Woensdag 28/09/2022

Een stukje Antwerpen in de Aisne

Antwerpen dankt de Schelde aan God en al de rest aan de Schelde, zeggen ze in mijn geboortestad. Door de spelingen van de geschiedenis wordt de bron van deze rijkdom echter bewaakt door de burgemeester van een piepklein dorpje in Picardië.

Op de lagere school leerden wij dat de Schelde ontspringt in Saint-Quentin, maar dat is niet helemaal waar. Het is in Gouy dat we moeten wezen, een oord tussen Cambrai en Saint-Quentin, dat je bijna voorbijrijdt. Op de N44 moet je na 25 km uitkijken naar de borden die de weg naar de Source de l'Escaut aangeven. Het is een wat avontuurlijke tocht langs veldwegen die soms vol passerende tractoren zitten, maar als de geduldige en vooral aandachtige reiziger de veldweg plots wat breder ziet worden, is het tijd om de auto aan de kant te zetten.

De Scheldebron wordt aangegeven door een beeldhouwwerk dat in 1985 door de stad Antwerpen in bruikleen werd afgestaan aan de vzw Frans-Belgische Vereniging van de Scheldebron/Association Franco-Belge de la Source de l'Escaut. Aan de basis van deze vereniging ligt de in 1966 opgerichte European Shipping Association (ESPA), de ondanks de naam bijna uitsluitend uit Belgen bestaande vereniging van maritieme journalisten en publicisten. Deze stond toen onder het voorzitterschap van Libre Belgique-journalist Jacques Rom, die vandaag de dag nog altijd de grote instigator is voor de uitbouw van Antwerpen als cruisehaven.

De vzw kocht in 1984 het terrein van de bron aan. De nodige fondsen daarvoor werden onder meer bijeengebracht door de uitgifte van een speciaal geslagen Scheldepenning.

In 1994 werd op de muur die de bron overspant een gedenkplaat aangebracht waarop onder de titel Revivat Scaldis een nogal bombastisch gedicht een ode brengt aan de 'Schelde, kristalheldere bron..'. De stad Antwerpen schonk enkele zitbanken om de vermoeide bronzoeker de kans te geven bij het beekje in kwestie te verpozen. Dat de stad de nobele schenker was, stond vermeld op de koperen plaatjes die in de rugleuning van de banken waren geschroefd. Die plaatjes zijn ondertussen allemaal gejat en de banken zelf schreeuwen om een forse lik verf. "Wat wil je," zegt burgemeester Marcel Debureaux, "de bron ligt bij een kruispunt van verschillende wandelwegen en dan is vandalisme nooit erg ver weg."

Gouy heeft al jarenlang grootse plannen met het terrein, maar wacht al even lang op een grondherschikking. Daardoor zou de gemeente enkele aanpalende landbouwpercelen verwerven, wat de aanleg van een parkeerterrein en de exploitatie van de site als toeristische attractie mogelijk zou maken. Palend aan het terrein van de bron liggen de ruïnes van de tijdens de Franse Revolutie verwoeste Abbaye Mont St. Martin. Deze zijn niet te bezichtigen. De gemeente Gouy heeft met de huidige pachter van dat terrein trouwens een appeltje te schillen, aangezien deze begonnen is met de aanleg van vijvers, waardoor enkele voedingsbronnetjes van de Scheldebron droog zijn komen te staan. Iets verder stroomopwaarts bevindt zich ook nog eens een ververij die al sinds mensenheugenis haar afvalwater in de Schelde loost. Ook daar heeft de burgemeester nog de handen vol mee.

Hoewel het voor wie terugkeert uit het zuiden of enkele dagen in de Champagne heeft doorgebracht een leuke omweg is naar de Scheldebron is deze niet spectaculair genoeg om er de tweeëneenhalf à drie uur durende tocht vanuit Brussel voor over te hebben. In de regio zelf zijn er echter nog andere bezienswaardigheden die onder de noemer 'vaut le détour' kunnen vallen.

