Donderdag 29/09/2022

'God bestaat, dus alles is toegestaan'

'Om aan de lopende band kinderen te vermoorden moet je wel met een buitengewone overtuiging bezield zijn', schrijft de Franse filosoof André Glucksmann, net terug van Algerije, dat maandag het zevende jaar van staat van beleg ingaat. 'Het mes van de moordenaar is een religieus offerwapen, het lijden van het slachtoffer vergroot de heilige dimensie van zijn daad.' Indrukken van een reis naar het einde van de gruwel.

André Glucksmann

Ik heb de deuren van de hel op een kier zien staan. "Reiziger, als je hier binnentreedt - kijk uit waar je je voeten zet..." Straaltjes verkleurd en plakkerig bloed tekenen op de straat beangstigende vakjes voor een dodelijk hinkelspel. Je moet haast wel hinkelen: hierheen, daarheen. Waarheen?

In een poel van slijk en bloed schittert vreemd een groene vlek: een halssnoer van glazen kraaltjes. Helemaal gesloten, het haakje zit nog dicht. Tot voor kort behoorde de halsketting toe aan een oude vrouw die heel haar leven in dit huis heeft gewoond. Het is nauwelijks meer dan een hut, met één enkele kamer. Nu staat het er helemaal zwartgeblakerd bij. Toen de vrouw onthoofd werd, is de halsketting van haar hals gegleden. De groene kraaltjesketting is de enige ongeschonden getuige van een moordpartij die de hele nacht duurde. Ik had het lef niet om te vragen of de tachtigjarige vrouw gekeeld werd voor ze in het vuur werd geworpen, dan wel of haar keel achteraf werd doorgesneden.

Tussen het puin van het dorp Douar Chanine - douar is het Algerijnse woord voor dorp of gehucht - aan de voet van de heuvels van Ouarsenis, heb ik een blauwe wieg gezien: het knutselwerk van een vader, die licht betonijzer heeft gebruikt om zijn jongste een bed te geven. Bij het minste zuchtje wind of als je de wieg ook maar heel even aanraakt, gaat het bedje schommelen. Schommelen. Schommelen. Heen en weer. In het wiegje heb ik alleen een vertederend kleine deken zien liggen, verstard en uitgehard in geronnen kinderbloed. De overlevenden hebben het kind begraven en zijn dan met hun schamele bezittingen gevlucht. In het kamertje, dat zwart ziet van het roet en de rook en dat bezaaid ligt met puin, staat nog de werkbank van de vermoorde ambachtsman die hier ooit woonde. De werkbank. En de wieg. De werkbank was te zwaar om mee te nemen, de wieg een overtollige last voor vluchtelingen die zich geen hoop meer kunnen voorstellen.

Wie in Algerije ooit tot op de bodem van de wanhoop zinkt, komt nooit meer aan de oppervlakte. Integendeel: hij moet steeds dieper graven, steeds dieper. Deze en andere beelden spoken nu voor altijd door mijn hoofd. Verschillende keren ben ik over onuitspreekbare dingen gestruikeld. Ik ben naar Algerije gekomen met het vaste voornemen dat geen enkele gruwel, hoe groot ook, me zou doen terugdeinzen. Ik wil nu eens eindelijk begrijpen op welke manier de afschuwelijkste en lafhartigste moorden tot een methodische en beredeneerde strategie kunnen zijn uitgroeien. Ik heb me voorgenomen om zelfs de ondenkbaarste dingen te durven denken. Hoe komt een menselijk wezen erbij om een boreling in mootjes te hakken en tegelijk God aan te roepen?

Ik ben amper vierentwintig uur na de moordpartij in Sidi Hammed gearriveerd. Het dorp is een slordige verzameling bakstenen huizen; de ruimte tussen de huizen is opgevuld met krotten en hutten. Sidi Hammed ligt op vijftien kilometer van de internationale luchthaven en maakt deel uit van Groot Algiers, vijf kilometer voorbij Meftah. Daar zijn we voorbij de 'grootste cementfabriek van Algerije' gereden, die toentertijd met veel praal en luister werd ingehuldigd, zoals het een sovjetproject betaamde. Maar dat was toen - ten tijde van de eenheidspartij en van de verheerlijking van de socialistische arbeidsmoraal. De fabriek is nu deerlijk beschadigd: net zoals de recente aanslag in Luxor het toerisme wil lamleggen, wil hier het terrorisme de economie om zeep helpen. In het kielzog van deze tactiek van de verschroeide aarde volgt onvermijdelijk het vermoorden van onschuldige burgers: sedert meer dan zes maanden wordt deze tactiek met geraffineerde brutaliteit toegepast en opgeëist door de gewapende fundamentalistische fracties. Om in deze waanzin door te dringen moet het kluwen van meedogenloze gruwel ontrafeld en ontward worden, ook al balanceer je gevaarlijk dicht bij de grenzen van wat nog als waarschijnlijk wordt ervaren.

