Zondag 03/07/2022

Een zondebok neemt wraak

Met een bijna ridderlijke trots bestrijdt VN-kolonel op rust Luc Marchal nu al acht jaar het verdict van het volkstribuun dat hem verantwoordelijk stelt voor de dood van de tien para's in Rwanda. 'Wat ik niet kan begrijpen, is dat de politieke en militaire leiders die wel iets hadden kunnen doen geen last hebben van hun geweten. Ik loop al enkele jaren rond met het zeer onaangename gevoel dat ik andermans gewetensproblemen moet dragen.'

Koen Vidal

Foto's Tim Dirven

'Slechts weinig drenkelingen drijven boven in de enorme wieling." Met dit citaat van Vergilius begint kolonel Luc Marchal (57) zijn boek Aan de poorten van de Rwandese hel. Een boek dat hij naar eigen zeggen schreef om het hoofd weer boven water te krijgen. Ook om wraak te nemen voor het onrecht dat hem werd aangedaan. "Om weer sereen te kunnen leven." Marchal ging kopje onder toen hij er in april 1994 als VN-commandant niet in slaagde om de genocide in Rwanda tegen te houden. Een genocide die het leven kostte aan naar schatting 1 miljoen mensen. Wanneer Marchal eind april terug in België aankomt, stoot hij op een boze publieke opinie. Het volkstribuun stelt hem verantwoordelijk voor de dood van de tien para's die op 7 april in het militaire kamp van Kigali door een woedende menigte werden gelyncht. Sindsdien voelt Marchal zich een paria. "Ik was de ideale zondebok. Ik bekleedde de positie bij uitstek om alle verantwoordelijkheid voor de mislukking van de vredesmissie in Rwanda op mijn hoofd te krijgen. Hoog genoeg in de hiërarchie om een hapklare brok te zijn voor de media en de publieke opinie; laag genoeg om de echte legertop buiten schot te houden." Voor Marchal begint een "afmattende, lange en eenzame tocht door de woestijn. Maandenlang bots ik bij de militaire autoriteiten op een samenzwering van stilzwijgen. Niemand wilde met me praten. Alsof er besloten was het Rwanda-dossier voorgoed te vergeten. Die oorverdovende stilte kwam bij velen heel verdacht over. Onder meer bij de paracommando's die in Rwanda hadden gediend. Terecht hadden zij de indruk dat er een stinkend potje werd toegedekt. Helaas gingen velen van hen mij als de grote schuldige beschouwen. Hoe ze bij mij terechtkwamen? Omdat ik de hoogste Belgische gezagdrager was in Rwanda. Hun onvrede werd versterkt door de media. De druk van de media was soms ondraaglijk. Die druk neemt bezit van elke vezel van je lichaam en laat je geen seconde meer los." In 1996 zit Marchal in de beklaagdenbank van het militaire gerechtshof waar hem een gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg ten laste wordt gelegd. De rechter spreekt hem vrij. Maar een jaar later komt hij opnieuw in opspraak wanneer de Rwanda-commissie in de Senaat hem een 'verkeerd inschattingsvermogen' verwijt. "Opnieuw werd mijn naam beklad. En opnieuw krijg ik geen enkele steun van de legertop. Het feit dat de militaire staf sinds eind 1994 over een rapport beschikt waaruit blijkt dat ik geen enkele beroepsfout heb gemaakt, verandert niets aan die ijzige houding. Ik kreeg steeds meer de indruk dat ik het slachtoffer was van de tactiek van een aantal topmensen die er alle belang bij hadden om hun fouten op mijn rug te schuiven. Ze wisten maar al te goed dat ze ons met veel te weinig manschappen en te lichte wapens naar Rwanda hadden gestuurd. Zij beseften dat zij lichtzinnig hadden gehandeld en moesten snel op zoek naar een zondebok."

Op 4 december 1993 vertrekt u als VN-commandant naar Rwanda. Vanaf welk moment is het voor u duidelijk dat de vredesmissie te zwak is om haar taak uit te voeren?

