Woensdag 28/09/2022

'Euro zal op termijn leiden tot lagere prijzen in de winkels'

Eén van de sectoren die het directst bij de introductie van de euro betrokken zijn, is zonder twijfel de distributie. Het is immers in de winkels en supermarkten dat de consumenten hun euro's daadwerkelijk gaan uitgeven. De Europese distributiefederatie EuroCommerce denkt dat veel overbodige kosten te vermijden zijn als de introductie op een verstandige manier gebeurt. Céu Pereira, bij EuroCommerce verantwoordelijk voor het eurodossier, legt uit wat de voornaamste knelpunten zijn.

Wanneer in 2002 de euro ook in de portemonnee van de Europese burger zijn intrede zal doen, moet er in de supermarkten heel wat veranderen. De kassa's moeten geschikt gemaakt worden voor twee munteenheden, etiketten en prijsaanduidingen moeten worden aangepast, kassiersters moeten worden opgeleid en de winkelwagentjes zullen voortaan ontgrendeld moeten worden met een stuk van 50 eurocent in plaats van 20 frank. Duidelijk is dat de invoering van de eenheidsmunt de Europese winkelbedrijven veel zal kosten. Bij EuroCommerce, de federatie van Europese distributiebedrijven, houdt men zich nu meer bezig met die kosten dan met de financiële voordelen van de euro, die er onmiskenbaar ook zijn. Dat is niet verwonderlijk, want de kosten moeten in een relatief korte periode van enkele jaren gemaakt worden. De opbrengsten daarentegen doen zich vooral voor op lange termijn en zijn moeilijker kwantificeerbaar.

Over hoeveel de introductie van de euro de Europese distributiesector zal kosten, zijn al heel wat studies gemaakt. Een eerste schatting uit juni 1996 kwam uit op 1,1 tot 1,8 procent van de omzet. Later kwam EuroCommerce op basis van studies uit vijf landen tot de conclusie dat de kosten 1,3 tot 2,6 procent van de totale omzet zullen bedragen, ofwel 820 tot 1.400 miljard frank.

De uiteindelijk kostprijs zal afhangen van de manier waarop de introductie verloopt. Drie punten zijn daarbij belangrijk. Ten eerste de introductiedatum. Tot nu toe gaat men uit van 1 januari 2002, maar de distributiesector ziet die datum liever met een maand naar achteren verschoven. Tijdens de eindejaarsperiode is de hoeveelheid geld die in omloop is immers zeer hoog, zodat de kosten navenant zullen zijn. Bovendien heeft het personeel het dan zo druk dat de voorbereiding op de euro wel eens in het gedrang zou kunnen komen.

Het tweede belangrijke punt is de overgangsperiode. De overheid stelt voor om gedurende zes maanden zowel de euro als de nationale munt naast elkaar te laten circuleren. Maar de distributiesector ziet veel meer in verkorting van deze periode, bijvoorbeeld door wisselgeld alleen in euro terug te geven. Op die manier verdwijnt het nationale geld in versneld tempo.

Ten derde is het belangrijk in hoeverre de distributieondernemingen verplicht worden om informatie te geven aan het publiek en de prijzen in twee munteenheden te afficheren.

Céu Pereira: "De kosten zullen 1,3 procent van de omzet bedragen bij een gunstig scenario. Dat wil zeggen: een andere introductiedatum dan 1 januari 2002, een korte dubbele omloop, geen verplichting tot dubbele affichage. De 2,6 procent is het geval in het tegengestelde scenario."

Waarschijnlijk zal het uiteindelijke scenario ergens in het midden liggen. Belangrijk is volgens Pereira in elk geval dat de overheden de wil tonen om de overgangsperiode zo kort mogelijk te houden. "In Duitsland bijvoorbeeld voorziet men een 'juridische big bang', waarbij alle geldautomaten onmiddellijk met de nieuwe munteenheid uitgerust zullen worden. En men hoeft dat zelfs niet te doen: in Frankrijk staan 20 procent van de automaten in voor 80 procent van de distributie van cash. Als men die 20 procent onmiddellijk van euro's voorziet, geeft dat het omwisselingsproces een enorme acceleratie."

"Ik zie persoonlijk niet in wat er aantrekkelijk aan is om zes maanden lang rond te lopen met twee munteenheden. We zullen op dat moment al een overgangsperiode van 3 jaar achter de rug hebben, dus de mensen zullen goed voorbereid zijn."

Een theoretische mogelijkheid om de kosten van de overgangsperiode te drukken, zou het stimuleren van elektronische betalingen zijn. De fysieke problemen van de dubbele circulatie (twee kassaladen, twee portemonnees) vallen dan immers weg. Toch is het grootscheeps stimuleren van elektronische betalingen geen haalbare kaart, zegt Pereira. "Momenteel zijn de kosten die de banken vragen te hoog. De situatie verschilt ook erg van het ene land tot het andere. In Spanje en Portugal vragen de banken tot 6 procent van het transactievolume aan kosten. Dat is in sommige gevallen de totale winstmarge van de distributeur. Er zijn daar winkeliers die kaarten niet accepteren omdat ze te duur zijn. Dat kan ook, omdat de kaarten geen wettig betaalmiddel zijn. Niemand kan verplicht worden ze te aanvaarden. Bovendien zullen er altijd mensen blijven die er de voorkeur aan geven contant te betalen. Je blijft dus hoe dan ook met praktische problemen zitten als dubbele affichering en dubbele kassaladen."

