Woensdag 06/07/2022

ReportageDe reis van mijn leven

Haaienkoorts op de Noorse Lofoten

Als de ruggengraat van een oud zeemonster rijzen de woeste bergen van de Lofoten op uit de zee. Beeld Monica Ellingsen
Als de ruggengraat van een oud zeemonster rijzen de woeste bergen van de Lofoten op uit de zee.Beeld Monica Ellingsen

Zes jaar geleden reisde literair journalist Marnix Verplancke naar Skrova, een piepklein eiland dat deel uitmaakt van de Noorse Lofoten. Hij ging er twee locals interviewen over hun grote droom: een Groenlandse haai vangen. En nog voor hij op de ferry stapte, wist hij dat het memorabel zou worden.

Marnix Verplancke

Daar hebben ze me niets over verteld, schoot het keer op keer door mijn hoofd terwijl ik half op de knieën zittend en half op de groengeverfde stalen ondergrond liggend de wc-pot omarmde alsof hij mijn enige redding van een gewisse dood was. En zo voelde ik me ook, meer dood dan levend, terwijl mijn inmiddels lege maag met iedere ­nieuwe kramp een beetje meer naar boven leek te komen, alsof ze me wilde duidelijk maken dat ze desnoods in haar eentje de ferry zou verlaten als ik daar als een afgepeigerd kreng in dat wc-hokje wilde achterblijven.

“Wat zou je ervan denken om op de Lofoten een paar mannen te gaan interviewen die een haai willen vangen?” had de chef boeken van deze krant me gevraagd. “Ergens in het noorden van Noorwegen.” Dat laatste had ze er in feite niet aan moeten toevoegen, want die Lofoten stonden al lang op mijn verlanglijstje. Ik wist waar ze lagen en ik wist waar ze voor stonden: voor een bergketen van een paar honderd kilometer lang die even ten noorden van de poolcirkel uit de Atlantische Oceaan oprijst en zo woest is dat de Noorse overheid in de jaren 1980 nog subsidies gaf aan ieder die haar wilde verlaten. Het leven was er bar, met temperaturen die zelfs in de zomer de tien graden amper overschreden en veel meer regendagen dan droge. Afgezien van de visvangst was er geen werk en de vele kleine gemeenschappen in leven en bereikbaar houden kostte de Noorse overheid handenvol geld. Maar toen ontdekte het toerisme deze onwerelds ruwe bergen en keerde het tij. Tegenwoordig struikel je er in de zomer over de toeristen en staan er lange files op de smalle wegen wanneer een of andere Duitser met zijn veel te grote camper zichzelf nog maar eens in nesten heeft gewerkt.

De ochtend na mijn aankomst, toen ik nog niet wist dat we die avond lutefisk zouden eten. Beeld Monica Ellingsen
De ochtend na mijn aankomst, toen ik nog niet wist dat we die avond lutefisk zouden eten.Beeld Monica Ellingsen

Ik kende de Lofoten omdat ik een kaartenman ben. Op mijn vijftiende kocht ik mijn eerste kaart van de Schotse noordwestkust. Zo ongeveer om de paar weken plooide ik ze open en begon ik te dromen. Ik las de namen van de dorpen, volgde met mijn vinger de kronkelende wegen­en stelde me voor hoe de woeste zee ­inbeukte op de grillige kliffen. Drie jaar deed ik dat, tot ik genoeg geld bij elkaar had om er ook werkelijk naartoe te reizen en te merken dat de realiteit mijn verbeelding ver oversteeg. Zo ook zat ik al jaren naar de papieren versie van die Lofoten te staren, tot die vraag van de krant kwam dus.

Die haaienvangers zaten op Skrova, zo bleek, een eiland een beetje uit de kust van de grote bergketen en in feite niet veel meer dan een rotspiek die uit de Vestfjord steekt, met drie straten aan de voet ervan waar 190 mensen leven. En zo belandde ik in de herfst van 2016 na een dag reizen op die groene vloer in het wc-hokje van de ferry die van Bodø naar Svolvær voer en daarbij ook Skrova aandeed. “Vi har en grov sjø”, zo had de kapitein me met een monkellachje aan boord verwelkomd. Ik had wat schaapachtig teruggelachen en ontdekte nog geen halfuur later waar die grov sjø op sloeg, op een ruwe zee dus.