Het regent. Op de berm van de hoofdweg, onder het half ingestorte dak van een barak die ook als garage dienstdoet, zijn veertig, vijftig mannen in discussie verwikkeld. Ik moet en ik zal mee. Kijk: op die plek waren alle jongeren van het dorp bijeengekomen. Voor een videovertoning. Alle deuren dicht. Eerst hebben de aanvallers een zelfgemaakte bom door het raam naar binnen gegooid. De jongeren zaten in de val: om te ontsnappen hebben ze een deel van de muur gesloopt. Ze werden afgeknald als konijnen. In Algerije geldt zulks dezer dagen als een goede - want milde - dood. Elders in het dorp, omstreeks hetzelfde tijdstip, net na het invallen van de duisternis dat het einde van de vastendag aangeeft, zijn de oudere mannen van het dorp onderweg naar huis. Het avondgebed in de moskee is net achter de rug. Onderweg wordt er gepraat. De vrouwen en de kinderen zijn alleen thuis. De moordenaars hebben het haarfijn berekend. Een eerste groep overvallers zorgt ervoor dat de groep mannen het dorp niet in kan, zodat de tweede groep rustig de slachtpartij kan afwerken. Lichamen worden in stukken gehakt, huizen in brand gestoken. Er wordt gestolen, geplunderd. Het is aardedonker. De wind huilt. Er heerst paniek. De slachtpartij duurt twintig minuten - volgens de officiële rapporten - of een uur - volgens de aanwezigen. Niemand heeft eraan gedacht op zijn horloge te kijken. De benaderende eindbalans: 150 doden, vijftien jonge meisjes ontvoerd. Vijf van hen worden vlakbij teruggevonden, met afgesneden keel.

Hoe kan een mens zonder zich belachelijk te maken van dergelijk feiten een boekhoudkundige afrekening bijhouden? Zelfs als een krant het heeft over '129 slachtoffers' of over '400 doden' minimaliseert ze de feiten. Een moeder heeft haar acht kinderen verloren. Ze is acht keer slachtoffer. Ze is acht keer doodgegaan. Liever zou ze het niet hebben overleefd. Overal staan militairen en soldaten - vlakbij - maar de mensen praten vrijuit, met een vrijheid die verder gaat dan de dood of het graf. Geen enkele bestuurlijke overheid, geen enkel gezag heeft de macht of het recht om diegenen die alles verloren hebben het spreken te beletten. Overal hoor ik vloeken, verwensingen, scheldwoorden en verwijten: aan het adres van het leger dat niet tussenbeide heeft kunnen (of willen?) komen om de inwoners te beschermen en de moordenaars te vatten; aan het adres van dorpelingen die het vertikten om een poot uit te steken; aan het adres van andere buren die pas gisteren nog het FIS verdedigden en steunden. Niemand heeft nog angst voor de dood, laat staan voor de gevangenis. Waar afschuw heerst, heeft geen enkele censuur nog zin.

Een vreemd ogende, koortsige man trekt aan mijn mouw. Om niet om te vallen klampt hij zich vast aan zijn gesloten paraplu. Ik moet mee, achter hem aan, het huis in dat ooit zijn woning was. Ik beland in een klein en donker vertrek, dat uitziet op een koertje. Een bed neemt de helft van de beschikbare ruimte in. De man loopt naar het bed, buigt, imiteert onbeholpen de bewegingen van iemand die een zwaar voorwerp voorttrekt. De moordenaars hebben het licht uitgedaan; zijn vrouw had de meisjes onder het bed verstopt. De moordenaars hebben hen bij hun benen van onder het bed gesleurd en hen op het koertje afgeslacht. Ik vraag hem of ze het speciaal op zijn huis gemunt hadden. Hij denkt van niet, maar zijn paraplu wijst naar een ingelijste oorkonde aan een van de zwartgeblakerde muren. Het is de oorkonde die zegt dat hij de zoon van een martelaar is: zijn vader was militant van het FLN, het Nationale Bevrijdingsfront, en verloor tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen Frankrijk het leven. Tijdens het moorden heeft een van de beulen geroepen: "Het zijn kinderen van harkis! Maak ze af! Maak ze af!" Het is de omgekeerde wereld: de harkis ('verraders') waren hulptroepen van het geregelde Franse leger, die het FLN bekampten. Mijn gids speelt de scène na, en dan nog eens, en nog eens alsof hij er niet genoeg van krijgt. Ik vraag hem hoe hij dat allemaal weet, als toch iedereen... Van zijn vrouw, zegt hij. Zijn vrouw heeft alles gezien. Ze had zich verstopt in een hoek, achter de tv. De duisternis heeft haar gered. Nadat ze met de meisjes klaar waren, zijn de moordenaars over het muurtje van het binnenplaatsje geklommen. In het volgende huis hebben ze de oude dame met het groene halssnoer vermoord, samen met haar hele familie. Uitgerekend naar dat huis van de buren volg ik mijn gids. Hij is gek van smart en verdriet, prikt onderweg met zijn trouwe paraplu in allerlei donkerbruine onbestemde voorwerpen, die her en der op de grond liggen. Ik buk me om beter te kijken. Ik trap op een stuk zwartverbrand mensenvlees.

