Zaterdag 02/07/2022

Hellevaart in kleine kleren

'Het Verzetsleger van de Heer informeert het grote publiek dat het vermoorden van mensen zal doorgaan in Oeganda'

Els de TemmermanDe kinderen van de Noord-Oegandese killing fields

De Oegandese verpleegster Angelina Atyan kreeg deze maand de VN-Prijs voor de Mensenrechten. Zij is de spreekbuis van duizenden gezinnen waarvan de kinderen werden ontvoerd, gefolterd en verkracht door Oegandese rebellen. Haar eigen dochter Charlotte, nu zestien, werd twee jaar geleden gekidnapt door het Verzetsleger van de Heer. Deze Afrikaanse versie van de Khmer Rouge houdt acht- tot tienduizend kinderen gegijzeld in een der smerigste aller oorlogen. Els de Temmerman over de verstoorde onderwereld van de religieuze fanaat Joseph Kony.

Op het eerste gezicht lijkt Nelson een gewone Oegandese jongen van zestien. Maar na enige tijd merk je dat er iets wezenlijks mis is. Af en toe staart hij afwezig en onbereikbaar voor zich uit. Hij neemt tien tot twaalf douches per dag, en heeft pas nu - met drie jaar vertraging - zijn lagere school beëindigd. Niets bereidt de achteloze bezoeker voor op de gruwelijke verhalen uit de mond van deze tienerjongen in de Noord-Oegandese stad Gulu. In december 1994, op weg naar huis, werd hij ontvoerd door het Verzetsleger van de Heer, een bizarre rebellenbeweging geleid door de religieuze fanaticus Joseph Kony, die Oeganda wil regeren volgens de tien geboden.

"De rebellen waren gewapend met geweren, mortieren en landmijnen", begint hij het relaas van zijn twee jaar lange reis door Kony's verstoorde onderwereld. "Ze namen mij mee naar hun militaire basis, waar nog honderd andere ontvoerde kinderen waren. Wie probeerde te ontsnappen, werd vermoord in aanwezigheid van alle kinderen. Bij wijze van voorbeeld. Ze bonden de schuldige met de armen vast op de rug en legden hem op de grond. Daarna werd hij met messen en bajonetten doorboord. Als je niet durfde te kijken, gaven ze je een mes en kreeg je het bevel om dat kind te vermoorden. Als je weigerde, werd je zelf gedood. Ik heb meer dan vijftig kinderen op die manier vermoord zien worden. Sommigen moesten in de loop van een geweer kijken. Anderen werden doodgestenigd. Wij stonden eromheen en lachten. Om te bewijzen dat we niet bang waren."

Nelson werd meegenomen naar het hoofdkwartier van de rebellen in Soedan, een tocht van honderden kilometers. Wie niet mee kon of bezweek onder de zware last van gestolen goederen, werd ter plaatse afgemaakt. In Soedan kreeg hij een militaire opleiding van twee maanden. "In ons kamp waren meer dan zesduizend ontvoerde kinderen", herinnert hij zich. "De jongsten waren zeven jaar oud. We werden onderverdeeld in divisies. Ik werd toegewezen aan commandant Ochaya Lagira. Ik leerde schieten en landmijnen leggen. Elke vrijdag sprak Kony ons toe. Hij zei dat we naar huis mochten als we erin slaagden Gulu te veroveren. Op zondag, tijdens de gebeden, vertelde hij in contact te staan met de Heilige Geest, die hem gezegd had dat hij geroepen was om president van Oeganda te worden."

Nelson was dertien jaar oud toen hij voor het eerst het strijdveld in werd gestuurd, als goedkoop kanonnenvoer tegen het Oegandese regeringsleger. "Ze zetten ons in de voorste linie", vertelt hij. "We moesten altijd rechtdoor lopen en schieten. De commandant liep achter ons. Als hij je zag vluchten, schoot hij je neer. En als je werd getroffen, liet hij je gewoon liggen."

Nelson werd telkens voor drie weken naar het oorlogsgebied in Noord-Oeganda gestuurd, waarna de groep zich terugtrok in Soedan. Hoeveel soldaten hij precies heeft gedood, weet hij niet. Evenmin hoeveel kinderen er zijn omgekomen op het slagveld. "Sommigen zakten tijdens de opmars gewoon in elkaar van honger en uitputting. Anderen bezweken aan diarree. We waren verplicht het voedsel van de dorpelingen stelen om te kunnen overleven."

