Zaterdag 01/10/2022

‘En nu ga ik alleen nog mijn goesting doen’

De plek waar Will Tura wil afspreken zegt iets over hoe hij tegen het leven aankijkt: op de vierentwintigste verdieping van het Hilton in Brussel. Je hebt er een lounge waar vooral buitenlandse zakenmensen lunchen en waar hij dus zelden herkend wordt. Maar nog specialer is het adembenemende uitzicht over de hoofdstad. Tura is te laat - file onderweg - en terwijl hij zich nog uitgebreid staat te verontschuldigen komt er koffie op tafel. Het personeel kent hem hier. Tura heeft de naam oninterviewbaar te zijn. Niet dat hij niet vriendelijk is. Alleen laat hij, zegt men, nooit het achterste van zijn tong zien. “Ik ben altijd op mijn hoede, dat klopt. Dat is een gevolg van mijn allereerste interview. Ik zou gaan zingen, maar vlak ervoor was er een speaker die me zou voorstellen. Plots schotelde die me een vraag voor die ik niet had zien aankomen. ‘Wel, Will, hoeveel is veertien keer dertien?’ Ik stond aan de grond genageld en klapte helemaal toe. Rekenen was mijn sterkste kant niet, tenzij ik het in muziekmaten kon doen. Sindsdien denk ik: laat me gewoon zingen. Praten en vertellen, dat is mijn ding niet.”

Ik wil aannemen dat het een tienertrauma was, maar die angst voor interviews en journalisten heeft je tot diep in je carrière parten gespeeld. Nog steeds, eigenlijk. Ik citeer uit je biografie: ‘Ik koester een wantrouwen tegenover journalisten omdat ik vrees dat ze me een hak willen zetten. Zelfs nu ben ik mezelf niet tijdens interviews. Mijn kinderen worden er gek van: ze zien me verstijven, onzeker worden, geremd zijn en met dat soms wat absurd ‘Hollands’ accentje spreken’.

“Ja, ik weet dat ik dat doe wanneer ik zenuwachtig word. Ik ben een West-Vlaming die les heeft gekregen van een Nederlander om mijn uitspraak te verbeteren. Uit onzekerheid probeerde ik zijn accent over te nemen, maar dat sloeg helemaal nergens op. Ik werd daar thuis ook mee uitgelachen. Dat beïnvloede Hollands heb ik achterwege gelaten, en nu horen de mensen niet meer waar ik vandaan kom.”

Wannes Van de Velde zei ooit: ‘Als je begint, ben je de held. Daarna komt er een moment dat iedereen zich tegen je keert, maar als je dan doorbijt, bereik je een punt dat iedereen alles wat je doet weer goed vindt’.

“Dat herken ik wel, al heb ik in het begin ook veel kritiek gehad. Ik dacht altijd muzikaal, en de manier waarop ik mijn accenten plaatste klopte niet altijd met de Vlaamse taal, zodat ik sommige woorden erg vreemd uitsprak. Zelf vond ik dat wel goed klinken, maar journalisten konden dat niet hebben. Achteraf vond ik de periode van de disco een heel moeilijke tijd. Ik had daar weinig mee, maar ik heb toen op aanraden van mijn producer toch wat disconummers opgenomen. Dat zijn nooit hits geworden, maar zo bleef ik wel in de running. Het leek me beter dan achteraf een comeback maken. Ik ben nooit vijf jaar van het toneel verdwenen om nadien terug te komen. Volgens mij is dat het geheim achter het product Will Tura. Ik ben altijd bezig gebleven. Dat heb ik van Gilbert Bécaud geleerd. Hij heeft me doen beseffen dat niet alles wat je doet in dezelfde stijl moest zijn. Die afwisseling heeft me recht gehouden, maar disco... dat was achteraf bekeken de brug te ver.”

Heb je op dat moment even gedacht dat je de voeling met het grote publiek verloren had, dat je over je hoogtepunt heen was?