Andere mensen zijn nu ook het huis binnengekomen. Een jongeman, die er schuchter en zachtaardig uitziet, maakt handbewegingen die ik probeer te lezen: hij telt zijn dode kinderen. Zijn het er vijf? Zes? Met omzichtige gebaren haalt een andere man een plastic zak tevoorschijn waarin alles zit wat hij nog heeft kunnen redden: van zijn gezin resten slechts enkele kletsnatte, half verbrande schoolschriftjes. Ondertussen is ook de vrouw van mijn gids binnengekomen: ze komt van het kerkhof en staat er verstijfd en zwijgzaam bij. Haar man zegt dat ze moet praten. Ze hikt, krijgt een oprisping, en loopt snel weer naar buiten, voorovergebogen, met opengesperde, starende ogen. Mijn gids stort in elkaar en begint te huilen, alsof hij meer moeite heeft met deze definitieve stilte, waar nooit meer een eind aan komt, dan met het naspelen van de moordscène, dat hij daarnet in zijn eigen woning ten beste gaf. Buiten, op straat, staan de overlevenden: de meeste zijn mannen. Zij praten, spreken beschuldigende woorden, maken ruzie.

Ik ben twee dagen in Sidi Hammed gebleven, om de getuigenissen te vergelijken en te valideren. Op het kerkhof delft men haast eindeloze rijen graven. Een jonge vrouw klampt zich snikkend aan me vast en roept de omstanders toe: "Kijk! Hij is wel gekomen! Hij wel! Een vreemdeling! Een Fransman! Hij was de eerste die hier kwam! Maar Zeroual? Ho maar! En toch hebben wij Zeroual verkozen! Wij hebben hem aan de macht geholpen. En zijn leger heeft ons niet beschermd. Zeroual is zelfs niet komen bidden bij de vers gedolven graven! En we weten toch allemaal dat die bandieten mensen van bij ons zijn." In een enkele uithaal heeft de vrouw alles gezegd wat er te zeggen was. Haar beschuldiging spaart niemand: niet de Algerijnse fundamentalisten, niet de Algerijnse machthebbers. Ze heeft nergens meer angst voor. Ze hoeft ook niets meer te vrezen. Ze wijst met naam en toenaam de moordenaars uit de dorpen in de omtrek aan. Ze noemt de zoon van de apotheker van de nabijgelegen stad, een bendeleider die iedereen kent onder de schuilnaam 'Popeye'. Is hij lid van het AIS (Armée Islamique du Salut)? Van de GIA (Groupes Islamiques Armés)? In dit geval lijken de meeste van de 130 moordenaars onder het bevel te staan van Antar Zouabri, de 'nationale emir' van de GIA. Naar verluidt kreeg hij hulp van de plaatselijke groep van een zekere Kertali, de plaatselijke emir van het AIS in het vijf kilometer verderop gelegen dorpje Laarbi. Jongeren uit het dorp zeggen dat ze sympathisanten van het Islamitisch Heilsfront (FIS) herkend hebben. Ik geef toe dat ik met bewondering een jongen van vijftien omarmd heb, die tijdens de gruwelnacht een van de moordenaars met een mes te lijf is gegaan.

Tijdens mijn verblijf heb ik een bezoek gebracht aan de belangrijkste onafhankelijke kranten van Algiers. Ik heb een uiteenzetting met debat gegeven in Oran, waaraan ook mevrouw Alloula deelnam (haar man, de belangrijkste regisseur van Algerije, werd door het FIS om het leven gebracht) en waarop ook de rector van de universiteit aanwezig was, samen met een aantal professoren, schooldirecteurs, artsen, journalisten, leraars. Ik heb gepraat met mensen uit het verzet uit de bergdorpen van Kabylië, met vluchtelingen uit Relizane, met vertegenwoordigers van verschillende parlementsfracties. Fatima Boudiaf, de weduwe van de vermoorde president, heeft me voorgesteld aan alle vrije geesten die de Algerijnse hoofdstad rijk is. Mijn gastvrouw Khalida Messaoudi heeft me de deuren geopend van alle niet-gouvernementele feministische organisaties. Het standpunt van het overgrote deel van progressieve Algerijnse elite komt vrijwel helemaal overeen met dat van die merkwaardige vrouw die op het slijkerige kerkhof van Sidi Hammed, bij het graf van haar kinderen, de wereld toeschreeuwde. Het is het standpunt van onafhankelijke journalisten, van de advocaten van mensenrechtenorganisaties, van Saïd Sadi en van de vrouwen die in het islamitische maquis verkracht zijn en tot slavin worden gemaakt. 1: Wij verwijten de Algerijnse regering dat ze niet alles doet wat in haar macht ligt om de Algerijnse bevolking te beschermen. 2: Wij beschuldigen de gewapende fundamentalisten ervan dat zij alles doen wat in hun macht ligt om, met een maximum aan wreedheid, de bevolking uit te moorden.