Pereira erkent dat de euro op termijn een goede zaak kan zijn voor de distributiesector. De hogere prijstransparantie zal leiden tot lagere prijzen bij de leveranciers. Verder zullen ook de wisselkoersrisico's wegvallen, wat van belang is voor multinationale ondernemingen. Ook de transactiekosten die buitenlandse betalingen met zich meebrengen, zullen verlagen.

Pereira: "Deze kosten doen zich vooral op lange termijn voor. Het grootste voordeel situeert zich op het vlak van de transactiekosten. Aangezien de distributie een zeer competitieve sector is, zullen deze voordelen worden doorgerekend aan de consument. Als er goedkoper ingekocht kan worden, komen de verkoopprijzen ook lager te liggen. Er zal een neerwaartse druk op de prijzen komen. Dus enerzijds zijn er kosten op korte termijn en anderzijds baten op lange termijn. Het effect zal per saldo gunstig zijn voor de consument."

In veel sectoren heeft de komst van de euro voor een concentratietendens gezorgd. Bedrijven hebben ingezien dat ze voortaan niet meer op landelijke, maar op Europese schaal moeten opereren om concurrentieel te blijven. Veel distributieondernemingen werden daarom overgenomen. In België leidde die trend tot de intrede van de Franse gigant Promodès in het kapitaal van GIB, uitbater van de GB-, Unic- en Nopri-supermarkten. Delhaize ging voor zijn Noord-Franse keten een alliantie aan met Comtoirs Modernes, terwijl Colruyt zelf op het overnamepad ging met de aanschaf van de Franse keten Ripotot.

Pereira denkt dat de concentratietendens voorlopig nog wel zal aanhouden. "Die trend heeft vooral met de komst van de eengemaakte markt in 1992 een duw in de rug gekregen. Grote distributiebedrijven nemen andere over, onafhankelijke winkeliers verenigen zich op inkoopniveau. De euro zal bijdragen tot de voortzetting en misschien tot de acceleratie van dat proces. Meer rationalisatie betekent meer efficiëntie en dus meer kostenreductie en lagere prijzen voor de consument. Natuurlijk moet de Europese Commissie het proces van zeer nabij volgen om te voorkomen dat er misbruik van de concurrentiepositie zal optreden. Concurrentie is in het voordeel van de consument, op voorwaarde dat er geen misbruik van gemaakt wordt."

Op de vraag hoe de Europese distributiesector er over tien jaar zal uitzien, durft Pereira geen antwoord te geven. Ze denkt dat de concentratie nog wel zal doorzetten, maar dat culturele verschillen een al te grote grensoverschrijdende expansie mogelijk kunnen tegenhouden. Tenslotte is een supermarkt in Portugal nog altijd iets heel anders dan een grootwarenhuis in Finland.

Wel denkt Pereira dat na de invoering van de euro, die het vergelijken van prijzen in het buitenland vergemakkelijkt, meer consumenten hun boodschappen over de grens zullen doen. "Er zijn opvallende prijsverschillen op bepaalde vlakken, vooral door verschillen in btw en accijnzen. Bekend is dat bepaalde producten in Noord-Frankrijk een stuk goedkoper zijn dan in België. Een Belg zal zich misschien eerder afvragen of de prijs over de grens niet lager is en dat is een goede zaak. Het zal misschien de drang naar fiscale harmonisatie vergroten. Maar we moeten het fenomeen niet overschatten. Het doet zich vooral voor in een strook van twintig kilometer aan weerszijden van de grens. Voor een klein land als België is dat misschien belangrijk, voor bijvoorbeeld Frankrijk is het marginaal. In zijn totaliteit zal het effect niet belangrijk zijn".

Het is de bedoeling dat de euro de strijd met de dollar aangaat als mondiale referentiemunt. Bovendien wordt de eurozone de grootste consumentenmarkt ter wereld. Pereira: "De euro wordt een soort super D-mark, die de dollar kan bedreigen. Vooral voor de facturatie van primaire goederen, zoals olie, zal dat belangrijk zijn. Het zal Europa minder afhankelijk maken van de dollarfluctuaties. De distributie zal daar, net als andere economische sectoren, van profiteren. Een fenomeen als de oliecrisis uit de jaren '70 had veel te maken met de dollar. Dat illustreert hoezeer de dollar de Europese economie bepaalt. Als de belangrijkste factureringsmunt in Europa de euro wordt, is dat alleen maar goed."

"Verder zal de komst van de euro ook met zich meebrengen dat de Europese monetaire politiek vooral op prijsstabiliteit gericht zal zijn. Ook dat kan tot lagere prijzen leiden."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234