Zondag 16/01/2022

Elke oorlog heeft z'n Oskar SchindlerPaul Rusesabagina redde tijdens de Rwandese genocide zo'n duizend mensenlevens. Nu is hij taxichauffeur in Brussel.

In Kigali staat een onwaarschijnlijk monument voor de genocide. Er hangen geen kransen en er hangt ook geen gedenkplaat, men kan er wel iets gaan drinken of een kamer huren. Het Sabena-Hotel des Mille Collines was tijdens de Rwandese genocide een zeldzame plaats waar honderden vluchtelingen terecht konden, die het ook allemaal overleefd hebben. Dat is in grote mate te danken aan één man: Paul Rusesabagina. De gewezen hoteldirecteur kreeg eind vorig jaar in de Verenigde Staten de 'Immortal Chaplains Price for Humanity' toegekend voor de manier waarop hij de meer dan duizend Tutsi's in zijn hotel heeft beschermd tegen de extremistische Hutu-milities. Vandaag is hij zelfstandig taxichauffeur in Brussel.

Gert Van Langendonck

Tot 1994 was het Hotel des Mille Collines in Kigali een hotel zoals zovele andere in Afrika: opgericht als een manier om Sabena-fondsen het land uit te krijgen, karakterloos van architectuur en veel te duur voor de middelmatige service. Maar een oase van westerse beschaving, desalniettemin, afgeschermd van de Afrikaanse armoede rondom, een plaats waar westerse hulpverleners op zondag graag even de ellende van elke dag kwamen vergeten rond het openluchtzwembad.

Daar kwam een abrupt einde aan toen op 6 april 1994 het vliegtuig van de Rwandese Hutu-president Juvénal Habyarimana boven Kigali werd neergeschoten, en vrijwel onmiddellijk het moorden begon. Van de ene dag op de andere werd het Hotel des Mille Collines een toevluchtsoord voor iedereen die een doelwit vormde voor de Interahamwe, de extremistische Hutu-milities: in de eerste plaats Tutsi's, maar ook gematigde Hutu-politici, Belgen en andere buitenlanders. Gedurende een kleine twee weken raakte ook het Vlaamse publiek vertrouwd met het Hotel des Mille Collines als de plaats van waaruit Katrien Vanderschoot, toevallig in Rwanda, haar berichten over de verschrikkingen die buiten op de straat gebeurden naar het VRT-radionieuws stuurde. Tot 11 april, toen de Belgische para's de laatste buitenlanders en enkele fortuinlijke Rwandezen hadden geëvacueerd, en Rwanda en de resterende vluchtelingen in het Hotel des Mille Collines aan hun lot werden overgelaten.

Dat was het moment waarop Paul Rusesabagina de weinig benijdenswaardige taak kreeg om de directie van het Hotel des Mille Collines over te nemen. Met een zekere trots maakt hij er een punt van dat het voor hem niet eens een promotie was. "Ik had van 1984 tot 1993 in de Mille Collines gewerkt, en in 1993 was ik benoemd tot directeur-generaal van het Hotel des Diplomates, een ander Sabena-hotel in Kigali. Cornelis Bik, de directeur van het Mille Collines, en ik hadden dezelfde positie."