“Daar heb ik me toen wel eens zorgen over gemaakt, ja. Plots werd je als zanger verondersteld om in discotheken te gaan optreden. Rob De Nijs deed niets anders. Ik wilde dat ook wel, maar mijn broer Staf, die mijn manager was, verzette zich daartegen. Omdat ik mijn orkest er niet kwijt kon en omdat hij het verkeerd vond dat ik met een tape mee zou zingen. Dat was waar. Ik kan me het best uitleven wanneer ik echte muzikanten om me heen heb. Ik playback nooit, behalve voor televisie, als het echt niet anders kan.”

Vond je het van meet af aan vanzelfsprekend om op een podium te staan, of moest je daar een zekere angst voor overwinnen?

“Natuurlijk, maar de muziek overwon mij. Op een podium komt het eropaan de mensen te bereiken met wat je doet. Als dat lukt, ontstaat er elektriciteit. Bécaud had dat, Bono van U2 heeft dat ook, en Sting. Allemaal mensen die ik enorm bewonder. Ik ben maar een kleine Vlaming, al doe ik op mijn manier precies hetzelfde.”

Je vader acteerde in het amateurtheater. Verklaart dat waarom je zelf ook naar het podium werd gezogen? Het werd bij jullie thuis alleszins niet als iets onnatuurlijks beschouwd.

“Ik heb mijn vader eigenlijk nooit zien acteren, want daar is hij mee gestopt toen hij trouwde. Ze noemden hem Humphrey Bogart, en hij droomde ervan dat ik acteur zou worden. Maar de liefde voor muziek heb ik van mijn moeder. Ik speelde accordeon, en als ze naar de markt ging, kocht ze daar liedjes voor mij.“Bladmuziek. We woonden in een buurt vol werkmenskes, en als ze bij ons een dag geen muziek hoorden, kwamen de buren vragen of er misschien iemand zoek was bij de Blanckaertjes. Mijn moeder was zelf een goede zangeres, maar ze mocht daar niet verder in gaan van haar vader. Daarom heeft ze zich altijd over mij ontfermd. Ze was heel streng: ik mocht niet dit, ik mocht niet dat...”

Wat mocht niet, bijvoorbeeld?

“Profiteren van de aandacht die ik van de meisjes kreeg. Enfin, ze was er niet altijd bij, natuurlijk. (lacht) En als ik dan een vriendinnetje had, moest ik wel altijd thuis komen slapen. Zo ging dat in die tijd: als je met een meisje de nacht doorbracht, was je er al half mee getrouwd. Ze was bang dat ik me in mijn ongeluk zou storten. Want ze wist: ik ben een leeuw, qua sterrenbeeld. Die hebben heel veel aandacht nodig. Ik ben een enorme ijdeltuit. Alleen, als iemand anders dat zegt word ik kwaad.”

In interviews merk ik dat je toch nog altijd een soort minderwaardigheidscomplex hebt omdat je maar tot je veertiende naar school bent geweest. Waarom eigenlijk? Je bent een selfmade man. Of geloof je echt dat je met een diploma op zak een betere zanger zou zijn geworden?

“Mike Verdrengh heeft me ooit letterlijk hetzelfde gezegd. Maar het klopt dat ik me lang wat minder heb gevoeld dan een ander. Dat heeft er heel diep in gezeten, zeker wanneer ik in gezelschap was van mensen die wél hadden doorgeleerd. Dan durfde ik nooit mijn mond open te doen, omdat ik dacht dat iedereen verstandiger was dan ik. De laatste jaren gaat dat een stuk beter. Ik denk dat het publiek me heeft doen inzien dat ik ook zonder dat diploma mijn verdiensten heb. Ik zit nu veel beter in mijn vel.”

Niettemin is dat ernstige imago van jou blijven bestaan. Mensen die je beter kennen dan ik beweren nochtans dat je heel geestig uit de hoek kunt komen, en nu je hier zo voor mij zit wil ik dat best aannemen. Maar het is geen eigenschap die ik voordien met jou in verband zou hebben gebracht.