De Groenlandse haai kan vijfhonderd jaar oud worden, weegt een ton en eet alles – als er maar vlees aan hangt. En dus ook zijn soortgenoten. 
 Beeld rv
De Groenlandse haai kan vijfhonderd jaar oud worden, weegt een ton en eet alles – als er maar vlees aan hangt. En dus ook zijn soortgenoten.Beeld rv

Op Skrova ging ik een weekend doorbrengen met Morten Strøksnes en Hugo Aasjord, die samen het boek Haaienkoorts hadden geschreven, een verslag van hun jacht op de Groenlandse haai, de grootste ­vleesetende haai ter wereld, groter dan de vermaarde witte haai, die leeft van de Noorse fjorden tot onder de poolkap. Hij kan vijfhonderd jaar oud worden, is geslachtsrijp op zijn honderdvijftigste, bereikt een lengte van acht meter en een gewicht van meer dan een ton. Uit zijn ogen hangen steevast een paar lange fluorescerende wormen, parasieten die hem geleidelijk aan blind maken, wat niet erg is aangezien hij zoals alle haaien over een onwaarschijnlijk gevoelige neus beschikt. Hij eet alles: vis, natuurlijk, maar ook van zeehond en walvis is hij niet vies, en tegen een mens zou hij geen nee zeggen. Net zomin als tegen een soortgenoot trouwens, want de Groenlandse haai is een kannibaal van in de baarmoeder. Van de kleintjes die de moederhaai krijgt, wordt er maar één geboren, het overlevertje dat al zijn broertjes en zusjes heeft verorberd. Wanneer je erin slaagt een Groenlandse haai te vangen, is de kans niet onbestaande dat je alleen de voorste helft bovenhaalt omdat de achterste al verscheurd is door zijn makkers terwijl je hem uit de zee hief.

Geluksdag

Dat monster hadden Strøksnes en Aasjord dus willen vangen, en wel vanop een Rigid Inflatable Boat, een rubberen boot met een houten kiel en een uitzinnige motor die snelheden tot tachtig kilometer per uur haalt. En in theorie was dat niet eens zo moeilijk geweest aangezien er honderdduizenden Groenlandse haaien zijn en ze maar één natuurlijke vijand hebben: zichzelf.

Toen ik de ferry afstrompelde, stonden Strøksnes en Aasjord me al op te wachten, allebei breed glimlachend en naar de hemel wijzend, waar lichtgroene guirlandes doorheen slingerden. “Het is je geluksdag,” zei Hugo. “Weet je dat sommige mensen speciaal naar Noorwegen reizen voor dit noorderlicht en na een paar weken afdruipen zonder het ooit gezien te hebben?” Waarna Morten me eens goed bekeek, me een klap op de schouder gaf en zei dat ik dringend nood had aan een groot glas Linie Aquavit, “tjokvol komijn,” voegde hij er nog aan toe, “goed om de maag te kalmeren.”

Een vuurtoren op Skrova. Beeld Monica Ellingsen
Een vuurtoren op Skrova.Beeld Monica Ellingsen

Dat de beste gidsen locals zijn, is een waarheid als een koe, zeker als die locals dan ook nog eens in een oude visfabriek wonen. Skrova was vanouds een van de grote centra van de Noorse visindustrie en het stond in voor de helft van de walvisvangst van het land. De oudste visfabriek van het eiland is Aasjordbruket, in 1927 gebouwd door Hugo’s grootvader. Nu woont Hugo er zelf en maakt hij er zijn grote schilderijen, onder meer van de Groenlandse haai die door zijn hoofd blijft spoken. Voor het grootste gedeelte is het gebouw nog in originele staat. Toen de visverwerking vele decennia geleden stopte, liet men alles gewoon achter, meer dan duizend vierkante meter levende geschiedenis. De originele katrollen om de houten tonnen vol vis binnen te halen uit de boten zijn er nog, net als de kruiwagens waarmee die vis naar de snijtafels werd gebracht waar ze werd schoongemaakt en op ijs of zout gelegd. Zelfs de bijna twee meter hoge traanton waarin de kabeljauwlevers gestort werden om er de traan uit te halen, staat nog in het gebouw.

Die visfabriek werd een weekend lang mijn huis. Ik sliep er, leefde er, zat er te lezen en verdwaalde er tussen de verroeste kachels, de uitgedroogde vissenkarkassen en de decennia oude kurkdroge stokvis die hier en daar rondgestrooid lag en die volgens Hugo en Morten nog steeds eetbaar was. Net als Hugo’s vrouw Mette sliepen zij in een tot woning verbouwd bijhuis. Nog maar zelden had ik zoiets authentieks gezien als die oude visfabriek, en ik voelde me er ook meteen thuis. Het interview vond plaats op een andere plek op de site van de visfabriek, in een vissershuisje uit 1850, een van de oudste huizen op Skrova. We trokken er de tweede avond van mijn verblijf naartoe met een fles aquavit. Het was er pikdonker. Elektriciteit was er immers niet, wel kaarslicht en de oranje gloed van de houtkachel, waardoor de met krantenpapier behangen muren nog echter leken.

