Vrijdag 07/10/2022

Eigenwijze God van de Nederlandse Letteren

‘Ik wist al jong dat ik een genie was, alleen nog niet waarin.’ Bescheidenheid was de Nederlandse schrijver Harry Mulisch altijd vreemd. On-Nederlands, arrogant en ijdel werd hij vaak genoemd. Mulisch, die zaterdagavond op 83-jarige leeftijd in Amsterdam overleed, wilde de hele wereld in zijn oeuvre vatten. En daar slaagde hij met De ontdekking van de hemel nog bijna in ook. Portret van een eigenwijze god van de Nederlandse letteren, die iedereen in de schaduw stelde.

at is gewoon niks voor mij, doodgaan.” Harry Mulisch wond er geen doekjes om toen hij voor zijn tachtigste verjaardag wijd en zijd gefêteerd werd. Nee, hij was nog helemaal niet klaar voor de zeis van Magere Hein. Mulisch leefde nog steeds met open vizier, als een onaantastbare god, alsof hij de eeuwigheid onder handbereik had.

Toen hij in 1982 maagkanker kreeg, precies op het moment dat zijn succesrijkste boek De aanslag was verschenen, kwam het geen fractie van een seconde in hem op dat hij bijna de pijp uit was. “Pas achteraf heb ik begrepen dat ik slechts 10 procent kans had om in leven te blijven. (…) Mijn vrienden kwamen me met angst en beven opzoeken in het Prinsengrachtziekenhuis. Ze waren banger dan ik.” En Mulisch, die nu postuum zowel tot president, veldmaarschalk als keizer van de Nederlandse letteren is uitgeroepen, schreef door. Want zijn alles overkoepelende meesterwerk De ontdekking van de hemel moest nog uit de pen. Hij baarde het boek in 1992, op het moment dat hij 65 werd én vader van zijn eerste zoon Menzo, nadat hij eerder al twee dochters had gekregen.

Nu heeft de dood Harry Mulisch toch te grazen, nagenoeg tien jaar nadat zijn laatste ‘grote’ boek Siegfried (2001) was verschenen. De laatste maanden en weken zwollen de geruchten aan over Mulisch’ alarmerende gezondheidstoestand. De kanker had weer de hand op zijn schouder gelegd. Al was Harry, frêle maar immer kaarsrecht, toch nog present op het Boekenbal in Amsterdam, zijn geliefkoosde biotoop.

Robbert Ammerlaan, zijn uitgever bij De Bezige Bij, zegt dat de laatste dagen van Mulisch tegelijk “licht en zwaar” waren. “Harry is erg soeverein en indrukwekkend met de wetenschap van zijn naderende dood omgegaan. En heeft toch nog prachtige dagen beleefd. Hij is buitengewoon helder gebleven, kon zelfs af en toe nog lachen. Het is voor iedereen die er dicht bij betrokken was een waardig, mooi en waardevol proces geweest.”

Einde van een tijdperk

Mulisch overleed zaterdagavond om 20 uur, omringd door vrienden en geliefden, in zijn huis aan de Leidsekade in Amsterdam. Harry Mulisch is opgegaan in zijn immense oeuvre, dat onder meer Het stenen bruidsbed en het in veertig landen vertaalde De aanslag omvat, maar ook novellen, verhalen, beschouwend proza, studies, autobiografisch werk, reportages, toneelstukken en gedichten. “Het oeuvre is het nieuwe lichaam van de schrijver, dat zal hem fysiek overleven”, zo vermoedt Ammerlaan.

Hij zou wel eens gelijk kunnen krijgen. Niet voor niets was Harry Mulisch de laatste overblijvende van de zogenaamde illustere en ook openlijk rivaliserende Grote Drie van de Nederlandse literatuur, nadat Gerard Reve (1923-2006) en Willem Frederik Hermans (1921-1995) al eerder het loodje gelegd hadden. Het einde van een tijdperk? Zeer zeker. “De Nederlandse literatuur zonder Harry Mulisch is als een kerk zonder toren, een land zonder hoofdstad, een cirkel zonder middelpunt”, stelt Arnold Heumakers in NRC-Handelsblad vast.