Kony's oorlog richt zich de laatste tijd vooral tegen de burgerbevolking: de mensen van zijn eigen Acholi-stam die hij ervan beschuldigt niet met hem samen te willen werken. "We werden gedwongen burgers te vermoorden met bajonetten", getuigt de tienerjongen. "Van mensen die we tegenkwamen werden de oren en lippen afgesneden, zodat ze het regeringsleger niet konden inlichten. Als iemand op een fiets voorbijreed, werden zijn been en hand afgehakt, zodat hij niet naar de vijand kon rijden. Vaak was het een kind dat gedwongen werd om de ledematen af te snijden."

Het ergste vond Nelson dat hij op zijn beurt andere kinderen moest ontvoeren. "Iedereen moest vier kinderen kidnappen, twee voor zichzelf en twee voor de beweging", mompelt hij. "Ik heb een van mijn gevangenen laten ontsnappen. Ze hadden me daarvoor kunnen vermoorden. Maar die jongen was zo bang... Gelukkig heeft niemand ooit geweten dat ik diegene was die hem liet ontsnappen."

Nelson ontvluchtte de hel op Nieuwjaar 1997, na een wekenlange tocht door de killing fields van Noord-Oeganda waarbij hij meer dan eens op een groep rebellen botste. "Een keer vonden de rebellen van onze groep mij in een hut, toen ik aan het koken was. De rook had mij verraden. Ze wilden mij vermoorden. Ik opende het vuur. Ze schoten terug en staken de hut in brand, maar ze hadden niet gezien dat ik al weggelopen was. Daarna heb ik nooit meer gekookt."

Het duurde nog dagen voor Nelson iemand tegenkwam die hem naar de kazerne bracht, waar hij zich overgaf. Hij verblijft nu in de achtertuin van een hulporganisatie, samen met zijn vriendje Kenneth, ook een voormalige rebel. Naar huis teruggaan durven ze niet. Zelfs niet voor Kerstmis. Er zijn tal van verhalen dat de rebellen de ontsnapte kinderen in hun dorpen opsporen en als straf de hele familie uitmoorden.

Nelson en duizenden andere kinderen in Noord-Oeganda zijn pionnen in een cynisch regionaal machtsspel, doorspekt met religieus fanatisme. Soedan wordt bestuurd door moslimfundamentalisten die de islam willen uitdragen over het hele land en het continent. Daartegen vecht al vijftien jaar het SPLA, het christelijke verzet van Zuid-Soedan. Het SPLA wordt gesteund door de Oegandese president Museveni en, onrechtstreeks, door de Verenigde Staten via militaire opleiding en wapenleveringen. Als reactie bewapent Soedan sinds 1994 Kony's rebellen. De ontsnapte kinderen getuigen allemaal dat ze wapens, uniformen en basiskampen kregen van het Soedanese leger, en dat ze eropuit werden gestuurd om het SPLA te bevechten.

Onder hetzelfde motto 'de vijand van mijn vijand is mijn vriend' heeft nu ook de Zimbabwaanse president Mugabe militaire bijstand beloofd aan Kony's rebellen. Eerder deze maand ontmoette hij een delegatie van het Verzetsleger in Londen. Mugabe's beweegredenen hebben te maken met de oorlog in Kongo. Zimbabwaanse troepen vechten daar aan de zijde van Kabila, tegen het Oegandese leger van Museveni dat de Kongolese rebellen steunt. De Londen-overeenkomst zou onder meer inhouden dat Kony in ruil voor wapens (kind-)soldaten levert voor de geallieerden van Kabila.

Maar Kony's pathologisch gedrag heeft diepere wortels: in Oeganda's onverwerkt verleden van geweld en tegengeweld. De Acholi waren de voornaamste slachtoffers van het schrikbewind van Idi Amin in de jaren zeventig. Toen het regime van Amin werd omvergeworpen, nam het nieuwe leger, vooral bestaande uit Acholi, wraak op de rest van de bevolking. Honderdduizenden mensen werden vermoord. Sinds de machtsovername van Museveni in 1986 zijn er twee Oeganda's: het zuiden, waar relatieve stabiliteit en ontwikkeling heerst, en het achtergestelde, verwoeste noorden, waar een deel van de verslagen Acholi-soldaten zich heeft gehergroepeerd en de strijd voortzet. Velen in Gulu hebben het gevoel dat ze door de rest van het land aan hun lot worden overgelaten omdat de Acholi verantwoordelijk worden gesteld voor de massale mensenrechtenschendingen van het verleden.

"Het leger verdenkt de bevolking ervan de rebellen te helpen", zegt maatschappelijk werkster Liliane Tembere in het revalidatiecentrum van Gulu, waar ze geamputeerden begeleidt. "Maar de mensen worden geterroriseerd. De rebellen vallen de dorpen binnen. Wie weigert voedsel of informatie te geven, wordt vermoord. Daarna nemen ze kinderen mee. Als je de aanval rapporteert, komen ze terug en moorden het hele dorp uit. Vaak dwingen ze daarbij de kinderen om hun eigen familieleden te doden." Er is nog een andere reden waarom de bevolking aarzelt om informatie door te spelen aan het leger. Tembere: "De inwoners weten dat hun kinderen de eerste slachtoffers zijn bij een militaire confrontatie. Elke overwinning van het leger is voor hen in wezen een nederlaag. De situatie is bijzonder complex."

