Dinsdag 28/06/2022

'Een zuivere diamant'

De laatste twee finaleavonden van de Koningin Elisabethwedstrijd brachten alweer twee uitschieters. Rasmuzikant Barnabas Kelemen ging als een wervelwind door de zaal, Ning Kam overtuigde met haar vinnige, stijlvolle kracht. Beiden kregen een verdiende plaats op het ereschavot, maar het was Baiba Skride die het goud om de hals mocht hangen.

Brussel / Van onze medewerkster

Miek Strynckx

Vrijdagavond kwam in het Paleis voor Schone Kunsten eerst de Russische Tatiana Samouil aan de beurt. De bijtende solo waarmee Qilaatersorneq van Eichberg begint, speelde ze met brede, volle streken, en dat zette meteen de toon voor de rest van haar optreden. Samouil bleek een stevige, degelijk opgeleide violiste met een robuuste, goed ontwikkelde klank, maar ze overlaadde haar spel met een ernst die je naar adem deed snakken. Bovendien had ze de pech direct na Baiba Skride identiek hetzelfde programma te spelen. Ravel klonk mooi, maar nergens was er die heldere breekbaarheid, dat raffinement van Skride, die ademende zinnen. Samouil liet te veel leestekens weg, waardoor het geheel als een blok graniet op de maag bleef liggen. De blues klonk afgelikt, alle jazz werd onder een stevige sole mio-deken gesmoord. Tsjaikowski werd, zoals te vrezen viel, dan ook de bombastische, hyperromantische pletwals die er zo vaak van gemaakt wordt, met een larmoyant tweede deel, een loodzware brok muziek zonder enig spoor van de kristallen, speelse luchtigheid die Skride erin had weten te leggen.

En toen kwam de Hongaar Barnabas Kelemen het podium op gedanst. Hij zette Eichberg in met een snijdende kracht, als een manische tovenaar greep hij je beet, en volgen moest je. Ik zag de componist naar het puntje van z'n stoel schuiven, hier gebeurde iets. De terugkeer van de sjamaan bracht hij misschien iets te aards, de geesten hadden zo te zien weinig sporen nagelaten, maar toch. Dit was zonder twijfel de boeiendste uitvoering van het plichtwerk.

De Brahms-sonate viel mij, na dit oersterke begin, zwaar tegen. Kelemen trok alle registers van zijn stormachtige, door een oude zigeuner bezeten ziel open, en overlaadde de sonate daardoor met een pathetiek die de poëtische, ingehouden kracht ervan totaal kapotmaakte. Het samenspel met Luc Devos, die een veel beheerster Brahms speelde, ging geregeld de mist in. In het derde deel vertraagde Kelemen zo dramatisch dat de pianist nauwelijks nog kon volgen, ik zag hem de wenkbrauwen fronsen, hij begreep duidelijk niet waar Kelemen heen wilde. Bovendien zwiepte Kelemen zo vervaarlijk heen en weer, dat ik hem van overacting begon te verdenken.

Maar Bartok was Kelemen op het lijf geschreven. De bezetenheid die Eichberg al zo opzwepend had gemaakt, vierde hij hier helemaal bot, hij stampte met z'n voeten, danste, dwong je als een echte speelman achter hem aan. Af en toe loerde ook hier de pathetiek om de hoek, maar de muzikale kracht die van deze jongen uitging was bedwelmend. Zijn stijl bevalt me niet altijd, wat meer subtiliteit en beheersing zouden zijn spel zeker ten goede komen, maar hij is een rasmuzikant, en hij wist het publiek op een ongelooflijke manier mee te slepen, een kwaliteit die niet iedereen gegeven is.

Zoals de Japanse Aikiko Ono bijvoorbeeld. Wat een vlakte in dat spel, na die orkaan van Kelemen. Eichberg speelde ze proper, afgewerkt, maar zonder enige spanning. In Debussy bekoorde mij haar mooie, zoete toon, ze speelde de sonate liefelijk, maar bleef altijd aan de oppervlakte, durfde nooit eens wat pit erin te gooien. Ze speelde als het prototype van de Japanner: uiterst beleefd en altijd glimlachend, maar als er al sterke emoties onder die oppervlakte schuilen, dan krijgen ze die vanonder dat welgemanierde keurslijf nooit naar boven gewoeld. Sibelius had dan ook niets van die donkere, woeste kracht die erin zit, en de spanning die het orkest telkens weer zorgvuldig opbouwde, viel meteen als een slappe koord weer neer zodra de viool begon te spelen.