Soeverein is Mulisch gestorven. En soeverein heeft hij geleefd. Niet van de wijs te brengen, visionair, raadselachtig ook én zelfbewust, ja, volgens sommigen arrogant. “Ik ben liever niets naast Dostojevski dan iets naast de klungels die hier voor grote schrijvers doorgaan”, zei hij meermaals. Er was die piekfijn gecoiffeerde haardos, op het laatst als een guirlande van grijze vlammen, én het eeuwige gekoketteer met één van zijn 88 pijpen. Met zijn kledij piekfijn in de plooi had hij iets statigs, en zijn geprononceerde neus gaf hem een welweterige en viriele uitstraling - Mulisch zou in zijn gloriejaren met duizend vrouwen naar bed zijn geweest (“Duizend vrouwen, dat kan best waar zijn, maar ik heb geen feestje gegeven en ze ook niet geteld.”)

Lange tijd was Mulisch niet weg te slaan uit café Américain op het Amsterdamse Leidseplein. Daar - zo wil de anekdotiek het - liet hij geregeld omroepen: ‘Telefoon voor de heer Mulisch.’ Dan schreed hij voor iedereen goed zichtbaar naar de telefooncellen. Voor velen is de anekdote hét staaltje van zijn pompeuze ijdelheid. Zo ontstond de mythe Harry Mulisch, werd ‘het raadsel groter’. Maar de zelfspot en ironie waarachter hij zich “met zijn negatief charisma” verschanste, werd vaak over het hoofd gezien. “Het is mijn manier om de opdringerige mensen op afstand te houden.”

De wereldformule

“Ik heb de oorlog niet zozeer ‘meegemaakt’, ik bén de Tweede Wereldoorlog.” Het is maar een van de talloze boutades van Harry Kurt Victor Mulisch, die op 29 juli 1927 het levenslicht zag in Haarlem. Mulisch was de zoon van Alice Schwarz, zijn in Antwerpen geboren Joodse moeder, afkomstig uit een Oostenrijks bankiersgeslacht, en zijn Oostenrijks-Hongaarse vader Karl Victor Kurt Mulisch, die tijdens de Eerste Wereldoorlog officier was in het Duitse leger. In de bezettingsjaren collaboreerde zijn vader met de Duitsers, terwijl de familie van zijn moeder een Jodenster moest dragen.

Die tweespalt tekende Mulisch zeer. Vandaar dat de oorlog als een rode draad door zijn literaire werk meanderde, van zijn doorbraakroman Het stenen bruidsbed, over het bombardement op Dresden, en De aanslag tot en met zijn laatste roman Siegfried, waarin hij de denkbeeldige zoon van Hitler opvoert. Thema’s als schuld en onschuld, goed en fout en alle schemergebieden daartussen, hebben Mulisch intens beziggehouden. “Zowel de agressor als het slachtoffer zit in mijn bloed.”

Al op jonge leeftijd was Mulisch doordrongen van een besef van uitzonderlijkheid, zelfs van genialiteit. “Ik wou chemicus worden en de Nobelprijs winnen en die vervolgens weigeren, en ik wou magiër worden en bankrover en heilige”, zei hij in 1959 in een interview met Hans Keller. “Als je zo begint, eindig je als schrijver.” En tegenover Adriaan van Dis luidde het in 1987: “Ik wist dat ik een genie was, alleen nog niet waarin.”

Toch was Mulisch’ stelregel bedrieglijk eenvoudig: “Ik wilde boeken schrijven. En vooral net zo laat opstaan als ik wil. Die wekker als ik naar school moest - ze hadden vreselijke wekkers vroeger -, dat wilde ik niet”, zo vertelde hij in 2003 aan Piet Piryns en Joël de Ceulaer in Knack. Toch stond gewoontemens Mulisch erom bekend dat hij er een ijzeren discipline op na hield: “Het kan voorkomen dat ik me drie of vier uur zit af te vragen of ik een punt of een puntkomma zal zetten.” Per dag schreef Mulisch gemiddeld een halve pagina. “Een bladzijde per dag, dat is uitzonderlijk, dan heb ik werkelijk keihard gewerkt”, vertelde hij in 1978 aan Jan Brokken.

De aanzet tot zijn immense, verbazingwekkend rijke oeuvre was zijn debuut: het verhaal De kamer (1947) in Elseviers Weekblad, tot stand gekomen in een periode toen hij van de middelbare school was gestuurd en zijn ouders al gescheiden waren. In 1951 verscheen zijn debuutroman archibald strohalm, waarvoor hij op slag de toen begeerde Reina Prinsen Geerlings-prijs kreeg. De toen 24-jarige Mulisch had het manuscript vijf minuten voor het verstrijken van de inzendingstermijn ingeleverd bij de secretaris van de prijs, H.J. Smeding, die hij ervoor uit bed belde. Net op dat moment barstte er een fenomenaal onweer los. De secretaris nam in pyjama beduusd het manuscript in ontvangst en zei: “Het kan niet anders of dit boek heeft de prijs.”

