra zoals universiteiten en hogescholen enerzijds en beginnende en doorgroeiende ondernemingen anderzijds;

- het opzetten van systemen waardoor starters een beroep kunnen doen op zaaigeld;

- het begeleiden van beginnende ondernemers, waarbij het bedrijfsadvies van het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO) wordt uitgebouwd en de subsidiëring van privé-bedrijfsadviseurs wordt geactiveerd.

D. Verantwoord ondernemerschap.

Globalisering biedt kansen voor economische ontwikkeling en werkgelegenheid op voorwaarde dat die zich ontwikkelt binnen een afsprakenkader en met aandacht voor de mens. De afspraken in het kader van de Wereldgezondheidsorganisatie en de IAO-conventies moeten worden geïntegreerd en gebaseerd op het principe van de eerlijke wereldhandel.

Mede ingevolge de dioxinecrisis, moeten nieuwe perspectieven op een meer humane, kwaliteitsvolle en duurzame economie, met het oog op de belangen van zowel de consument als het milieu, versterkt aan de orde komen. Een certificaat voor verantwoord ondernemerschap kan die nieuwe stijl van ondernemen mee stimuleren. De certificering verantwoord ondernemen brengt concreet in kaart wat principes als kwaliteit, duurzaamheid, veiligheid, respect voor sociale grondrechten, inspraak, opleiding, enz. voor een onderneming inhouden.

De Vlaamse regering ontwikkelt een systeem van incentives dat de ondernemingen moet aanmoedigen om op vrijwillige basis een proces van auditing en certificering te starten met de hulp van erkende certificatie-instellingen. Concreet gaat het om subsidies voor immateriële investeringen om een certificaat te behalen (advies, auditing, begeleiding), alsook om een verhoogde aanspraak op expansiesteun en steun voor innovatie van ondernemingen die over een certificaat voor verantwoord ondernemerschap beschikken. Het Vlaams Centrum voor Kwaliteitszorg (VCK) en het VIZO moeten hier een sensibiliserende, cordinerende en begeleidende rol vervullen.

E. Meer investeren.

In de regel kan in Vlaanderen het nodige kapitaal voor bedrijfsinvesteringen opgebracht worden door de markt. Een uitzondering moet gemaakt worden voor startende bedrijven en sommige aspecten van omschakeling naar een duurzame economie.

Privatiseringen kunnen worden doorgevoerd mits voldaan wordt aan het volgende kader:

1. de overheid is bevoegd voor de normering en de controle ;

2. de brede markt moet een kans krijgen. Dat betekent dat overheidsbedrijven waar mogelijk via een geleidelijke beursgang op zodanige wijze worden geprivatiseerd dat ongewenste overnames en monopolievorming worden vermeden ;

3. de overheid kan beslissen in specifieke terreinen een sturingsmogelijkheid te behouden, zonder dat dat per definitie een meerderheidsparticipatie van de overheid veronderstelt ;

4. de overheid moet taken kunnen opnemen in domeinen waar de markt faalt.

Binnen dat kader wordt de Gewestelijke Investeringsmaatschappij Vlaanderen (GIMV) verder geprivéatiseerd.

F. Het één-loketprincipe

De overheid moet zich opstellen als een partner van de bedrijven en het juiste kader scheppen waarbinnen men vrij kan ondernemen. Dat veronderstelt het vastleggen van normen en daadwerkelijke controle, maar ook een voldoende rechtszekerheid waarbij men niet om de haverklap normen en reglementen wijzigt. En ambtenaar staat in voor de coördinatie en de begeleiding van het dossier en de voorlichting van de indiener.

Het vergunningsbeleid moet eenvoudiger worden gemaakt, zonder aan de normen te raken. Het principe één aanvraag, één loket en n vergunning die worden afgeleverd binnen een vooraf bepaalde korte termijn, moet worden waargemaakt.

Een duurzame economische groei kan niet zonder een flankerend beleid, onder meer op het vlak van de mobiliteit, het voorradig zijn van uitgeruste en ecologisch verantwoorde bedrijventerreinen, onderzoek en ontwikkeling en een betere samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs.

G. Subregionale economie

Het statuut en de werking van de bestaande structuren inzake subregionale economie worden getoetst op hun effectiviteit. Zij worden bijgestuurd met het oog op een grotere structurele efficiëntie voor het voeren van een subregionaal beleid.

H. Vlaams Wetenschaps- en innovatiebeleid.

Innovatiebeleid moet gericht zijn op een duurzame economie.