Maar Bik was een Nederlander: hij werd geëvacueerd. Rusesabagina was een Rwandees: hij moest blijven. "Toen ik in de Mille Collines aankwam, zag ik dat Bik alle sleutels van het hotel op de toog van de receptie had gegooid. Er zat zelfs nog geld in de brandkoffer maar er was geen enkele bescherming." Dus ondernam Rusesabagina stappen om zelf bescherming te zoeken, voor zichzelf en voor zijn hotel vol ter dood veroordeelde gasten. Hij deed dat met de enige twee wapens die hij had: zijn agenda en de drankvoorraad van het hotel. "Ik heb mijn agenda genomen en ik ben onmiddellijk gaan telefoneren. Ik zag maar één oplossing: ik moest zorgen dat er over het Hotel des Mille Collines gepraat werd, ik moest er een symbool, een mediahype van maken. Ik stuurde faxen naar iedereen, inclusief naar Bill Clinton. Iemand had ons het nummer van het Witte Huis bezorgd. Ik viel iedereen lastig. Mensen in Rwanda, maar ook in België, Frankrijk en de Verenigde Staten... iedereen die invloed kon uitoefenen op de interim-regering." In eerste instantie belde Rusesabagina zijn oude contacten bij het Rwandese regeringsleger en de rijkswacht. Na enkele dagen kreeg hij het voor elkaar dat het hotel enkele militairen werden toegewezen. Dat was een bescherming die weinig garanties bood: delen van het regeringsleger en vooral de rijkswacht waren ook zelf betrokken bij de genocide, en hoewel Rusesabagina een beroep kon doen op oude vriendschappen, zouden deze beschermers van het hotel het gaandeweg steeds moeilijker krijgen om de Hutu-milities te overtuigen waarom ze de bewoners van het Mille Collines-hotel, waarvan er velen tot de Tutsi-elite van Rwanda behoorden, gerust te laten. Om de levensbelangrijke contacten met bevriende elementen te onderhouden, kwamen de voorraden van het hotel goed van pas. "Er waren nog stocks van fruit, charcuterie en drank. Levensmiddelen waren er nauwelijks. Wat ik deed was de drank verkopen om met dat geld buiten het hotel eten te laten aankopen." Het was een vreemde relatie die ontstond tussen Rusesabagina en de prominenten van het Hutu-regime die regelmatig in het hotel langs kwamen. De vice-president van de Interahamwe, Georges Rutaganda, de baas van de milities die het hotel wilden uitmoorden, was degene aan wie het hotel gedurende heel de genocide bier verkocht. Bier was belangrijk omdat het gebruikt kon worden om er soldaten en militieleden mild mee te stemmen. "Men heeft mij ervan beschuldigd dat ik mensen gecorrumpeerd heb. En het is waar dat ik flessen wijnen heb uitgedeeld aan officieren, champagne en sterke drank aan de hogere officieren. Maar ik geloof voor mijzelf dat het uiteindelijk allemaal de goede zaak heeft gediend."

Toen Rusesabagina zijn functie als directeur opnam, waren er enkele honderden vluchtelingen in het hotel. Na een week waren dat er al meer dan duizend en veranderde het hotel zowat in een vluchtelingenkamp. Eén verhaal dat steeds wordt verteld is dat de bewoners, nadat het water was afgesloten, het zwembad hebben leeggedronken. Dat ging niet letterlijk zo, zegt Rusesabagina: "We hebben het water van het zwembad gerantsoeneerd. Je moet je dat proberen voor te stellen: een sjiek hotel als de Mille Collines en de mensen staan aan het zwembad aan te schuiven met emmertjes voor drinkwater." En toen het zwembad leeg was, sprak Rusesabagina zijn contacten aan om het met een tankwagen te laten opvullen.

De contacten moesten echter vooral dienen om de hordes buiten het hotel op afstand te houden. Tal van keren werd een bloedbad op het laatste nippertje afgewend. "Ik herinner mij dat ik op een dag - ik weet niet meer welke datum het was - voor zonsopgang uit mijn bed gebeld werd. Het was luitenant Hakizamana van de inlichtingendienst van het ministerie van Defensie. Hij belde mij op mijn kamer - de binnentoestellen werkten toen nog - en zei: 'Bent u de directeur van het hotel? Ik wil u laten weten dat u alle mensen in het hotel binnen de dertig minuten naar buiten moet brengen.' Ik heb geantwoord: 'Weet u dat al die mensen vluchtelingen zijn? Waar gaat u ze naartoe brengen en welke veiligheid kan u hun bieden?' Hij zei: 'Dat ze vertrekken zoals ze gekomen zijn.'"

Het was een duidelijk doodvonnis. 'Vertrekken zoals ze gekomen zijn', dat betekende: vertrekken zonder bescherming en een gewisse dood tegemoet gaan bij de barricades van de Hutu-milities. "Ik heb de luitenant gezegd: 'Ik word net wakker, geef me een half uur om me gereed te maken.' Om wat tijd te winnen. Vervolgens heb ik een aantal mensen in het hotel gewekt en zijn we weer gaan bellen. Prominenten met invloed belden hun eigen contacten op, anderen gaf ik nummers met de opdracht: 'Bel dit nummer en blijf bellen tot er iemand opneemt en geef hem dan aan mij door. Dertig minuten aan een stuk hebben we constant gebeld. Ik heb zelf met wel twintig mensen gesproken. En aan het eind van die dertig minuten arriveerde er een jeep van het leger bij het hotel en kreeg de luitenant het bevel te vertrekken."