Ning Kam, een hippe, steedse meid uit Singapore, mocht de finale afronden, en dat deed ze met verve. Eichberg speelde ze met een vinnig, extravert temperament, scherp op de snee, en ook hier keek de componist geïnteresseerd toe. Alweer zat er iets bezetens in haar uitvoering, als ze naar de dirigent keek, blikkerde in haar ogen een angstwekkend demonische glans. De sonate van Ravel bracht ze aardser dan Skride, maar zeer mooi. In de blues zat snap, een bijtend, dansend ritme, wervelende jazz. Haar versie van het tweede Bartok-concerto was heel anders dan die van Kelemen, strakker, minder zigeunerachtig, maar met een stijlvolle kracht en, wat mij betreft, een betere smaak. Kelemen danste uitzinniger en zweepte meer op, maar Kams rigoureuze venijn kon me zeker evenzeer bekoren.

En toen trok de jury zich terug voor het ultieme oordeel. Zowat iedereen was het erover eens wie de eerste zes moesten worden, al verschilde de volgorde. Drie kwartier en een paar plichtplegingen later, was het eindelijk zover. De ijselijke spanning, door juryvoorzitter Arie Van Lysebeth kundig opgebouwd door de obligate tweetalige aankondiging van die ellenlange eerste prijs, ontlaadde zich toen Baiba Skride op het podium werd geroepen. Ze verscheen als haar stijlvolle zelf, in het zwart, met een zalmkleurige sjaal, en nam met haar onaardse gratie de ovatie van het publiek in ontvangst.

Ning Kam en Barnabas Kelemen volgden, en het publiek was het daar volledig mee eens. De kleine Alina Pogostkin werd vierde, uitbundig toegejuicht door haar vele fans. En toen: Feng Ning, de bolle jongen met zijn aandoenlijke cultuurshock. En dan: Aikiko Ono. Niemand begreep waar Mikhail Ovrutsky bleef. Dat was ook het leidmotief in alle commentaren achteraf. Clemens Quatacker, oud-finalist en -jurylid kon zich verzoenen met de keuze voor Skride, die hij "een zuivere diamant" noemde. Maar dat Ovrutsky niet bij de eerste zes was, kon hij niet volgen.

Violist Wim De Moor was niet door Kam overtuigd en beaamde de verwondering over Ovrutsky's lage quotering, net als Rudolph Werthen. Voor een dodelijk vermoeide Fred Brouwers was het "allemaal goed", zijn werk zat erop. Pianist Jan Michiels was vooral blij met nummer drie, die hij de puurste muzikant vond. "Hij ging misschien zwaar over de schreef, maar liever dat dan de stereotiepe producten die je hier zo vaak hoort." Een Antwerpenaar uit het publiek, zelf amateur-violist en al vanaf dag één van de eerste schifting aanwezig, had zich inmiddels een vlotte familiariteit met de kandidaten toegeëigend. "Voor mij was het toch Alina, hoor. Zeventien, en ze stond zo schoon met dat orkest te spelen, als de fluit een solo had kéék ze naar die fluit. Baiba stond daar als een blok ijs. En ik vond het spijtig voor den Boris en de Mikhail."

Brovtsyn was inderdaad erg ontgoocheld. Hij groette het publiek niet, kreeg lik op stuk, zwaaide dan toch nog van de tweede rij en begon toen wat met zijn gsm te spelen. Ovrutsky nam zijn quotering sportiever op. Hij werd dan ook met een hartverwarmend applaus door het publiek ontvangen, en kreeg - verdiend - bloemen toegeworpen.

Zowat iedereen was het erover eens wie de eerste zes moesten worden, al verschilde de volgorde

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234