"Vrijwel onmiddellijk. Het is zelfs zo dat ik drie dagen voor mijn vertrek m'n beklag deed over het gebrek aan manschappen. De regering had slechts een budget voor 420 militairen uitgetrokken terwijl iedereen wist dat we er minstens 600 nodig hadden. Maar toen ik dit bij de legerleiding aankaartte, kreeg ik te horen - en ik citeer letterlijk - 'waar klaag je over, je gaat naar de Club Med!' Vier dagen na mijn aankomst schrijf ik in een telex aan Brussel dat de vredesmissie niet in staat is om te functioneren. Groot probleem was onder andere dat er qua huisvesting niets geregeld was. We hadden geen dak boven ons hoofd en deden niets anders dan van de ene plaats naar de andere verhuizen. Het ergste was dat Brussel het vertikte om mij een volmacht te geven om huurcontracten af te sluiten. Zij vonden dat de Verenigde Naties in New York dat maar moesten betalen. Maar New York zei dan weer dat dit de verantwoordelijkheid was van België. Dit probleem werd pas in februari opgelost. Drie maanden lang waren wij dakloos. Maar er waren nog tal van andere praktische hindernissen. De eerste weken was er bijvoorbeeld een nijpend tekort aan elementaire voorzieningen zoals papier en schrijgerei. Ook hierover ontstaat er een pingpongspel tussen Evere en New York. Bij het bataljon blauwhelmen uit Bangladesh, dat ook onder mijn bevel stond, waren de problemen nog veel groter. De Bengalen arriveerden in Kigali zonder uitrusting, zonder voedsel, zonder water. Hun genie-eenheid moest het stellen zonder enig werktuig. Het enige wat ze hadden waren hun blote handen."

Kon u tijdens de eerste maanden van de vredesmissie eigenlijk iets nuttigs doen?

"We werden verondersteld om de sector rond Kigali wapenvrij te maken, maar dat verliep erg moeizaam. Wel succesvol was de operatie Clean Corridor waarbij we een bataljon van het Front Patriotique Rwandais (FPR) en een aantal van hun politieke gezagdragers naar Kigali overbrachten (het door Tutsi's gedomineerde FPR nam na de genocide de macht over in Rwanda, KoV). Omdat die operatie erg vlot verliep, was er eind december toch enig optimisme omtrent de slaagkansen van het vredesproces."

Maar dat optimisme duurde niet lang. Op 10 januari 1994 ontmoet u 'Jean-Pierre', een informant die u op de hoogte brengt dat er een etnisch bloedbad wordt gepland dat ook de Belgische blauwhelmen viseert. Hoe verliep die ontmoeting?

"Die vond plaats in een wat griezelig decor. Er was die avond net een stroomdefect in Kigali. De kaars die ik op tafel had gezet, wierp schaduwen op de muur van de vergaderzaal van mijn hoofdkwartier. Voor mij zat een vrij jonge Rwandees die zich voorstelde als Jean-Pierre. 'Ik draag altijd een wapen', was het eerste wat hij zei en om dat te bewijzen legde hij een revolver naast zich. Jean-Pierre vertelde me dat hij verantwoordelijk was voor de veiligheid van de MRND, de partij van president Juvénal Habyarimana. Hij had van de MRND-voorzitter opdracht gekregen om alle Tutsi's die in Kigali wonen te lokaliseren om ze op het gepaste moment te kunnen vermoorden. Jean-Pierre stond ook in voor een aantal wapenopslagplaatsen vanwaaruit hij de cellen van de partijmilitie bevoorraadde. 'De organisatie die in de hoofdstad wordt gevormd', zei Jean-Pierre, 'zal in staat zijn om duizend Tutsi's per minuut te doden.' Jean-Pierre vertelde ook nog dat er plannen werden gesmeed om tijdens betogingen Belgische militairen te vermoorden om op die manier de terugtocht van de Belgische troepenmacht uit te lokken."

Welk belang hechtte u aan Jean-Pierres verklaring?