Volgens Onno Blom markeert het onweer het moment waarop Mulisch als schrijver door de “officiële, canonieke wereld werd ontvangen”. Mulisch was overigens heel vatbaar voor voortekenen, zijn oeuvre wemelde er van. En door de drang om er een sluitend systeem van te maken, was hij bijna behekst. In archibald strohalm faalt een jongen jammerlijk in het ontwerpen van een alomvattende filosofie. Het boek vormt de opmaat naar een reeks romans, novellen en toneelstukken die jongleren met mythologische, magische en psychologische motieven. Toen ook al ging hij op zoek naar “het systeem, de wereldformule”. Het zou culmineren in 1980 in De compositie van de wereld, een bijna mesjogge boek dat hem zowel hoon als bewondering opleverde. “Als God bestaat, dan had hij de wereld volgens mijn systeem geschapen”, zo poneerde Mulisch boud.

Obscurantisme

In de jaren vijftig ontpopte Mulisch zich met romans als De diamant (1954), Het zwarte licht (1956) en vooral Het stenen bruidsbed (1959) tot een schrijver die de Nederlandse letteren van aanzien veranderde. Daarna verschoof Mulisch’ belangstelling meer en meer in de richting van het persoonlijke en maatschappelijke engagement. In 1961 schreef hij het briljante autobiografische Voer voor psychologen, in 1962 het geruchtmakende De zaak 40/61 over het Adolf Eichmann-proces, dat hij voor Elsevier volgde (“Ik ben letterlijk ziek geworden van dat proces (...) Eichmann behoort tot de twee of drie mensen die mij veranderd hebben”) en in 1966 Bericht aan de rattenkoning, over de Provo-rellen in Amsterdam.

Romans zwoer hij af, hij begon te grossieren in pamfletten, geheel passend in de revolutionaire tijdgeest: “Het is oorlog. En in oorlogstijd moet men zich niet bezighouden met het schrijven van romans. Dan zijn er echt wel belangrijker dingen te doen”, zo vertrouwde hij interviewer Fernand Auwera toe. Mulisch maakte ophef door diverse keren Cuba te bezoeken en het eiland van Castro “het paradijs op aarde” te noemen. De flamboyante Mulisch kreeg het verwijt dat hij “een saloncommunist met een sportwagen” was, aartsvijand Reve noemde hem “een gemotoriseerde relletjesvoyeur”, doelend op zijn meeheulen met Provo.

Maar in de jaren zeventig koos Mulisch welgemoed voor een soepele, toegankelijke romankunst. Net op tijd, zo bleek, want de vrees bij critici was gegrond dat hij “in een filosofische poel van obscurantisme” zou wegzakken en begon te “balanceren boven een bassin van onzin”, zoals een recensent opmerkte na het ingewikkelde De Verteller (1970). Het later verfilmde Twee vrouwen (1975) en de novelle Oude lucht (1977) waren voorbeelden van “ogenschijnlijk glasheldere verhalen, waarachter een complex netwerk van mythologische verwijzingen schuilgaat”. Van psychologie moest Mulisch evenwel niets weten in een roman: “Psychologie is een hoerenkut: alles kan erin.” Freud interesseerde hem nauwelijks, wel de obscurantistische psycholoog Wilhelm Reich, over wie hij Het seksuele bolwerk (1973) schreef.

Mulisch’ absolute bestseller werd De aanslag (1982), over de aanslag op een NSB’er (de Nederlandse nationaalsocialisten) en de gevolgen daarvan voor een Haarlems gezin. Er werden wereldwijd meer dan 1 miljoen exemplaren verkocht van het boek, waarin Mulisch ook de kernwapendemonstratie in de jaren tachtig prominent met de Tweede Wereldoorlog verbond. De historische, spannende roman kreeg een verfilming door Fons Rademakers en vertalingen in veertig landen. De Aanslag siert sindsdien ongeveer elke schoolleeslijst. De verfilming werd in 1987 bekroond met een Golden Globe en de Oscar voor de beste buitenlandse film. Mulisch ving voor het eerst ook immense lof over de plas, zelfs van John Updike, die in The New Yorker schreef: “Met de koele passie van een natuurwetenschapper schraapt meneer Mulisch het roest van de ijzeren hel van de jaren veertig en ontleedt hij het geweld.”