“Mja. Dat heb ik van thuis uit meegekregen. Ik ben christelijk opgevoed, en mij is ingepeperd dat, als ik gewoon zou doen wat ik moest doen, de rest vanzelf zou komen. Ik neem mijn vak dus wel serieus, ja. Ik geef me voor mijn publiek, ik behoor tot het soort zangers die na een optreden nog een uur handtekeningen uitdelen en zich gemakkelijk laten benaderen. Ik vind: die mensen betalen entree, ze hebben zich klaargemaakt en een babysit geregeld om naar mijn optreden te komen. Ik zou na een concert van Rod Stewart of Tom Jones ook wel even een praatje willen slaan. Alleen kan ik daarnaar fluiten, want die internationale artiesten worden goed afgeschermd. Ik denk dat mijn imago goed is omdat ik altijd nuchter ben gebleven. Ik heb mezelf nooit een star gewaand.”

Ook niet toen je jong was en de meisjes zich in rijen van vijf voor je voeten gooiden?

“Nee. Want de schrik zat er altijd in dat het de maand nadien gedaan kon zijn. Ik hád een vriendin, maar die wilde al na mijn eerste succes dat we zouden trouwen en kinderen zouden krijgen. Ik vond dat nog te vroeg, en achteraf gezien bleek het ook kalverliefde. Iedereen heeft wel eens een lief als hij vijftien, zestien jaar is. Ik heb altijd de keuze gemaakt in functie van de muziek, om te kunnen blijven doen waar ik mee bezig was. Mijn vrouw en ik hebben daar altijd rekening mee gehouden. Wij hebben nooit met ons succes te koop gelopen.”

Dat zou in Vlaanderen ook niet gepikt worden, trouwens.

“Voilà. Kijk, toen ik twintig jaar zanger was, dacht ik: fantastisch dat ik het zolang heb volgehouden, maar het zal wel niet blijven duren. Tien jaar later was ik er opnieuw vast van overtuigd dat het zo stilaan wel gedaan zou zijn. Maar na veertig jaar kreeg ik weer een platencontract.”

Hoe komt dat, denk je?

“Het heeft met commitment te maken. Ik drink matig, eet gezond en ga elke dag drie kwartier joggen. Allemaal met maar één doel voor ogen: to be good. Als je het fysiek niet meer waar kunt maken op het podium, waar ben je dan mee bezig? Sportmannen leven voor hun vak. Kijk naar Eddy Merckx. Die heeft er altijd alles voor overgehad, en dat is nu nog een grote mijnheer. Je oogst wat je zaait, vind ik. Als je er vijftien jaar je voeten aan veegt, breek je je eigen carrière.”

Zelf heb je inmiddels meer dan honderd hits gehad, een unicum in Vlaanderen en ver daarbuiten. Ik kan me voorstellen dat je daar offers voor hebt moeten brengen.

“Offers? Ik heb veel gewerkt, dat is waar. Maar al bij al moet ik vooral dankbaar zijn dat ik zo lang mee mag draaien. Staf is intussen al elf jaar dood. Ik heb achtendertig jaar dag in dag uit met hem samengewerkt, en hij was een fantastische man. Maar hij is er niet meer, en ik wel. Ik vraag me vaak af waarom ik zoveel jaren meer heb gekregen.”

Vind je dat een onrecht?

“Het is gewoon spijtig. We zijn altijd twee handen op één buik geweest, we waren heel erg close met elkaar, ook al konden we flink ruziemaken als het over het werk ging. Toen hij stierf, was ik daar kapot van. Ik heb een jaar heel ernstig overwogen om met muziek te stoppen. Het deed te veel pijn, en ik kon het gemis niet aan. De leegte die hij had nagelaten was enorm. Ik zag andere mensen op de plek waar hij meestal zat. Soms moest ik mezelf echt oprapen en me oppeppen om weer door te gaan, maar uiteindelijk heeft mijn vrouw me erover geholpen. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan hem denk, maar de pijn heelt met de tijd. Soms, als ik droevige nummers zing, zie ik in mijn hoofd nog wel mensen passeren die er niet meer zijn. ‘Ik mis je zo’, bijvoorbeeld. ‘Alleen gaan’ heb ik voor Staf geschreven. ‘Hoop doet leven’ was voor mijn andere broer, Jean Marie, die ik in 1989 verloren ben.”