Zo vind je als je diezelfde N44 volgt enkele kilometer voorbij Gouy - eerst passeer je nog een Amerikaanse militaire begraafplaats - de site van Riqueval. Bij het gebouwtje loopt een trap naar beneden die toegang geeft tot het ondergrondse kanaal van Riqueval. Dat laatste is een onderdeel van het Canal de Saint-Quentin, dat de Oise en de Somme in Cambrai verbindt met de gekanaliseerde Schelde. De oudste delen ervan werden al ontworpen ten tijde van Richelieu en Mazarin, maar het was uiteindelijk Napoleon die het grote strategische belang inzag van een vlotte verbinding tussen Parijs en onze streken. Het Grand Souterrain de Riqueval bestaat uit een 5.670 m lang tracé tussen Riqueval en Vendhuile en een 1.098 m lange gelijkaardige constructie in Lehancourt. Beide werden van 1802 tot 1810 door soldaten, landarbeiders en krijgsgevangenen uitgegraven, bij kaarslicht en met houwelen!

Het souterrain werd door de keizer en de keizerin persoonlijk ingevaren. Een halve eeuw lang werden de aken erop voortgetrokken door ploegen van zeven of acht mannen, die over het jaagpad aan beide zijden van de waterweg liepen. Bovengronds namen paarden het trekken over.

In 1863 werd dan de zogenaamde Rougaillou-sleper ingezet. Deze bestond uit een drijvend platform dat werd voortbewogen door een op de kanaalbodem verzonken kettingsysteem, dat op zijn beurt werd aangedreven door een tredmolen van zes à acht paarden. In 1874 werd dit systeem naar de schroothoop verwezen en vervangen door stoomslepers. Sedert 1910 zijn er voor de tractie elektrische sleepboten, die ook met een acht kilometer lange ketting worden voortbewogen. Ook vandaag moeten de spitsen en pleziervaartuigen die het kanaal willen bevaren hun motor stilleggen en wachten tot ze aan de sleper of een andere passant zijn vastgeklonken. Pas dan gaat de hele trein door de tunnels, tegen een snelheid van tweeëneenhalve kilometer per uur. De tocht duurt een dikke twee uren. Vertrek- en aankomsttijden van deze binnenvaarttreinen staan aangegeven in het dienstgebouwtje bij de site. In een gerestaureerde oude elektrische sleper is een tentoonstelling ingericht over de sleeptechnieken op het Souterrain de Riqueval.

Een ander fraai staaltje van industriële archeologie vind je in Guise waar de kachelmagnaat Godin op het einde van de vorige eeuw zijn Familistère liet bouwen. Het sociale-woningencomplex, een wijk op zich, wordt nog altijd bewoond.

Guise is ook de naam van een hertogelijk geslacht, dat vooral in de 16de eeuw een leidinggevende (intriganten)rol heeft gespeeld in de Franse politiek. Zijn indrukwekkende citadel domineert nog altijd het stadje en een flink deel van de vallei van de Oise, die lange tijd als grensrivier heeft gefungeerd. De citadel is helemaal geen hertogelijke residentie, maar een oerecht verdedigingscomplex dat van de Middeleeuwen tot 1918 permanent door soldaten is bewoond. Na in de laatste dagen van WO I beschoten te zijn door de oprukkende Fransen, werd het enkele decennia lang als opslagplaats voor bouwmaterialen en als steengroeve gebruikt, zodat heel wat van het complex verloren is gegaan. Toch duurt een rondleiding (gids verplicht) nog altijd bijna twee uur.

Gouy ligt aan de N44 tussen Cambrai en Saint-Quentin. Cambrai bereik je vanuit Brussel over de E19 via Bergen en Valenciennes. Je kan ook de E17/A1 (Autoroute du Nord) via Gent en Kortrijk volgen en na Lille de afslag voor de A26 richting Reims nemen. Op deze weg kan je bij Graincourt even de A2/E19 richting Brussel en na een zestal km de afslag Cambrai nemen.

De rondleiding in het Château-Fort van Guise kost 30 F. fr.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234