Harry Homerus

En dan moest zijn magnum opus nog volgen, de totaalroman waarin alles zou samenvloeien. “Ik wilde een boek zoals de spreekwoordelijke dauwdruppel waarin de hele wereld weerspiegeld wordt. Alles moest erin. En alles zat er ook in”, vertelde Mulisch aan Margot Vanderstraeten in 2007. Het boek wemelde van de amper waarschijnlijk te nemen avonturen en engelen die het menselijke lot in handen nemen, maar Mulisch maakte alles volstrekt geloofwaardig. Het publiek en de kritiek smulden ervan, De ontdekking van de hemel (1992) werd ingehaald als een meesterwerk. Het boek waar hij het meest trots op was, werd later, in 2007, verkozen tot beste Nederlandstalige boek aller tijden en verfilmd als The Discovery of Heaven.

In het buitenland werd Mulisch openlijk met Homerus vergeleken. ‘Harry Homerus’, Mulisch vond het zelf onbedaarlijk grappig. Meteen dook hij op in de geruchtencircuits van de Nobelprijs. “De Nobelprijs? Ach, wie niet genomineerd wordt, beroept zich natuurlijk op het geweldige legioen mensen die hem niet gekregen hebben: Tolstoi, Joyce, Proust!”, gekscheerde Mulisch daarover in Humo (1993). “Dat is een casino”, luidde het elders.

Literaire bekroningen van formaat was Mulisch al eerder aan elkaar beginnen te rijgen: de Constantijn Huygens-prijs (1977), de P.C. Hooft-prijs (1977) en de Prijs der Nederlandse Letteren (1995), met ook in het buitenland een batterij eerbewijzen. Toch riep Mulisch’ oeuvre ook felle weerstand op. Gerrit Komrij maakte al in 1980 brandhout van Mulisch’ pretenties: “Hij is zo verslaafd aan het vinden van samenhangen, dat hij het nooit zal nalaten en voor de grootste onzin niet terugdeinst.” En het studententijdschrift Propria Cures bleef twintig jaar lang pijlen afvuren op Harry, onder het motto: “Bestrijd het leed dat Mulisch heet.”

Mulisch was het soort schrijver, zo vond hij zelf, dat nooit hetzelfde boek schrijft, “voortdurend zoekend naar nieuwe manieren en naar nieuwe onderwerpen”. In 1998 verscheen nog de veelgeprezen roman De procedure, in 1999 bekroond met de Libris Literatuurprijs. Pas in 2001 sloot hij definitief de boeken met Siegfried, de roman waarin Mulisch de zoon van Adolf Hitler opvoerde. Die Zeit noemde het “een giftig stuk literatuur dat aan alle kanten kwade vonken en bittere clous afgeeft”.

Mulisch was daarna niet meer te vermurwen om de pen op te nemen, al was hij niet weg te slaan uit de openbaarheid. In 2006 doken nog geruchten op dat hij ooit lid geweest zou zijn van de extreem rechtse NSB-organisatie Jeugdstorm. De schrijver deed het af als “totale quatsch!”. En: “Als het waar was, had ik er wel een prachtige roman over geschreven.”

Op zijn tachtigste verjaardag in 2007 werd Mulisch bedacht met een eerbetoon dat wekenlang doorzinderde en waarbij zes schrijvers, onder wie Marcel Möring en A.F.Th. Van der Heijden, novellen schreven, geïnspireerd door zijn oeuvre. De heiligverklaring van Mulisch was nabij. ‘De wondergrijsaard’ torste de lauweren met superieur genoegen. Dat hij vanaf 2006 ook rond zoefde in ons zonnestelsel, deed hem misschien nog het meest plezier. Toen kreeg Mulisch een planetoïde naar hem genoemd. Kenners herinneren zich natuurlijk de meteoriet waardoor Max Delius in De ontdekking van de hemel omkomt.

Dezer dagen ontdekt Mulisch zélf de hemel. Mulisch wou bij leven al dat zijn oeuvre hem oversteeg: “Ik wil dat mijn leven ieders eigendom wordt zodat ik zelf stilletjes door de achterdeur kan verdwijnen.” Maar of dat lukt? Harry had de eeuwige jeugd: “Mijn absolute leeftijd is ongeveer zeventien jaar. Dat is wat je altijd geweest bent en altijd zult zijn: een adolescent van tachtig.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234