Eigenlijk ben je een artiest van de oude stempel, en dat bedoel ik als een compliment. Ik hoef geen drie managers en een platenfirma te passeren voor ik je te spreken krijg. Elke journalist heeft je telefoonnummer.

“Vroeger deed Staf dat allemaal. Veertien dagen voor de kanker hem kwam halen heeft hij me apart genomen, want ik zou een nieuwe manager nodig hebben. Ik wilde er niet over praten, dus om er vanaf te zijn zei ik dat ik het zelf zou doen. Toen stak hij zijn duim omhoog. Als er ooit een film over mijn leven komt, moet die scène er zeker in. Het was een cruciaal moment in mijn leven. Ik heb sindsdien wel een secretaresse die me opvangt, maar voor de rest doe ik alles zelf. En ik maak daar geen tralala van.”

Die film komt er vroeg of laat wel, maar in afwachting heeft je dochter Sandy al je biografie geschreven. Heb je dat boek gelezen?

“Ja. De kladversie. Ik ben er zo mogelijk nog kritischer op mezelf door geworden. Is dat wel nodig, zo’n dikke turf over mijn leven? Ik vond het heel vreemd om over mezelf te lezen. Enfin, ze heeft dat erg goed gedaan en als ik er later niet meer ben, zal ze blij zijn dat dat boek er is. Uiteindelijk heeft ze toch maar één vader, hé? Bovendien heeft ze er succes mee, want het boek is na een maand al aan een herdruk toe. Meer dan wat daarin staat, is er niet te vertellen. Ja, mocht ik internationaal zijn gegaan misschien wel. Die gelegenheid is er geweest. Ik ben een tijdje regelmatig naar Londen gegaan. De producer van Shirley Bassey zag wel iets in mij. Hij hield van mijn stem en liet me songs opnemen met fantastische orkesten. Maar om echt carrière te maken moest ik zes maanden per jaar in Londen gaan wonen, en dan nog waren er geen garanties. Dus toen heb ik voor mijn gezin, mijn broer en mijn muzikanten gekozen. Ik was pas getrouwd en in Vlaanderen zat mijn agenda toch altijd vol. Maar ik geef toe dat ik die knoop met pijn in het hart heb doorgehakt.”

Hoe komt het eigenlijk dat er over jou nooit schandaaltjes zijn uitgelekt? Vlaanderen is piepklein en de roddelpers ligt flink op de loer als het over BV’s gaat, de laatste tijd. Maar tot nog toe kregen we geen verhalen over verborgen dochters, buitenechtelijke kinderen of verduisterde miljoenen te lezen.

“Ik heb mijn leven ingericht zoals ik het zelf aanvoelde, ik ben nooit op de rem moeten gaan staan uit angst voor de pers. Goed, ik heb wel eens wat boetes gehad wegens overdreven snelheid, maar niet meer dan dat. Wat ook heeft meegespeeld is dat ik al snel de vrouw van mijn leven ben tegengekomen. Ik wens iedere zanger een vrouw als Jenny toe. Ze heeft me altijd vrij gelaten. Natuurlijk wist ze dat ik succes had bij de vrouwen. Ik had dat succes nodig, want die dames maakten deel uit van mijn publiek. Maar bij haar kon ik een familyman zijn. Dat vertrouwen is er altijd geweest.“Zelf heb ik altijd willen bewijzen dat het in dit vak mogelijk moest zijn om een goede, hechte relatie te hebben. We zijn zesendertig jaar getrouwd en ik zou nog altijd geen stoel in de weg zetten voor haar. Ze is mijn rots in de branding en ik ben nog steeds verliefd op haar. Het is een lovestory. Je maakt van je leven wat je zelf wilt. Zoveel tricks zijn er niet. Mocht ik een groot geheim hebben, dan had de pers het allang achterhaald. Zeker nu.”