De belangrijkste vraag die de Algerijnen zich sedert zes maanden stellen is niet: wie zijn de moordenaars? Die vraag vinden ze sedert enige tijd stuitend obsceen: geen kwalijker blinde dan wie niet zien wil. Dat gezegde hoor je zowel in de bergdorpen van Kabylië als in de steegjes van Algiers. De fundamentalistische moslimgroepen leggen publieke verklaringen af over hun wapenfeiten en beschuldigen elkaar. De hamvraag voor de Algerijnen is: hoe is het mogelijk dat er steeds meer van dergelijke moordpartijen plaatsvinden? Zowat overal vraagt men zich af of de strijdkrachten en de regering hun vak wel verstaan en of ze de nodige beslistheid hebben om het uit te oefenen.

In Sidi Hammed hebben de fundamentalisten ongehinderd hun gang kunnen gaan: nadat ze naar believen de hakbijl en de toorts hadden gehanteerd, zijn ze ongehinderd kunnen vertrekken. De enige verliezen aan de kant van de moordenaars werden toegebracht door gewapende dorpsbewoners, door patriotten die hun gezin verdedigden. Hooguit vijf lijken, waarvan men geen spoor heeft teruggevonden, omdat ze ofwel ter plaatse werden verbrand, ofwel door de overvallers werden meegenomen. Tien dagen na de raid op Sidi Hammed had de regering het over een verpletterende slag die aan het fundamentalistisch verzet zou zijn toegebracht: in de bergen rond Beni Aissi zouden vijftien moslimrebellen zijn gedood. Waar het op neerkomt is dat er noch tijdens de moordpartij zelf, noch tijdens de terugtocht van de moordenaars enig gewapend treffen met het leger heeft plaatsgehad. Van een slag rond Sidi Hammed was dan ook geen sprake, wegens opgave van een der partijen. Toch geven de autoriteiten zelf toe dat er vlakbij, in Sidi Hammed, troepen ter plaatse waren.

Ik wilde de mening kennen van de officier die geacht werd de operaties in Sidi Hammed te leiden. Men heeft me dan ook voorgesteld aan een kapitein die me bevestigde dat zijn mannen - twee patrouilles sterk - vanaf het begin ter plaatse waren, dat versterkingen uit nabijgelegen kazernes (uit Meftah en Laarba) minder dan tien minuten na het begin van de operatie gearriveerd waren, dat alles naar wens verlopen was en dat de duur van de hele operatie alleen te verklaren was door de grote vuurkracht van zijn tegenstanders. Bovendien, zei de kapitein, had hij eerst het afvoeren van de gewonden moeten organiseren, voor hij de aanval kon inzetten op de moordenaars die diezelfde gewonden aan het afmaken waren. In een hoekje zat een vertegenwoordiger van de RND, de Algerijnse regeringspartij, stilletjes te grinniken. Discreet deelde hij me mee dat de krijgshaftige kapitein, die zich daar zo uitgebreid in het militaire zonnetje zat te zetten, die avond niet eens ter plaatse was geweest. Een andere versie kreeg ik later te horen, via de zogenaamde geëigende hiërarchische kanalen: de kapitein had die avond verlof, waardoor het bevel over de hele operatie was toevertrouwd aan een jonge onderofficier, die meteen in paniek was geslagen. Naar verluidt zou hij zich tegenover een militaire rechtbank moeten verantwoorden voor zijn gebrek aan inzet.

Wie hier voor zondebok moet spelen heeft overigens geen enkel belang. Beetje bij beetje kwamen steeds meer mannen aan in Sidi Hammed, militairen, mensen van de gerechtelijke politie, gendarmes, gemeentepolitie, een handvol patriotten: hun aanwezigheid dwong de fundamentalisten ertoe om vroeger dan voorzien de aftocht te blazen. Maar de moordenaars konden straffeloos ontkomen. Alhoewel de strijdkrachten van de regering het numerieke overwicht hadden slaagden ze er niet in de moordenaars aan te vallen, gevangen te nemen of te achtervolgen. Het was een trieste triomftocht van gouvernementeel geblunder, totaal gebrek aan coördinatie, gebrekkige voorbereiding.

Natuurlijk kan je zomaar niet in het wilde weg het vuur openen zolang moordenaars en slachtoffers in het aardedonker een verward kluwen vormen. Maar het blijft een feit dat de moeilijkheden nog extra werden aangedikt door de bureaucratische logheid van het militair apparaat, dat op sovjetleest is geschoeid en dat ook het gebrek aan initiatief en de operationele kneuterigheid heeft geërfd waarvan het Russische leger de laatste jaren zo vaak blijk heeft gegeven. Het Algerijnse leger telt ook een groot aantal jonge, moderne kaders, die hun opleiding hebben gekregen in de betere westerse militaire academies. Jammer genoeg worden ze niet voor deze vorm van oorlogvoering ingezet.