Met elke dag die voorbijging, kwamen er wel nieuwe problemen bij, en toen Rusesabagina opnieuw door een luitenant werd aangesproken met de boodschap dat men binnen enkele ogenblikken het hotel zou binnenvallen, waren de telefoonlijnen afgesloten. "Het was toen dat ik mij herinnerde dat in 1987, toen er verbouwingswerken bezig waren aan het hotel, men een aparte lijn had getrokken voor de fax van de directie. Dit was een lijn die niets te maken had met de centrale en een nummer had dat in de verste verte niet leek op de gewone nummers van het hotel. Ik weet niet hoe het komt, maar die lijn hebben ze nooit gevonden, hij is altijd blijven werken." Opnieuw haalde Rusesabagina zijn slag thuis. Hij belde de hele wereld rond en de aanval op het hotel werd nog maar eens afgeblazen. De militairen die het hotel hadden omsingeld, werden steeds gefrustreerder omdat hun prooi hen bleef ontsnappen, en deze keer lieten ze dat merken ook. "Om me dat duidelijk te maken hebben ze toen een Katjoesja-raket afgeschoten op het hotel." De raket sloeg een enorm gat in de gevel waarachter zich het trappenhuis bevond. Als bij wonder werd niemand gewond. De fax werd de levenslijn van het hotel. Rusesabagina bewaakte de sleutel van het secretariaat waar de fax zich bevond met zijn leven en sloot zich er regelmatig op om de pr van het hotel te verzorgen. In het begin was ook Sabena in Brussel fel begaan met het lot van de mensen in haar hotel in Kigali, maar gaandeweg verslapte de aandacht. "Ik had altijd contact met één iemand van de hotelketen van Sabena in Brussel die ik op elk moment kon bereiken, maar hij was uiteindelijk nog de enige die met ons bezig was. Ik weet het niet, ik denk dat de mensen niet meer geïnteresseerd waren in Rwanda."

Die evolutie is merkbaar aan de hand van de kranten uit die periode. Tegen eind mei was Rwanda uit de mediabelangstelling verdwenen. Zelfs in de Belgische pers was de genocide oud nieuws geworden. Nochtans was het toen pas dat de slachtpartijen in alle hevigheid losbarstten in het zuiden van het land. Er was niemand om ze te rapporteren.

Voor de vluchtelingen in Hotel des Mille Collines kwam het moment van diepste wanhoop al eind april, op de dag dat het Rwandees Patriottisch Front (RPF), het Tutsi-rebellenleger, een persconferentie belegde. "Het RPF had een boodschap voor de Verenigde Naties: dat ze niet moesten proberen tussenbeide te komen omdat een interventie op dat moment alleen het rebellenleger zou tegenhouden in zijn opmars. Achter de linies van het Hutu-regeringsleger was er toch niemand meer te redden, zei het RPF. Iedereen was dood. Voor mij was dat het verschrikkelijkste moment. Wij zaten achter de regeringslinies en we wisten dat er nog heel veel mensen te redden waren. En het RPF had ons al opgegeven. Alles wat zij wilden was de macht veroveren."

Het dichtste dat de vluchtelingen in Hotel des Mille Collines in de buurt kwamen van het bloedbad dat ze elke dag verwachtten, was op 17 juni. In de Sainte-Famillekerk vlakbij het hotel waren eveneens duizenden vluchtelingen toegestroomd, maar zoals op vele plaatsen in Rwanda bleek de kerk niet de bescherming te bieden die de vluchtelingen ervan verwachtten. Zeker niet in de Sainte-Famillekerk, waar de pistoolzwaaiende priester Wenceslas Munyeshyaka zich aan de kant van de Interahamwe had geschaard en hen hielp met het opstellen van lijsten met de namen van Tutsi-vluchtelingen.