Hoe groot is het verschil tussen Arthur Blanckaert en Will Tura?

“Ik zal thuis nooit muziek van mezelf opzetten. Er staat een vleugelpiano in de woonkamer, maar daar speel ik alleen op als er niemand is. Dan mag zelfs mijn vrouw niet thuis zijn. Ook voor mijn legerdienst in De Panne ging ik altijd boven in de hal accordeon spelen. Wanneer iemand me daar betrapte, klapte ik dicht. Ik kan niet zingen als ik denk dat iemand me kan horen. Het enige moment dat ik thuis Will Tura ben, is wanneer ik beneden in mijn studio zit te componeren.”

Daarom is het nu ongetwijfeld een meevaller dat je destijds een artiestennaam gekozen hebt die je in staat stelt om een onderscheid te maken tussen je twee levens. Je beroep is: Will Tura zijn.

“Daar heb ik eigenlijk nog nooit stil bij gestaan, maar wellicht heb je gelijk. Als ik de deur uit stap, gedraag ik me als Will Tura. Dan steek ik mijn hand op naar de fans, ga ik mee op de foto en worden er handtekeningen uitgedeeld. Will Tura kan goed om met de massa. Zelf heb ik dat veel minder, ik ben nogal ongeduldig. Dus wat dat betreft is er zeker een onderscheid tussen wie ik thuis ben en de figuur die op het podium staat. Ik weet van mezelf dat ik niet de gemakkelijkste mens ben om mee samen te leven. Dat is altijd zo met perfectionisten. Jenny heeft veel geduld met mij gehad. Dat is op zich al een afdoende reden om haar zo graag te zien.”

Misschien is dat wel een geheim van een goed huwelijk: elkaar niet te veel voor de voeten lopen.

“Absoluut. (lacht) Als er al eens een weekend is dat ik niet moet optreden, maken we daar gebruik van. Qualitytime voor elkaar. Dan gaan we samen naar de film of nemen we vrienden mee uit eten. Ik geniet graag van het leven, hou van een beetje verwennerij af en toe. Maar zodra ik in de wagen stap en op weg ben naar een optreden kruip ik weer in mijn rol van Will Tura. Ik kom aan waar ik moet zijn, doe er mijn ding en ’s nachts rond een uur of drie kom ik weer thuis. Op dat moment wordt de knop opnieuw omgedraaid.”

Je wordt zeventig volgend jaar. Lig je daar wakker van?

“Het is een mijlpaal, alleszins. Kijk, als je zeventig wordt hoef je jezelf niets wijs te maken: dan ben je oud. Alleen voel ik me helemaal niet zo. Het enige wat ik me afvraag, is of het op die leeftijd nog zin heeft om plannen te maken. Ik zie veel vrienden rondom mij die tussen de zeventig en de tachtig stranden, die een knak krijgen. Maar ik ga er toch nog tegenaan, door te sporten, me te soigneren en door gewoon gelukkig te zijn. Het voordeel van muzikant zijn is dat je op je zeventigste nog bezig kunt blijven. Achter mijn piano herleef ik. Als ik op de scene sta en zie hoeveel mensen daar blij van worden, put ik daar zelf een enorme voldoening uit. Dat helpt me jong te blijven. De adrenaline stroomt nog volop. Zeventig zijn en toch nog de punch hebben zoals ik, dat is een cadeau.”

Je gaat dus nog niet met pensioen, zoals links en rechts gefluisterd wordt?

“Onder vrienden gaat het er wel eens over, maar ik heb geen plannen in die richting. Zingen vergt nu wel een grotere inspanning. De laatste tijd kost het me soms moeite om mijn teksten te onthouden, zeker als ik stress heb. Ik moet me harder concentreren. Voor het concert begint, zeg ik moeilijke teksten gauw nog even op en dan gaat het weer. Pensioen of geen pensioen, dat speelt eigenlijk geen rol. Ik zal altijd blijven zingen.”