Gedurende lange tijd bestreken de gewone Algerijnse politiediensten amper de helft van het uitgestrekte grondgebied; vandaag zou de politie in driekwart van het land aanwezig zijn. Pas na de laatste presidentsverkiezingen is er in de afgelegen dorpjes die ik heb bezocht echt sprake van een concrete aanwezigheid van de Algerijnse staat. Zolang het toch al weinig indrukwekkende effectief - 200.000 man voor de drie strijdmachten en de gendarmerie samen - geconcentreerd blijft in de kazernes en aan de grenzen, heeft het terrorisme vrij spel. Alles wijst in dezelfde richting: onwil in regeringskringen, een weigerachtige houding bij de conservatieve, oude kaderleden, kortzichtigheid van militaire deskundigen en van de technische mensen die voor de operaties verantwoordelijk zijn. Toen in de jaren 1991-'92 een hooggeplaatst militair de aandacht van zijn collega's vestigde op het gevaar van het toenemend islamitisch geweld en hen waarschuwde voor mogelijke verrassingen, kreeg hij van de legertop te horen dat hij zich met zijn eigen zaken moest bemoeien: "Wij zijn militairen, geen intellectuelen!"

Het Algerijnse leger, dat zowel qua vorming als qua bestemming heel traditioneel is, beschikt niet over de technische middelen om aan guerrillabestrijding te doen. De westerse mogendheden hebben de Algerijnse militairen een soort quarantaine opgelegd, zodat het leger al evenmin de mogelijkheid heeft om de nodige technische middelen te verwerven. Toen ten langen leste dan toch besloten werd om primitieve verdedigingsmiddelen uit te reiken aan de mensen die erom vroegen, bleek al gauw dat het land hiervoor niet eens de nodige kogels (voor jachtgeweren) in huis had. Frankrijk weigert aan Algerije jachtpatronen te verkopen, hierin gevolgd door alle andere Europese landen en de VS.

De belangrijkste commentaar hierover teken ik op uit de mond van een van de 'patriotten' van Sidi Hammed die er, uitsluitend bewapend met zijn oude jachtgeweer, in slaagde om drie van de overvallers neer te schieten, de belegering op zijn woning af te slaan en zijn gezin te redden. Hij raakte gewond aan een schouder en een been en vertelt me, op zijn ziekenhuisbed, hoe hij weer moed vatte toen hij - eindelijk! - de auto's van de politie zag arriveren. Als ik hem vraag of het leger, naar zijn gevoel, efficiënter had kunnen optreden, moet hij even nadenken en zegt dan: "Ja, als de soldaten maar bereid waren geweest om hun leven te geven om dat van anderen te redden."

Je kunt onmogelijk het leger mobiliseren om de strijd aan te binden met 'straatschooiers' en 'bandieten' - twee termen waarmee de repressieapparaten gewoonlijk de jongeren uit de hoofdstedelijke achterbuurten aanduiden. Als je wilt dat soldaten bereid zijn hun leven te riskeren, dan zijn daar nobelere motieven voor nodig. Algerije redden? Zolang men het houdt bij politieagent spelen, zonder daaraan al de voordelen van die stiel te verbinden, komt de regering beslist geen stap verder. Ik praat met een gendarme, die vermoeid is ten gevolge van de plotselinge toename van het aantal taken en van de omvang van de risico's. Maar hij wordt vooral gekweld door twijfels over de te bereiken doelen. "Vooraleer ik mijn leven op het spel zet, zou ik toch wel eerst willen weten of mijn kinderen geëerd zullen worden als 'kinderen van een martelaar' of uitgespuwd als 'kinderen van een verrader', merkt hij op. Voor de GI's tijdens de Tweede Wereldoorlog de vuurlijn in werden gejaagd, kregen ze steevast een aantal films te zien, met ronkende titels als 'Waarom vechten wij?' Daarin kregen ze te horen hoe slecht Hitler wel was, hoe wreed zijn soldaten, hoe verdorven zijn ideologie. Weten waarom je vecht is niet alleen een recht, maar ook een essentiële behoefte van elke krijger. President Zeroual heeft aan het terrorisme nog nooit de woorden islamitisch of fundamentalistisch gekoppeld. Zolang hij de ideologie blijft wegmoffelen, blijft het moreel van de troepen laag. De tijd dat mensen hun leven nog wilden wagen om een tijdje achter 'straatschooiers' aan te zitten, is allang voorbij.

Een belangrijke clan binnen het Algerijnse machtsbestel dikt de militaire blunderstrategie niet alleen aan met een ambigue ideologie, ze hoopt ook nog steeds ooit een 'historisch compromis' met het FIS te kunnen bereiken. In die visie zou het FIS het beheer over de burgermaatschappij moeten krijgen, terwijl de machtsclan het militaire heft in handen zou houden - en best bereid is om hiervoor de olie-inkomsten netjes overlangs in tweeën te snijden. Het FIS eist dat eerst alle vermeende FIS-vijandige militairen aan de kant worden geschoven. Abassi Madani van het FIS wilde dat vijf militaire koppen zouden rollen - en kreeg voor twee van de vijf al genoegdoening. Hij wil ook een algemene amnestie voor al zijn gewapende volgelingen. De GIA onthoofdt mensen. Het FIS houdt meer van marchanderen.