De oorlog laat zware littekens achter in de noordelijke provincies Gulu en Kitgum. Scholen moesten in december hun deuren sluiten door de dreiging van nieuwe aanvallen. Het platteland is grotendeels verlaten. Het gevaar voor massale hongersnood dreigt. In Gulu alleen is de helft van de bevolking - zo'n 200.000 inwoners - op de vlucht. Sommigen hokken in Gulu-stad. Anderen hebben zich verzameld rond afgelegen handelsposten of legerkampen in zogenaamde 'beschermde dorpen'. Elke nacht spreiden duizenden mensen hun matje uit op de grasvelden rond de twee ziekenhuizen van Gulu, om bescherming te zoeken tegen de willekeurige terreur. Ze liggen er tussen de vele verminkten en geamputeerden: slachtoffers van schotwonden, landmijnen of folterpraktijken van de rebellen.

De ergste trauma's ervaar je bij de voormalige kind-soldaten. In het opvangcentrum van World Vision in Gulu, waar velen van hen terechtkomen, weerspiegelt zich de complexiteit van het conflict. "Sommigen ontmoeten hier hun ontvoerders", zegt directeur Marc Avola, die al vierduizend kinderen zag passeren. "Sommigen worden geconfronteerd met de kinderen door wie ze werden gefolterd, of die ze zelf gefolterd hebben en voor dood achtergelaten. Nog anderen herkennen de moordenaars van hun ouders."

In het centrum slapen ze zij aan zij, in lange rijen stapelbedjes waar ze 's nachts hun angstdromen uitschreeuwen. Zich kunnen uiten - via muziek, drama, tekenen en dansen - is het motto van Avola's ploeg. "We proberen de kinderen duidelijk te maken dat ze slachtoffers zijn, dat ze gedwongen waren om te doden en dat we nog steeds van hen houden. Het proces van vergeven voltrekt zich relatief vlot in dit centrum, onder kinderen die hetzelfde hebben meegemaakt. Maar in de buitenwereld ligt dat niet zo makkelijk. Sommige ouders willen hun kinderen niet meer terug. Het tragische is dat de maatschappij, die niet in staat was hen te beschermen, zich nu van hen afkeert en hen met de vinger nawijst. De meeste slachtoffertjes spreken dan ook met elkaar af om nooit met buitenstaanders te praten over de wreedheden die ze hebben begaan."

Een nieuwe groep kinderen, hoofdzakelijk meisjes, is pas binnengebracht. Sommigen zijn gewond en verminkt. Op hun gezichten staan angst en wantrouwen te lezen. Vooral de meisjes zijn zwaar aangeslagen. "Allen zijn ze als vrouwen aan de commandanten gegeven", vertelt de verpleegster van dienst. "We krijgen meisjes van twaalf die seksueel misbruikt zijn door mannen van vijfenveertig. De meesten komen aan met geslachtsziekten. Een aids-test doen we niet, om ze niet nog meer te stigmatiseren. Velen zijn zwanger en schamen zich daarover. Zes meisjes zijn hier al bevallen. Er zijn er die weigeren het kind te aanvaarden."

De achttienjarige Santa, die vier jaar bij de rebellen zat, houdt haar ogen op de grond gericht als ze moeizaam vertelt hoe ze de seksslaaf was van commandant 'Tim'. Zij was de jongste van vijf vrouwen en werd zwaar mishandeld. "Eén keer, toen ik een ontsnappingsoperatie plande, werd ik zo hard geslagen dat ik bijna dood was", prevelt ze terwijl ze dwangmatig aan haar sandalen frutselt. In tegenstelling tot veel andere meisjes werd Santa maar één keer ingeschakeld in de strijd. Ze kreeg namelijk al meteen een kogel in de rug, waardoor haar benen waren verlamd. "Ik lag in de ziekenboeg van het kamp, maar er werd niet naar mij omgekeken", zegt ze. "Uiteindelijk werd ik naar het ziekenhuis van Juba (in Zuid-Soedan) gestuurd, waar ik acht maanden nodig had om te herstellen."

