Vrijdag 01/07/2022

Het geheugen van de stenenEen paar ontmoetingen met Aurélie

Het was in die tijd dat ik het nodig vond om iedere ochtend te gaan ontbijten, niet uit honger maar om ankers uit te gooien in troebele uren en dagen en zo te voorkomen dat mijn leven kapseisde. Ik leerde de plaatsen vermijden waar je abjecte koffie kreeg die meteen lauw werd en zich achter je tong opbolde tot slijm, waar de croissants naar karton smaakten, waar alles veel te duur was, en nestelde me ten slotte voornamelijk in een Amerikaans getinte zaak waar ze je, zonder verdere vragen, bleven voorzien van sterke zwarte koffie. Ik leerde ze kennen, de passanten aan beide kanten van de toonbank, de vroege klanten die te luid of te overmoedig praatten, diegenen die schuw zwegen. De obers en de diensters die ervan overtuigd waren dat het hier allemaal maar te herleiden zou zijn tot een zeer korte scène in hun verder verwachte leven: de fijnbesneden Chinese Jie die lange ochtendlijke en avondlijke uren klopte om haar studies te kunnen betalen en dan boven haar cursus in slaap viel. Els die van plan was schrijfster te worden, maar even niet goed oplette en opeens als nieuwe baan op straat het lidmaatschap van een boekenclub aanprees. Benno die het liet afhangen van welke krant hij je zag lezen of hij je nu zou tillen of niet. "Op mijn manier blijf ik een revolutionair", legde hij uit.

Soms kwam ik in de Malaga: een hotel-café dat adverteerde hoe je er voor 190 frank een compleet ontbijtbuffet kon verorberen. Dat bestond uit niet helemaal doorbakken, raar krullend spek, gebakken eieren in onherkenbare lagen, en ham, worst en kaas die achter zelf open te schuiven vitrineglas lagen te glimmen. Of het aan hun vervaldatum lag, of het neonlicht, viel niet te zeggen - de Malaga was dag en nacht open.

Wanneer ik tegen zevenen de deur openduwde zaten de fuifnummers van de nacht als op een kluitje bij elkaar, de dienster was niet echt meer van de anderen te onderscheiden, ergens bij het zoveelste glas hadden ze verbroederd. Mijn komst werd nooit op gejuich onthaald, ik was de boodschapper van een onwelkome nieuwe dag. Met even weinig enthousiasme werd de dienster ontvangen die haar shift begon: "Ha, daar hebben we Aurélie!"

Aurélie peinsde er ook niet over om populair te zijn. Zwijgend, met een onwillige blik overliep ze met de nu totaal uitgelaten nachtdienster de nog openstaande rekeningen, en kwam dan stuurs de tafel voor me dekken. Al gauw merkte ik dat haar vijandige houding niet persoonlijk was: haar hele verschijning, de kraaknette blouse met een ongewoon juweel opgespeld, de strakgesteven zwarte rok, de dure zwarte schoenen met fijne hoge hakken - alles straalde de ijzeren overtuiging uit dat ze hier maar voor even was, in de Malaga. Haar verongelijkte houding tegenover het lot dat haar een loer draaide dwong respect af bij de klanten. Geen halve of hele dronkelap die het in zijn hoofd zou halen avances te maken, Aurélie straalde uit: niet hier! Tegenover de hotelklanten was ze iets vriendelijker, de meeste mannen waren er met hun familie, of hun vriend. Mij wantrouwde ze: als ik solvabel was, waarom kauwde ik dan niet thuis op mijn eigen eieren?

Ze werkte inderdaad niet lang in de Malaga, dook plots op in een taverne in het Century Center. Het was er even volks, maar respectabeler, en er kwamen al eens interessantere klanten, mannen die logeerden in het peperdure Century Hotel. Speciaal voor hen ontwikkelde Aurélie een blik als van een jonge hinde die toch priemend bleef. Voor de rest handelde ze nog altijd als haar haastige oververzorgde zelf: verbluffend snel en adequaat bediende ze de tafels die haar toegewezen waren, het leek alsof iets haar op de hielen zat. De tijd misschien, want uit de manier waarop ze zich opmaakte bleek ze zich bewust te zijn van fysieke onvolkomenheden. De vermetele kleur in haar haar en de wrong moesten de aandacht afleiden van haar voorhoofd, dat ze te hoog vond. Wat poeder op haar jukbeenderen moest verhullen dat de neusvleugels plat uitlopen. Haar gulzige lippen kon ze nog wel extra rood stiften, zelfs wanneer zo haar mond groter leek dan hij al was. Maar dan viel haar wijkende kin niet zo op. Het kon allemaal nog net nu, nu ze nog jong was. Aurélie zocht minder een man dan een kans.