"Ik viel van mijn stoel. Nooit zal ik kunnen benadrukken hoe groot de impact was van mijn twee ontmoetingen met Jean-Pierre. Hij presenteerde ons de Apocalyps tot in de details. De idyllische kijk op het vredesproces die bij het begin van de missie nog overheerste, wordt in één klap vertroebeld. De eerste maand waren we ervan overtuigd dat we alle Rwandezen zouden kunnen mobiliseren telkens als we het woord 'vrede' uitspraken. Maar na Jean-Pierre wisten we dat we op een kruitvat leefden dat op elk moment kon ontploffen. Drie dagen na het eerste gesprek hadden we een tweede ontmoeting met Jean-Pierre. Diezelfde avond neemt hij een Senegalese VN-officier mee naar een wapenopslagplaats in het hoofdkwartier van de MRND. De Senegalese blauwhelm vertelde ons achteraf dat de kelder vol kalasjnikovs lag. In totaal toont Jean-Pierre de Senegalees een tiental opslagplaatsen. Telkens vertelde hij erbij om hoeveel wapens het ging en waar die wapens zich precies bevonden: dubbele bodems, valse plafonds, septische put, een in de grond begraven kist. Na Jean-Pierres verklaring beginnen VN-generaal Roméo Dallaire en ik steeds meer rekening te houden met het worst-casescenario. (De Canadese generaal Dallaire voerde het bevel over alle blauwhelmen in Rwanda, KoV) In die dagen bestelde ik in Brussel zwaardere munitie. Munitie die tussen haakjes nooit geleverd werd."

Wie hebt u allemaal van Jean-Pierres inlichtingen op de hoogte gebracht?

"Generaal Dallaire bracht de VN in New York op de hoogte en ik informeerde de generale staf in Evere. Ik gaf ook een briefing aan de Belgische ambassadeur Johan Swinnen, die de inlichtingen overmaakte aan Buitenlandse Zaken in Brussel. Iedereen was op de hoogte van wat Jean-Pierre ons verteld had."

Ondertussen weet iedereen wat er met de informatie gebeurd is. Niets. New York verbood u om enige actie te ondernemen tegen de wapenopslagplaatsen. Wat was uw reactie?

"Dallaire en ik waren geschokt door het laconieke antwoord van New York. Te meer daar het VN-hoofdkwartier ons opdracht gaf om president Habyarimana en MRND-voorzitter Matthieu Ngirumpatse op de hoogte te brengen van de wapenvoorraden. Compleet absurd! De MRND was zelf verantwoordelijk voor die wapenopslagplaatsen. Het was alsof we in het heetst van een pokerspel onze troeven op tafel moesten leggen. Enkele dagen later meldde Jean-Pierre dat de depots leeggehaald waren en dat de kalasjnikovs over de stad verspreid waren. We hebben ons compleet belachelijk gemaakt."

Wat is er uiteindelijk met Jean-Pierre gebeurd?

"Dat weet niemand. Dallaire en ik hebben nog geprobeerd om asiel voor hem aan te vragen. Maar België, Frankrijk, de VS noch Canada waren bereid om hem in bescherming te nemen. Zogezegd omdat dit de neutraliteit van die landen in gevaar zou brengen. Ik kon niet anders dan een einde maken aan mijn ontmoetingen met Jean-Pierre. Uit morele overwegingen. Ik kon die man toch moeilijk blijven gebruiken en hem aan het lijntje houden met de valse belofte om hem politiek asiel te verlenen. Of hij nog in leven is? Ik weet het niet. Het laatste wat ik van hem gehoord heb, is dat hij een baan bij de VN had gevonden in Kenia. Maar die informatie dateert van zeven jaar geleden. Het is verschrikkelijk spijtig dat we hem moesten laten gaan. Hij had ons een schat aan informatie kunnen bezorgen. Met Jean-Pierres hulp hadden we de realiteit veel correcter kunnen inschatten. We hebben daar iets gemist hoor! In ruil voor asiel was hij zelfs bereid om voor de media te getuigen."