De nieuwkomers zijn een kostbare bron van informatie over het lot van andere ontvoerde kinderen, zoals de meisjes van Aboke. Het drama van de internen van de school St. Mary's in Aboke haalde het wereldnieuws door het heldhaftige gedrag van de onderdirectrice, de Italiaanse zuster Rachele. Toen zij de ochtend van 10 november 1996 ontdekte dat 139 meisjes van haar internaat ontvoerd waren, ging ze de rebellen achterna, afgaand op een spoor van karamel-plasticjes die gestolen waren uit de snoepwinkel van de school. Tegen de middag had ze de groep ingehaald. "Ze liep de hele dag achter ons aan", vertelt Nelson, die bij de groep ontvoerders was. "Ze smeekte en smeekte. 'Als de kinderen vermoord worden, wil ik ook sterven', zei ze."

Tegen de avond stemde de commandant ermee in om 109 kinderen te laten gaan. Nelson: "De dertig mooiste en de sterkste werden geselecteerd. Zij moesten achterblijven. Toen viel de zuster op haar knieën voor mijn commandant en smeekte om haar mee te nemen, in plaats van de kinderen. De meisjes huilden verschrikkelijk. Maar de commandant dreigde ermee iedereen om te brengen als ze niet ophielden."

Sindsdien voert de Italiaanse een verbeten campagne voor de vrijlating van haar meisjes, en probeert ze de wereld te mobiliseren tegen deze waanzin. De afgelopen twee jaar ontmoette ze meer dan eens president Museveni van Oeganda. Ze vloog in zijn privé-jet naar de staatshoofden van Zimbabwe en Zuid-Afrika. Ze werd ontvangen door de Soedanese leider Omar el Bashir en bracht het lot van de ontvoerde kinderen onder de aandacht van VN-secretaris-generaal Kofi Annan. Al drie keer werd een datum bepaald voor de uitlevering van de meisjes. Eén keer stond ze vlak bij haar doel: in het hoofdkwartier van Kony. Maar het kamp was leeg en ze keerde met lege handen terug.

Van de dertig meisjes van Aboke wisten negen intussen te ontsnappen tijdens een helikopteraanval. Een meisje werd kort na het vertrek van zuster Rachele doodgeslagen door haar vriendinnetjes: het gebruikelijke initiatieritueel om de kinderen tot gehoorzaamheid te dwingen en ze medeplichtig te maken aan moord. De rest zit in het Nisitu-kamp in Soedan. "De Aboke-meisjes zijn de koninginnestukken van het kamp", weet Santa. "Ze werden toegewezen aan de hoogste commandanten, waaronder Kony. Sommigen zijn zwanger of hebben al een kind. De sterksten kregen een militaire opleiding en werden naar het front gestuurd." Een van de meisjes werd vermoord voor Santa's ogen. "Enkele maanden geleden kregen we bezoek van een delegatie van het Rode Kruis. We mochten niet met de bezoekers praten. Maar het Aboke-meisje liep naar de groep toe en vertelde alles wat er met ons gebeurde. Ze smeekte de blanke man om haar mee te nemen. Hij weigerde. Enkele minuten nadat ze vertrokken waren, werd ze voor ons aller ogen doodgeschoten."

Die avond sijpelt meer nieuws door van de Aboke-meisjes. De Oegandese zuster Paola zag twee van hen met baby's op de rug ronddolen met een groep rebellen vlak bij Nimule, aan de grens met Soedan. Ze waren uit het kamp gezet omdat de kinderen door gewone soldaten waren verwekt, wat oneerbaar is. En omdat er in Soedan grote hongersnood heerste.

Zuster Paola, die zelf elf dagen bij de rebellen doorbracht, herstelt in het ziekenhuis van Gulu van haar eigen trauma. Ze was een van de weinige overlevenden van een aanval op een bus eind november en werd meegenomen naar een rebellenkamp. "Ik zag daar het zoontje van een medewerker van ons klooster", vertelt ze met tranen in de ogen. "Hij herkende mij en begon te huilen. De kapitein gebood hem mij dood te steken met een speer, als straf omdat hij medeleven getoond had. Maar hij kon het niet. Hij kerfde enkel met een mes in mijn been, waardoor een zenuw werd geraakt en ik niet meer kon lopen."

Uit haar nachtkastje diept ze een brief op die de rebellen haar hebben meegegeven bij haar vrijlating. "Het Verzetsleger van de Heer informeert het grote publiek dat het vermoorden van mensen zal doorgaan in Oeganda", staat er in keurig Engels te lezen. "We doden diegenen die niet met ons samenwerken. De rekrutering en ontvoering van al wie nog geen soldaat is, zal doorgaan."

Buiten maken de vluchtelingen zich op voor de nacht. In de verte ratelen machinegeweren. Het avondjournaal meldt dat vijftig mensen ontvoerd zijn uit het 'beschermde' kamp Anaka, op zestig kilometer van Gulu. Overwegend kinderen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234