Op een drukkende zomeravond zie ik haar lachend voorbijparaderen, met een rijzige, bruingebrande man van in de dertig. Eén arm houden ze om elkaar heen geslagen, met de andere hand praten ze morse op elkaars vingertoppen, gelaat en hals. Haar lange wimpers sturen me even een dankbare trilling toe omdat ik niet groet. Toch lijkt de opgetogen toestand waarin ze verkeert me iets te utopisch. Zijn blik blijft te blanco, zijn groene zomerpak is te hel om lang in deze stad te blijven.

Later loopt ze op straat met een gedrongen grijze man die zijn pink in de hare heeft gehaakt. Hij ziet eruit als een gnoom aan wie je drie wensen mag doen.

Op het terras van de Hermitage hoor ik hen over een ervan onderhandelen. "Je mag niet te hoog grijpen in jouw situatie, meisje", mompelt hij. Om de stilte die volgt niet nefast te laten inwerken, vraagt ze hem quasi teder of zijn pied-de-poule pak niet te warm is in dit seizoen. "Gij zijt mijn poule en als ik in u zit heb ik het zeker warm", schatert hij, en zoekt bijval bij de andere mensen op het terras. Yvan, de kelner, wendt zijn blik af. Niemand lacht van harte, de toon van de man klinkt eerder dreigend dan vrolijk. Bij zijn volgende bestelling vraagt hij nog meer bierviltjes om er nog meer getallen op te schrijven. Hun hoofden raken elkaar bijna.

Aurélie verdwijnt uit het centrum. Toevallig ontdek ik, in een ander deel van de stad: Frituur Aurélie. En zij is het, inderdaad. Het huis noch de zaak oogt indrukwekkend maar zoals zij achter de glimmende toonbank staat, de frieten na hun eerste bak feilloos op een smakelijke stapel heeft gelegd, worsten, gehaktballen, in rijen verdeeld, geen enkele vlek op haar gesteven witte schort... Het is alsof een middenstandsfee in deze achtergebleven buurt is neergedaald. Voor het eerst oogt ze charmant, en ook lucide, attent: ze heeft evengoed Marokkaanse, Turkse en Afrikaanse specialiteiten op de meeneemkaart gezet, voor de drukke zaterdagen heeft ze een Marokkaans meisje als hulp geëngageerd.

"Ik heb altijd van een eigen zaak gedroomd", lacht ze. Nog nooit had ik haar zo open gezien als ze nu winkeltje speelde.

De intervals waarmee ik haar ontmoette, maakten het onmogelijk de redenen te ontdekken waarom de frituur achteruitboerde. Was het omdat de armoedigheid van deze straten uiteindelijk alles smoorde? Of was het het perpetuum mobile dat haar uitputte? Aardappelen uit de zakken laden, de porties van de dag wassen, nieuw vet laten smelten, sausen bijvullen, haar lange vingers één keer te veel verbranden aan een gloeiende kroket. Aurélie begon met één dag per week te sluiten, hield dezelfde schort nu meerdere dagen aan, wit haar Nike's niet meer... er zit nu ook altijd een roodharige jongeman in de frituur. Achterdochtig monstert hij klanten, haalt zelfs hun dienblad weg wanneer ze te lang na het eten op hun tabouret blijven zitten, en herhaalt stellig, waar nodig, dat er maar één blikje bier te krijgen is per pak friet. Met zijn verliefdheid eigent hij zich langzaam aan een plaats toe tussen haar en een onbestemde dreiging buiten. Van staanplaats tot tabouret, met ieder deeltje werk dat hij haar uit de handen neemt, weet hij zich ten slotte tot achter de toonbank te wurmen en bakt, bedient zijn eerste portie friet. Ademloos wacht hij af of Aurélie iets zal zeggen. Wanneer ze dat niet doet durft hij haar naakte elleboog aan te raken. "We slaan er ons wel door!", galmt hij plots.

Hij ziet de minachting in haar ogen niet.

Een paar weken later is haar naam overschilderd tot Frituur 't Hoekske. Het jonge paar dat nu de dienst uitmaakt, doet evasief over wat er gebeurd is en waar ze naartoe zou zijn. "Moet er iets op de frietjes?"

De stad heeft Aurélie opgeslokt, verandert steeds verder. De Malaga heeft zijn muren geschilderd en de tarieven verhoogd. In het Century Center is een bom afgegaan. Van het Amerikaanse café zijn de ramen afwerend gewit: binnenkort wordt het een grote, Russische diamantzaak.

Op een avond zie ik haar weer, tijdens het wisseluur, de schemertijd dat de laatste forenzen de stad verlaten, en de hoopvollen, de droevigen, de kwaden en gekwetsten de straat opzoeken. Ze doet alsof ze de kaart van een Grieks restaurant bestudeert en draait zich pas om na lange lange tijd.

"Hoe maakt u het?", vraag ik.

Daar geeft ze niet echt antwoord op, maar vermeldt haar prijs.

Pierre Platteau

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234