Dallaire stuurde zijn telex naar de cel operaties van de Verenigde Naties in New York. De man die aan het hoofd stond van die cel en ongetwijfeld Jean-Pierres getuigenis heeft gelezen, heet Kofi Annan. Stoort het u dat Annan dit jaar als secretaris-generaal van de VN de Nobelprijs voor de vrede in ontvangst mocht nemen?

"Ach, ik heb Annan nooit ontmoet. Wat Annan betreft, heb ik geen speciaal gevoel. (dan feller) Maar hij draagt een zware verantwoordelijkheid. Ik vind het schandalig dat de topmensen die op de hoogte waren niets met Jean-Pierres informatie gedaan hebben. Wat ik niet kan begrijpen, is dat die mensen geen last hebben van hun geweten. Zoveel doden in Rwanda. Het gekke is dat Dallaire en ik de verantwoordelijkheid van die kerels moeten dragen. Wij voelen ons wél verantwoordelijk voor wat er is misgelopen. Ik loop al enkele jaren rond met het zeer onaangename gevoel dat ik andermans gewetensproblemen moet dragen. Dat is oneerlijk. Wij hebben wel al het mogelijke gedaan om die genocide te voorkomen. We hebben iedereen ervan op de hoogte gebracht dat er een moordscenario in de steigers stond. We wilden acties ondernemen, vroegen versterking, vroegen extra middelen. Maar nooit kregen we een positief antwoord. En nu zitten wij met een ongelofelijk schuldgevoel."

Als op 6 april 1994 het vliegtuig van president Habyarimana wordt neergehaald, treedt het moordscenario dat Jean-Pierre u had uitgelegd in werking. Maar wie heeft volgens u de aanslag gepleegd?

"Het moeten extremisten geweest zijn die er alle belang bij hadden om het vredesproces te kelderen. Vraag is natuurlijk of het Hutu- of Tutsi-extremisten waren. Vaak wordt beweerd dat de omgeving van Habyarimana zelf achter de aanslag zit. In dat geval zou er dus sprake zijn van een voorbereide Hutu-coup. Maar die avond van de 6de april viel het mij op dat er in Kigali helemaal geen coup-atmosfeer heerste. Normaal neemt het leger dan onmiddellijk de controle over in de stad. Dat was helemaal niet het geval. Integendeel, die avond had ik een crisisvergadering met de Rwandese legertop en het was duidelijk dat de aanwezige officieren totaal verrast waren door de aanslag. Zelfs Théoneste Bagosora, de kabinetschef van Defensie die later de genocide op gang zou brengen, was verrast."

U gelooft dus eerder in de hypothese dat het huidige Rwandese regime van Paul Kagame verantwoordelijk is voor de aanslag?

"Wel, ik vraag mij af waarom er nog geen onderzoek is verricht naar de aanslag. Dat is toch wel zeer abnormaal. Het huidige regime zegt dat het daar geen tijd voor heeft, maar dat is niet aanvaardbaar. De internationale gemeenschap zou van dat onderzoek een prioriteit moeten maken. Ik vind het ook zeer vreemd dat Louise Arbour, voormalig openbaar aanklager van het Rwanda-tribunaal in Arusha, het rapport waarin staat dat Kagame de aanslag op Habyarimana bevolen heeft, zonder gevolg klasseerde. Voor mij is dat een teken dat bepaalde mensen niet willen dat de waarheid naar boven komt. Ten opzichte van de geschiedenis met een grote 'G' en al die slachtoffers die in Rwanda zijn gevallen, heeft de internationale gemeenschap daar een grote verantwoordelijkheid. We moeten er toch zeker van zijn dat in de gevangenis van Arusha geen onschuldigen zitten en dat de echte schuldigen in de gevangenis belanden. Het tegendeel vind ik onaanvaardbaar. Ik ben tot de conclusie gekomen dat er acht jaar na de feiten nog geen enkele vooruitgang in het onderzoek is en dat er een land moet zijn dat verantwoordelijk is voor dit probleem. Een land dat zeer machtig is en wil verhinderen dat de waarheid aan het licht komt."

Doelt u op de Verenigde Staten dat nu via Rwanda greep tracht te krijgen op de grondstoffen van Oost-Kongo?