Het Algerijnse terrorisme blijft onverstoorbaar vasthouden aan de letter 'I' in zijn naam: FIS, GIA, AIS, MEI... Er is ook een FIDA - mét I -, een organisatie van intellectuelen die de taak op zich heeft genomen om intellectuelen naar de andere wereld te helpen. Mag men die alomtegenwoordige 'I' zomaar als een verwaarloosbaar detail aan de kant schuiven? President Zeroual stelt steeds weer dat de 'I' een schaamlapje is, dat schandelijk misdadig gedrag moet goedpraten. Een aantal pseudo-geleerde verklaringen wil aantonen dat de 'I' slechts staat voor een 'epifenomeen', een randverschijnsel dat diepere economische en sociale oorzaken moet verbergen. Ik wacht op een verklaring: hoe komt het dat die algemene oorzaken - misère, afbraak van de gevestigde cultuur, afwezigheid van democratie - die zowat de helft van onze planeet teisteren, nergens anders tot een dergelijke graad van absolute wreedheid hebben geleid? Het is toch niet omdat er werkloosheid heerst en er verkiezingsfraude gepleegd wordt, dat men zomaar de buiken van vrouwen mag gaan opensnijden? En toch bestaat er een duidelijk rechtstreeks verband tussen islamitisch fundamentalisme en terrorisme: Afghanistan, Soedan, Iran, Egypte.

Het mysterie van de 'I' wordt al gauw het middelpunt van mijn onderzoek. Ik stel dezelfde vraag - mijn leidmotief - aan iedereen: aan boeren die sympathiseren met het Islamitisch Heilsfront, aan winkeliers die afgeperst worden, aan vrouwen die als oorlogsbuit worden meegesleept, aan spijtoptanten, aan patriotten, aan alle overlevenden die mijn pad kruisen: of de islamitische krijgers die ze ontmoet hebben zich op God beroepen en hun dagelijkse gebeden zeggen? Altijd en overal krijg ik hetzelfde bevestigende antwoord, zonder dat men er ooit twee keer over moet nadenken, zonder dat men daarvoor enige sympathie moet koesteren voor de officiële staatsdoctrine die deze realiteit maar blijft verdoezelen - en ondanks het feit dat dit gegeven in strijd is met hun godsdienst. Men vertelt me zelfs dat emir Antar Zouabri voortdurend in het gezelschap vertoeft van een theoloog, sjeik Abou al-Mounthir, die bevoegd is voor spirituele zaken. De GIA heeft de functie van 'religieus commissaris' uitgevonden. Om aan de lopende band kinderen te vermoorden moet je wel met een buitengewone overtuiging bezield zijn. Het mes van de moordenaar is een religieus offermes. Zijn misdaad is een 'offer aan de Allerhoogste' en brengt de dader 'dichter bij het paradijs'.

Algerije betaalt een zeer hoge prijs voor de absurde, maar begrijpelijke weigering om het specifieke kwaad te benoemen dat het land aanvreet. De pest is niet onverwacht in één klap uitgebroken, maar het is pas nu dat men zich rekenschap begint te geven van de oorspronkelijkheid van het terrorisme met 'I'. Alle vormen van maffiaterreur of politieke terreur - PLO, FLN, ETA, IRA - gaan er bij voorkeur erg onzacht tegenaan, maar ze hebben tenminste duidelijke doelstellingen en mooi omschreven doelwitten. Bij elke aanslag worden de plaats, het ogenblik en de slachtoffers weldoordacht uitgekozen, op basis van slimme berekeningen en herstelbare projecten, hoe verwerpelijk die ook mogen zijn. Het terrorisme met 'I', daarentegen, slaat steeds vaker onverschillig waar toe, onverschillig wanneer en tegen onverschillig wie. Het is een theologische vorm van terrorisme. Het heeft gezworen de samenleving in haar geheel te zuiveren.

Al vanaf het begin volgen de bebaarde strijders het voorbeeld van Khomeini: ze politiseren de godsdienst en pogen zich meester te maken van de staat, om daarna Algerije opnieuw tot de islam te kunnen bekeren. In 1990 staat het FIS aan het hoofd van de meerderheid van de Algerijnse gemeenten: de sluier is verplicht, sigaretten, alcohol, muziek, kaartspel en stropdassen zijn verboden. Vrouwen die alleen op straat komen en alleenwonende vrouwen worden achtervolgd en gerechtelijk vervolgd. Hetzelfde gebeurt met zangers en progressieven. De intolerantie van het FIS barst in volle hevigheid los. Op een dag wordt een tiental soldaten gevonden, ontmand en met doorgesneden kelen. Het leger wordt boos en eist maatregelen. Op een andere dag, op een andere plek, wordt het kind van een prostituee levend in brand gestoken. Schoolmeisjes worden overhoopgeschoten. Leraars worden gekeeld. Het autoritaire bewind van een aantal FIS-gemeentebesturen verwordt weldra tot een autoritair bewind op gemeentelijk vlak. Een kleine minderheid van deskundigen waarschuwt voor de dreiging van een toekomst onder islamitisch bewind, zelfs al is dat wettelijk verkozen. Het electoraal proces wordt opgeschort (januari 1992).