Geen mens te bespeuren

Rondzwervend over Skrova, waar de lucht niet alleen anders rook en aanvoelde dan thuis, maar het zonlicht ook veel minder moeite had met rondzwevend stof, waardoor alle kleuren scherper leken, kon ik niet anders dan volstrekt gelukkig zijn. Overal groeide het voor Scandinavië zo typische witte mos. “Soms zwemmen de rendieren de zee-engte over om het op te eten”, had Morten me verteld. De ene baai volgde op de andere en in de verte lagen de sneeuwtoppen van de voornaamste bergketen van de Lofoten, drie miljard jaar oud. Nergens waren mensen. Hier en daar stonden wel verlaten huizen, roestkleurig, natuurlijk, en wellicht geschilderd met een verf op basis van de traan van de Groenlandse walvis. Zo werd het vroeger gedaan, hadden ze me verteld. Die verf was bijna niet kapot te krijgen. En inderdaad, de bouwvallen die ik zag stonden duidelijk al heel lang leeg, maar aan de verf scheelde er nog niets.

Aasjordbruket, de oude visfabriek van Hugo Aasjord, die een weekend lang mijn thuis werd.  Beeld Monica Ellingsen
Aasjordbruket, de oude visfabriek van Hugo Aasjord, die een weekend lang mijn thuis werd.Beeld Monica Ellingsen
Morten Strøksnes en Hugo Aasjord, auteurs van ‘Haaienkoorts’, in het gerestaureerde deeltje van de visfabriek, met de ton waarin de kabeljauwlevers gestort werden om er de traan uit te halen. Beeld Monica Ellingsen
Morten Strøksnes en Hugo Aasjord, auteurs van ‘Haaienkoorts’, in het gerestaureerde deeltje van de visfabriek, met de ton waarin de kabeljauwlevers gestort werden om er de traan uit te halen.Beeld Monica Ellingsen

Vis is het verleden en de toekomst van Skrova, merkte ik al wandelend. Langs de weinige wegen staan hoge houten staketsels bedoeld om de kabeljauw te drogen. Die mogen de vissers van de winter tot de vroege lente vangen, waarna hij te drogen wordt gehangen. De stokvis die zo ontstaat kan heel lang bewaard worden, waardoor er ook in de zomer en de herfst vis op het menu kan staan. Zo’n stukje gedroogde vis binnenkrijgen vergt al gauw een minuut of tien stevig kauwen. Van hem bereiden is er in gedroogde toestand geen sprake. Dat daar een mouw aan te passen is, toonde Hugo toen hij me zijn lutefisk liet proeven, stokvis die een paar dagen heeft liggen wellen in water, waarna er soda aan toegevoegd is om hem op te laten zwellen, waarna hij wordt gekookt. Je drinkt er heel veel bier bij, lachten de twee mannen me uitbundig toe, terwijl ze overgingen op verhalen over de uitmuntende smaak van rottende zalmingewanden en het aroma van schaap geroosterd boven zijn eigen keutels. “Jammer dat je niet langer kunt blijven,” zeiden ze nog, “anders hadden we walvissteak voor je gemaakt.”

Weemoed

Misschien omdat weemoed zo’n ­intense emotie is, heeft authenticiteit de neiging te verdwijnen. Af en toe stuurt Hugo me nog eens een foto van een rendier dat hij net versneden heeft, maar het gebeurt steeds minder vaak. En met de kabeljauw gaat het ook niet goed. De wereldzeeën veranderen in vuilnisbelten en de zeestromingen voeren zware metalen en microplastics naar de Lofoten. Die plastics komt in de voedselkringloop van vissen en vogels terecht, terwijl de zware metalen zich opstapelen in krabben, grotere vissen en zeezoogdieren. IJsberen worden er tegenwoordig tot het gevaarlijk afval gerekend.

Keer nooit terug naar de plek waar je ooit gelukkig bent geweest, luidt een oude wijsheid, want je zal er alleen maar ongelukkig worden. Ik denk dus niet dat ik Skrova ooit nog weer zal zien. Niet omdat ik bang ben om nog eens zeeziek te worden, dat had ik er uiteindelijk best voor over, maar omdat het nooit meer zal zijn zoals zes jaar geleden. “Dat oude huisje waar je ons interviewde,” schreef Hugo me onlangs, “is een toeristenverblijf geworden”, en hij had een aantal foto’s toegevoegd aan zijn mail. Geen kachel of kaarsen meer, en geen krantenpapier meer aan de muren.

Skrova bestaat uit zes eilanden, waarvan er slechts één bewoond wordt. Beeld Monica Ellingsen
Skrova bestaat uit zes eilanden, waarvan er slechts één bewoond wordt.Beeld Monica Ellingsen
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234