Het versterken van het Vlaamse wetenschappelijke en technologische potentieel zal één van de permanente aandachtspunten zijn van de Vlaamse regering. De regering zal aan het Vlaamse innovatiebeleid een inhoudelijke invulling en uitdieping geven in het kader van het innovatiedecreet. Een geïntegreerd innovatiebeleid behelst aandacht voor technologieontwikkeling, -verspreiding en -aanwending (in het bijzonder ten behoeve van KMO's) en voor de combinatie van niet-technologische kennis met technologie. Ook in de social-profitsector en de overheid moet dat innovatiebeleid verder gestimuleerd worden. Op basis van een evaluatie van de inhaaloperatie worden de Vlaamse publieke Onderzoek en Ontwikkeling-middelen verder verhoogd.

Hierbij wordt ernaar gestreefd:

a) de onevenwichten in het Vlaams Onderzoek en Ontwikkeling- en innovatiesysteem weg te werken en het fundamenteel onderzoek te versterken.

In de eerste plaats zal de basisfinanciering van de Vlaamse universiteiten en de universitaire investeringskredieten worden verhoogd om die instellingen in staat te stellen hun drievoudige opdracht van onderwijs, onderzoek en dienstverlening optimaal uit te voeren.

Er wordt gestreefd naar een beter evenwicht tussen het onderzoek op initiatief van de vorser en het onderzoek waarvan de opdrachtgever het onderwerp bepaalt. Daarvoor worden de toelagen voor het Bijzonder Onderzoeksfonds, waarmee de universiteiten een eigen onderzoeksbeleid kunnen voeren - onder meer door een herorintering van bestaande financieringskanalen voor onderzoek - drastisch verhoogd.

In het kader van de herziening van de beheersovereenkomsten met IMEC en het VIB, wordt erover gewaakt dat het interuniversitair karakter van die instellingen verder wordt versterkt.

b) het Vlaams Onderzoek en Ontwikkeling- en innovatiesysteem doorzichtiger te maken voor de gebruikers

Voor de technologische ontwikkeling houdt dat in dat er één uniforme en doorzichtige regeling komt voor de financiering van projecten die door bedrijven worden voorgesteld (autonome functie van het IWT). De ondersteuning van KMO's, zowel bij het opstellen van projectvoorstellen als bij het uitvoeren ervan, moet verder worden verbeterd. De diverse impulsprogrammas en acties worden afgebouwd en de vrijgekomen middelen gebruikt om de autonome functie van het IWT te versterken.

Bij het Vlaams Onderzoek en Ontwikkeling- en innovatiebeleid is een groot aantal intermediairen betrokken. Zij zijn gehouden aan een actieve onderlinge samenwerking en een effectieve doorverwijzing naar de meest adequate kenniscentra, binnen een gecordineerd geheel op Vlaams niveau.

De Vlaamse overheid kan stimulerend optreden in de start en vorming van nieuwe netwerken die een belangrijke rol kunnen vervullen in het initiëren van gezamenlijke innovatieprojecten en -activiteiten. Die kunnen eventueel voor steun in aanmerking komen binnen het kader van de algemene steunregelingen van de Vlaamse overheid.

Voor academisch onderzoek vormen het Bijzonder Onderzoeksfonds en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen (FWO) de twee financieringsmechanismen. De talrijke, afzonderlijke en specifieke financieringskanalen worden afgebouwd. De middelen worden gebruikt voor het versterken van het academisch onderzoek op initiatief van de vorser.

In het kader van de vernieuwing van de beheersovereenkomst met die instelling, wordt de wetenschappelijke werking van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen (FWO) grondig doorgelicht, onder andere in het licht van het bevorderen van het trans- en interdisciplinair onderzoek.

Het projectmatig technologisch onderzoek in de hogescholen wordt versterkt, waarbij de nadruk vooral moet liggen op de samenwerking met de lokale KMO's.

In het kader van de vernieuwing van de beheersovereenkomst met het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek (VITO), zal de opdracht en de plaats van die instelling in het Vlaams Onderzoek en Ontwikkeling- en innovatiesysteem duidelijk worden vastgelegd.

c) de administratieve structuren te rationaliseren

Het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk en Technologisch onderzoek voor Vlaanderen (IWT) moet zijn functie als uniek loket voor de steun voor technologisch onderzoek verder uitbouwen. Dat is nader gebaseerd op het beleidsplan en de beheersovereenkomst bepaald door het innovatiedecreet. Bovendien moet het IWT verder worden uitgebouwd als het unieke aanspreekpunt voor de Vlaamse deelname aan grote internationale technologische programma's en -acties.

Binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap wordt, na de doorlichting van de betrokken administraties, een rationalisering doorgevoerd met bijzondere aandacht voor de coördinatie van het aanmaken van de Vlaamse Onderzoek en Ontwikkeling- en innovatiestatistieken.

d) de kwaliteit laten primeren.

Zowel inzake technologische ontwikkeling als academisch onderzoek vereenvoudigt de Vlaamse regering de regelgeving; tegelijk worden de bestaande mechanismen voor kwaliteitsbewaking versterkt en waar nodig uitgebouwd.