Tweede fase: de theologische terreur kiest voor de openlijke gewapende strijd. Het Iraans model wordt verlaten, men opteert voor het Afghaanse voorbeeld. Met wapenreserves en opslagplaatsen die al tien jaar in de maak zijn, kan het fundamentalisme een frontale aanval inzetten tegen een staat die, volgens de terminologie van de koran, goddeloos en onkies wordt genoemd. Het FIS wil de staat niet langer veroveren, maar hem vernietigen - en met hem al zijn instellingen, zowel de militaire (moorden op rekruten, op politieagenten en hun familieleden), als de economische (sabotageacties, Luxor tot de tiende macht) en de ideologische (brandstichting in scholen). Kunstenaars, zangers, schrijvers en journalisten gaan voor de bijl. Vrouwen worden met messen bewerkt: het lijden van het slachtoffer vergroot de heilige dimensie van de daad. De intensifiëring van de heilige oorlog naar Afghaans model loopt echter met een sisser af. Ondanks de doodsbedreigingen van het FIS neemt de burger in de straat met enthousiasme deel aan de presidentsverkiezingen eind 1995, om aan te geven dat hij het FIS en zijn heilige oorlog verwerpt.

Derde fase: de fase waar we nu midden in zitten. Een ongehoorde terreur, die geen enkel model meer erkent en geen voorgaande heeft, richt zich niet langer op de 'goddeloze staat', maar treft nu het gewone, afvallige volk. Afvalligen zijn geloofsverzakers en dus erger dan goddelozen, ongelovigen, heidenen of vreemdelingen. Het volk dat de islamitische fundamentalisten heeft laten vallen verdient de dood; zijn nageslacht moet worden gered en in een sneltreinvaart naar het paradijs gestuurd. De GIA heeft het recht om niemand te sparen. Tot meerdere eer en glorie van God organiseert ze steeds vaker en op steeds grotere schaal 'nachten van de lange messen'. Raïs, Aïn Defla, Laarba, Bentalha, Sidi Moussa, Sidi Hammed, Baïnem, Rélizane, Tiaret, Medea, Tlencen: de lijst wordt steeds langer. Het ziet er niet naar uit dat er spoedig een eind aan komt. Men vermoedt dat de rekruteringsbasis van de terroristen stilaan opdroogt. Maar er zijn in Algerije nog steeds drie- à vijfduizend gewapende fundamentalisten. Hoezo, weinig? Het is erg veel, vindt commandant Azzedine, een voormalige chef van het FLN. Hij voerde het bevel over vierhonderd partizanen in wat men de 'de driehoek van de dood' is gaan noemen. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog zette het Franse leger er bijna een miljoen mensen in, beweert hij. En toch slaagden de Fransen er niet in hem klein te krijgen.

De theologische moordenaar verbaast en verbijstert en intrigeert nog steeds. Wat gaat er om in het hoofd van een emir die een dergelijke extreme wreedheid moet beheren? Hoe zegt zo'n man zijn gebeden? Een spijtoptant, die ten gevolge van zijn geloofsijver een tijdlang in fundamentalistisch vaarwater verkeerde, geeft toe: "Ze hebben God willen bedriegen, ze maken misbruik van Hem. Als straf heeft God, de Rechtvaardige, hen blind gemaakt." Het absolute nihilisme van De bezetenen van Dostojevski - 'Als God niet bestaat, is alles toegelaten' - wordt tegelijk bevestigd en ingehaald door de theologisch-politieke moordenaarslogica, die de premisse van Dostojevski gewoon omdraait, om tot dezelfde conclusie te komen: 'God bestaat, dus alles is toegelaten.'

Walging. Er is een grens overschreden. Dit ongeziene schouwspel valt moeilijk te beschrijven. Men poogt onhandig terug te vallen op oude termen - genocide - waarbij men het risico loopt een andere soort gruwel te gaan banaliseren. De theologisch-politieke misdaad, die haar zegeningen voor onze eigenste ogen ontvouwt, heeft iets onuitgegeven: nooit eerder gezien. Deze aanslagen tegen de mensheid zijn choquerend door hun kwaliteit: de intensiteit van de wreedheid maakt meer indruk dan de kwantiteit. Dat de SS'ers wel eens durfden voetballen met joodse kinderen, dat wisten we al, maar de SS'ers deden het stiekem. Zelfs Hitler hield zijn uitroeiingskampen voor de buitenwereld verborgen, gehuld in Nacht und Nebel. Stalin liep niet voortdurend op te scheppen over het feit dat hij zijn landgenoten vermoordde met behulp van politiek correcte hongersnoden en met de goelag. Het Algerijnse terrorisme daarentegen gaat prat op zijn onnoemelijke wreedheid: het moordt en keelt bij volle daglicht, onder de blote hemel. Het loopt met zijn schaamteloze wanstaltigheid te koop. Het exhibitionisme heet een symbolische waarde te hebben. Het bedrijft misdaden waarin 'het volk van het boek' zich aangesproken voelt. Het mes dat een huilend kind in stukken rijt verwijst naar het offer van Abraham, maar dan in inversie, binnenstebuiten gekeerd, op zijn kop gezet. De God van de overlevering toont barmhartigheid en vervangt de zoon op de offersteen door een mannelijk ram. Het islamitisch terrorisme vervangt, voor het oog van de mensheid, het offerlam door een gekeeld kind.