Op 17 juni lanceerden de Interahamwe de grootschaligste aanval op de Sainte-Famillekerk waarbij 150 mensen werden gedood. Onmiddellijk daarna rukten de militieleden op naar het Hotel des Mille Collines, vastbesloten om zich deze keer niet te laten afschepen. "Ze vielen het hotel binnen - op de machetes in hun handen zat nog het bloed van de slachtoffers in de Sainte-Famillekerk - en ze begonnen de deuren van de kamers in te stampen, te beginnen met de mijne. Ze vroegen mij: 'Waar is de directeur?' Ik was in jeans en T-shirt, ze dachten dat een directeur altijd pak en das droeg. Dus ik zei: 'De directeur? Die is die kant opgegaan. Hebben jullie hem niet gezien?'"

Rusesabagina ging onmiddellijk generaal Augustin Bizimungu, de stafchef van het leger, opzoeken. De Interahamwe hadden toen al zo'n dertig kamers leeggemaakt en waren de inwonenden naar het zwembad aan het drijven om hen te vermoorden. Bizimungu was zoals vele prominenten van het inmiddels zieltogende Hutu-regime een regelmatige verschijning in het hotel. Hoewel de rol van Bizimungu in de genocide op zijn minst omstreden is, is Rusesabagina vol lof over de generaal. "Bizimungu was een militair, hij was het helemaal niet eens met de slachtpartijen. Als er één persoon is die het hotel die dag gered heeft, was het Bizimungu. Hij zei tegen een sergeant: 'Als er iemand één vluchteling in dit hotel doodt, schiet ik hem persoonlijk dood. En als er binnen vijf minuten nog één Interahamwe in het hotel is, laat ik het vuur openen'."

Paul Rusesabagina had een laatste tour de force gedaan. Diezelfde avond was er een vergadering met de Verenigde Naties over de evacuatie van de hotelbewoners naar de zone van het RPF, dat op het punt stond om het laatste Hutu-verzet in Kigali uit de weg te ruimen. De volgende dag stapten hij en zijn familie op een Unamir-konvooi naar RPF-gebied. De saga van het Hotel des Mille Collines was voorbij. En zelfs al was het uiteindelijk de militaire druk van het RPF die het konvooi mogelijk maakte, zal niemand die gedurende die drie maanden in het hotel zat, ontkennen dat ze hun leven deels aan Paul Rusesabagina te danken hebben.

Voor Rusesabagina zelf komt het allemaal aan op persoonlijke keuzes, de reden waarom hij ervoor koos om zijn eigen leven op het spel te zetten om anderen te redden, terwijl iemand als pater Wenceslas Munyeshyaka in de Sainte-Famillekerk anderen hielp doden om zijn eigen leven te redden.

"Ik kende Wenceslas. Hij kwam in die periode regelmatig in het hotel, en op een bepaald moment heeft hij zelfs zijn eigen moeder bij ons ondergebracht. Weet u wat hij mij toen zei? 'Ik kom u mijn Inyenzi brengen'." Inyenzi betekent 'kakkerlak', het Hutu-scheldwoord voor Tutsi's. "Zijn eigen moeder!", roept Rusesabagina uit. "Op een dag was hij mij komen opzoeken en hij was gekleed in een wit T-shirt en een blauwe jeans met een revolver erin. Het was mijn echtgenote die hem zei: 'Vader, u bent een man van god, waarom wisselt u die revolver niet in voor een bijbel?' Hij antwoordde: 'Mevrouw, ze hebben zojuist 59 priesters vermoord, ik wil niet de zestigste worden." In zekere zin zijn de figuren van Paul Rusesabagina en Wenceslas Munyeshyaka de verpersoonlijking van het beste en het slechtste dat elke oorlog in de mensen naar boven brengt. Toen hij na de genocide in Frankrijk gearresteerd werd, zei Munyeshyaka te zijner verdediging: "Ik had geen keuze. Het was noodzakelijk om pro-Interahamwe te zijn. Als ik een andere houding had aangenomen, dan was iedereen in de Sainte-Famillekerk vermoord." Rusesabagina zegt dat hij het zelf ook nooit begrepen heeft. "Ik denk dat veel mensen gewoon niet aangedurfd hebben om 'nee' te zeggen. Tegelijk zijn er veel mensen die dat wel gedaan hebben maar die niet de contacten hadden die ik had. Zij zijn vermoord voor hun moed. Zij zijn de echte helden."

Lees ook pagina's 10, 11, 23 en 26.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234