In het bijzonder wordt aan de universiteiten, hogescholen en Vlaamse wetenschappelijke instellingen gevraagd hun systeem van kwaliteitsbewaking en -bevordering verder uit te bouwen voor alle disciplines. Er wordt tevens gevraagd hun valorisatie-functie te evalueren.

e) het beleidsvoorbereidend onderzoek verder te stroomlijnen

Er wordt een grondige inventaris gemaakt van alle middelen die in de huidige Vlaamse begroting zijn ingeschreven voor beleidsvoorbereidend onderzoek, met het oog op een grotere efficiëntie en een drastische vereenvoudiging van de administratieve structuren en procedures.

De vijf Vlaamse wetenschappelijke instellingen worden geëvalueerd.

f) de wetenschapsvoorlichting te versterken

De voorlichting van het brede publiek inzake ontwikkelingen in wetenschap en technologie en het prikkelen van jongeren voor basis- en toegepaste wetenschappen wordt de hoeksteen van het Vlaams Onderzoek en Ontwikkeling- en innovatie-beleid. De bestaande initiatieven in die sector worden grondig doorgelicht en terzake waar nodig bijgesteld.

Bij de verdere uitwerking van het innovatiedecreet vormt duurzame ontwikkeling een centraal gegeven. Voor dat innovatiebeleid moeten overheid en bedrijfsleven een evenwichtige inspanning leveren. Ook de beheersovereenkomst met het IWT wordt in die zin inhoudelijk bijgestuurd, zodat meer ondersteuning en extra budgetten gaan naar projecten inzake 'duurzame productontwikkeling' die energie- en grondstoffenbesparing centraal stellen. Ook de marktintroductie van energie van hernieuwbare energiebronnen wordt ontwikkeld en aangemoedigd.

De regering steunt de oprichting van een parlementair instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek. Dat instituut moet het maatschappelijk debat over nieuwe kwesties als genetische manipulatie of het impact van informatie- en communicatietechnologie op de werkgelegenheid stofferen.

Er komt een inhaalbeweging voor het onderzoek naar de inschatting van risico's voor de volksgezondheid van milieugevaarlijke stoffen.

I. Digitaal Actieplan

De Vlaamse regering wil werk maken van een digitaal actieplan waarbij de plaats van Vlaanderen in de digitale economie serieus verstevigd wordt. De aansluiting van de Vlaamse bedrijven op de nieuwe informatie- en communicatienetwerken moet daarbij bevorderd worden. Door te investeren in de Vlaamse kennisinfrastructuur wil de Vlaamse overheid ervoor zorgen dat er een serieuze inhaalbeweging gebeurt zodat Vlaanderen een stevigere positie kan verwerven in de informatiesamenleving.

In dat digitaal actieplan worden volgende doelstellingen opgenomen.

De drempels van de Nieuwe Informatie- en Communicatietechnologie moeten substantieel verlaagd worden voor het Vlaamse bedrijfsleven, en het gebruik van de NICT in het bedrijfsleven moet gestimuleerd worden.

Het bandbreedteprobleem van de informatienetwerken in Vlaanderen moet aangepakt worden, in samenspraak met de diverse telecommunicatieactoren. De Vlaamse overheid moet daarbij zorgen voor de geschikte randvoorwaarden zodat investeringen in kennisinfrastructuur aantrekkelijker worden.

Nieuwe ontwikkelingen op het vlak van ICT-technologie en integratie van deze nieuwe ontwikkelingen in het Vlaamse bedrijfsleven moeten optimaal ondersteund en gestimuleerd worden.

Tegen 2002 moeten n vierde van alle overheidsdiensten via het internet toegankelijk zijn.

De Vlaamse overheid engageert er zich ook toe om binnen het jaar een gedragscode voor elektronische handel en internetbusiness uit te werken.

J. Exportbevordering

De efficiëntie van het Vlaamse overheidsoptreden inzake exportpromotie moet worden verbeterd.

Ondanks alle reeds geleverde inspanningen is de naambekendheid van de Vlaamse producten in het buitenland nog niet zeer groot. Vlaanderen moet zich resoluut profileren als producent van kwaliteitsproducten.

De verhoging van de efficiëntie van het Vlaamse exportbeleid veronderstelt de overheveling van de resterende federale bevoegdheden terzake.

Daarnaast is het belangrijk de exportbevorderende middelen en instrumenten waarover de Vlaamse overheid beschikt, beter op elkaar af te stemmen en te bundelen.

K. Een vrije energiemarkt die voldoet aan de afspraken gemaakt in Kyoto

De zorg voor het milieu moet niet als een economische rem maar als een kans op kwalitatieve groei en werkgelegenheid en competitief voordeel op middellange termijn worden beschouwd. Dat kan slechts op voorwaarde dat

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234