Ik verdenk je ervan dat je het applaus niet zou kunnen missen.

“Eerlijk? Daar zou ik het erg moeilijk mee hebben, ja. Dus zolang ik me daar fysiek toe in staat voel, blijf ik op dat podium staan. 2010 wordt een jubileumjaar, en dat is al helemaal volgeboekt. Achteraf ga ik zeker wat afbouwen. Ik hoef geen zeventig keer per jaar meer op te treden. Superman bestaat alleen in de cinema, hé? Ik kan dat tempo onmogelijk blijven volhouden. Maar stoppen? Nee. Het is net een manier om nog wat langer mee te blijven gaan. Bovendien: het volstaat dat ik morgen een krakske krijg en het ziekenhuis niet meer uitkom. Laat me dus nog maar even doorgaan, zolang alles nog functioneert zoals het hoort.”

Kortom: je wilt sterven op de planken. Tijdens het laatste bisnummer, als het even kan.

“Nee, want ik geloof niet in dat cliché. Als ik moet gaan, hoop ik dat het in het bijzijn van mijn vrouw en mijn kinderen gebeurt. Ik heb zelf al veel familie moeten afgeven, dus daar denk ik wel eens aan. Ik wil sterven in warmte en liefde. Dat zou het mooiste afscheid zijn. Ik heb zoveel meegemaakt en de dood boezemt me geen angst meer in. Het is de realiteit, punt uit. Soms vraag ik me af waarom ik me zo uitsloof, want achteraf is het toch gedaan en dan maakt het geen verschil meer. Niemand weet wat er nadien nog komt. Mijn broer, die me zo graag zag, is niet teruggekomen om me een teken te geven. Niks gezien, niks gehoord. Dus het blijft gissen. Wie weet sterf ik toch tijdens een optreden, maar dan zal het zeker niet zijn omdat ik dat zelf zo gewild heb.”

Vind je het belangrijk om iets na te laten?

“Ja. Niet zozeer voor mezelf, maar voor mijn familie, en voor de vrienden die me achteraf nog eens willen horen. Dat vind ik het mooie aan dit vak: de creativiteit blijft meegaan. Ik besef dat niet iedereen mijn liedjes mooi vindt en ik zeg ook niet dat ik fier ben op mijn werk - dat woord paste niet, vond mijn moeder vroeger al - maar ik ben er toch blij mee.”

Vind je dat je voor jezelf tot nog toe alles uit het leven hebt gehaald?

“(denkt lang na) Ja, maar het is nog niet afgelopen. Ik wil nog meer dingen doen. Een plaat opnemen met een bigband stond allang op mijn verlanglijstje, en dat is nu gebeurd. Tot nog toe heb ik ook nooit de kans gehad om een filmthema te componeren, iets wat ik eveneens allang eens zou willen doen. Daar wil ik wat meer tijd voor nemen, want ik voel dat ik die creativiteit nog altijd in me heb. Alleen heb ik de prioriteit om zelf te schrijven wat uit het oog verloren door zoveel op te treden. Daarnaast droom ik van een eigen musical, al besef ik dat het me minstens een jaar kost om zoiets goed te doen.“Ik hoop dus dat het leven nog wat in petto heeft voor mij, dat ik mijn hart en ziel nog één keer echt aan de muziek kan geven. Componeren blijft mijn grootste hobby. Ach, ik heb al zoveel gedaan, en al die ervaringen draag ik met me mee. Tegelijk wil ik wat vaker thuis zijn en genieten van de mensen die ik liefheb. Hits scoren, dat hoeft voor mij niet meer, dat is iets voor jonge mensen. En je zei het zelf al: wat dat betreft heb ik meer dan mijn deel gehad. De liefde voor muziek zal sowieso nooit verdwijnen. Het enige wat ik nu nog wil, is mijn goesting doen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234