De man die het kind dat hij net gekeeld heeft met een mes tegen de voordeur van de ouderlijke woning spijkert (op kerstdag 1997), slaat de hele wereld om de oren met de Goede Boodschap waar hij zo vol van is: alle taboes zijn opgeheven. Geen enkele verbodsbepaling blijft nog overeind. Ook seksuele regels gaan onder het mes, als de fundamentalistische broer zijn zus eerst aan de emir, daarna aan zijn medesoldaten cadeau doet. Ook de regels van het bloed gaan onder het mes, als de islamitische fundamentalist bij nacht en ontij naar zijn dorp terugkeert om het te zuiveren en zijn familieleden af te slachten. Het verbod op incest en het verbod op ongebreideld geweld zijn twee verbodsbepalingen die een universele waarde hebben en overal ter wereld alle menselijke samenlevingsvormen structureren. De theologisch-politieke misdaden blijken 'misdaden tegen de mensheid van het derde type' te zijn. Als in naam van de raszuiverheid alles toegelaten is, dan krijg je Hitler en Auschwitz. Als in naam van de klassenstrijd alles toegelaten is, kan Lenin tot de daad overgaan. Als in naam van God alles toegelaten is, staan overal Antar Zouabri's op.

Toen ik Algiers verliet, was mijn hart beklemd maar ik liep over van bewondering. Ik denk terug aan de bergbewoners uit Zbabar en uit Kabylië, die zich als eersten bewapend hebben en de benden van GIA verhinderd hebben hun dorpen uit te moorden. In de 'verzetsdorpen' komen de moordenaars er niet door. Een schuchtere jongeman met een geweer op de schouder toont me de foto van een emir, die hij drie dagen eerder heeft gedood. De emir in kwestie voerde een terreurregime in een naburig gehucht: hij had alle inwoners verjaagd, had er zich in zijn eigen kleine koninkrijkje gevestigd en was rustig aan het voetballen toen hij werd neergeschoten. In Tassaft wonen geen rambo's. De patriotten vallen op omdat ze zo ernstig kijken. Overal om hen heen loert de dood. "We verdedigen ons. Nee, we leggen geen wegblokkades aan, we zijn tenslotte geen gendarmes. We lopen wacht in de bossen: daar verstoppen ze zich. Als we ze vinden, jagen we ze op, achtervolgen we ze. Soms is de aanval de beste verdediging."

Een andere patriot vult aan: "De soldaten kennen er niets van. Ze kennen de mensen niet, kennen het terrein niet. Je moet jezelf voorhouden dat je zelf je beste dekking bent. Als zij mensen afslachten in naam van de islam, dan vraag ik me wel af waarom ik net veertig dagen gevast heb." De patriotten schateren het uit. "In het begin, toen we ons nog verdedigden met houwelen en oude geweren, gingen ze al meteen op de loop. Ze zijn allesbehalve dapper. Ze slachten wel vrouwen af, maar ze voelen zich echt niet geroepen om martelaar geworden. Misschien zijn ze wel bang van die veertig maagden die hen in het paradijs zitten op te wachten..." Voorlopig houdt de GIA zich erg gedeisd in Kabylië.

Ik denk ook aan de journalisten die al jaren moeten uitkijken voor kogels mét 'I' en voor de regeringscensuur, en die toch elke dag opnieuw een vrije pers moeten uitvinden. Ik denk vooral aan de vrouwen, de eerste getroffenen van het theologisch terrorisme. Elke vrouw wordt op verschillende manieren met een voorafspiegeling van de gruwel en de wreedheid geconfronteerd: ze voelt het in haar eigen lichaam en leest het in de angstogen van haar kinderen.

Maar toch blijft Algerije overeind. Het verzet is democratisch. Ja: de democraten weigeren zowel de wetten van de fundamentalisten als de dictaten van de regering. Het verzet is alledaags en vanuit de buik: elke keer als je je op straat waagt, daag je het noodlot en de dood uit.

Halfweg tussen het begin en het einde van de wereld krijgt Algerije naar alle waarschijnlijkheid te maken met een nieuwe variante van de pest, die zich wellicht over de hele planeet zal uitbreiden. Theologisch-politiek fanatisme is besmettelijk en werkt aanstekelijk. De moordenaars van Sadat en van Rabin zaaien hun zaad van waanzin. De misdaad van Baruch Goldstein, die in Israël de lader van zijn kalasjnikov leegschoot op biddende moslims, toont wonderwel aan hoe makkelijk de besmetting religieuze en nationale grenzen overschrijdt. In de jaren dertig ging Duitsland uiteindelijk door de knieën voor een wreedheid die apocalyptische afmetingen aannam.

Algerije blijft zich, ondanks zijn extreme smart en pijn, verzetten. U mag het me niet kwalijk nemen, lezer: ik heb Algiers, met zijn prachtige baai en zijn palmbomen, niet bezocht. Ik heb staan wenen op de drempel van de eenentwintigste eeuw.

© L'Express / NYT Vertaling Carlos Theus

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234