"Het is een feit dat Rwanda de commerciële poort is naar Kongo..."

In de ochtend van 7 april worden de tien para's door Rwandese militairen ontwapend en vervolgens omgebracht. Waarom kreeg luitenant Lotin, die aan het hoofd stond van de groep, van zijn oversten het bevel om de wapens af te geven?

"Dat is een misverstand. Niemand heeft hem dat bevel gegeven. Ook kolonel Dewez niet (Dewez was in april 1994 commandant van het Belgische bataljon, KoV). Dewez stond wel in radiocontact met Lotin. Die vertelde aan Dewez dat hij aan het onderhandelen was met de Rwandese majoor Bernard Ntuyahaga over een overgave in ruil voor veiligheid. Even later zegt Lotin via de radio dat vier van zijn mannen al ontwapend zijn en op de grond liggen met een geweerloop in hun nek. Op dat moment heeft Dewez gezegd: 'Oké als het zo zit, denk ik dat het beter is om jullie wapens af te geven en te doen wat die majoor zegt.' Maar dat was geen bevel. Het was aan Lotin om de situatie op het terrein te beoordelen en een beslissing te nemen. Lotin was de chef ter plaatse. Achteraf kun je niet zomaar zeggen dat de chefs van Lotin verantwoordelijk zijn voor de dood van de para's. Zo werkt het niet. De persoon die op het terrein is, die direct met het probleem geconfronteerd wordt, bevindt zich in de beste positie om een beslissing te nemen."

Was het mogelijk om de para's te ontzetten?

(lange stilte) "Neen, ik heb sterke twijfels over het succes van zo'n interventie. Die ochtend waren er erg veel wegversperringen in Kigali, veel pantserwagens van het Rwandese leger. We wisten zelfs niet waar de para's zich bevonden."

Op 15 april 1994 beslist de regering-Dehaene II om al haar troepen uit Rwanda terug te trekken. Uzelf weigert tot driemaal toe om op dat bevel in te gaan.

"Ik ervaar die beslissing nog altijd als iets zeer pijnlijks. Het was een schande. België had zich geëngageerd om het vredesproces te steunen en de Rwandese bevolking in geval van problemen te beschermen. En als het dan misloopt zeggen wij 'dááág, trek je plan'. Dat is onaanvaardbaar. De aanwezigheid van de VN en België in het bijzonder was een waarborg voor al die Rwandezen die zich ingezet hadden voor het vredesproces. We hebben die mensen aangemoedigd om hun verantwoordelijkheid op te nemen en vanaf het moment dat hun leven in gevaar was, zijn wij vertrokken. Voor België is dat een schande. Vooral omdat we perfect wisten wat er daarna zou gebeuren. Jean-Pierre had het ons allemaal verteld. Beweren dat we verrast waren door de gebeurtenissen, is compleet ongeloofwaardig. Ikzelf heb aan stafchef Charlier gezegd: generaal, als we hier vertrekken, breekt er in heel het land een bloedbad uit. Probleem was natuurlijk dat er in 1994 twee verkiezingen waren in België: eerst Europese en daarna gemeenteraadsverkiezingen. Ik ben ervan overtuigd dat dat een rol heeft gespeeld. In ieder geval hadden onze politici weinig moed. Ze hadden aan de bevolking moeten uitleggen: 'Kijk, er zijn tien doden, maar als we onze troepen terugtrekken zullen duizenden mensen sterven. Het is onze plicht om ter plaatse te blijven.'"

Maar was er een realistische kans om de genocide tegen te houden?

"Natuurlijk. Er waren voldoende troepen op het terrein om de situatie onder controle te krijgen. Op dat moment waren er niet enkel blauwhelmen in Rwanda maar ook Belgische, Franse en Italiaanse para's om de buitenlanders te evacueren. In totaal ging het om meer dan 3.000 troepen. De Amerikanen hadden in Burundi 250 rangers en gevechtshelikopters in hoge staat van paraatheid gebracht. Neen historisch gezien was de beslissing om te vertrekken verschrikkelijk. En de gevolgen ervan zijn nog altijd niet te overzien."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234