Zondag 26/06/2022

Het grote complot

Johan Vandenbroucke

Een Nederlandse kennis, werkzaam in het boekenvak, woont in een wijk met literaire straatnamen. Toen we zijn straat inreden vanuit de Max Havelaarstraat verontschuldigde hij zich: het was de Joachim Stillerstraat. De anekdote is tekenend voor de positie van Hubert Lampo bij de literaire critici in Vlaanderen en Nederland. De vrienden-recensenten aan wie ik vertel dat ik Lampo aan het herlezen ben, lachen in het beste geval meewarig, veeleer zuchten ze demonstratief of schamperen ze gekscherend bij de naam alleen al. Hoewel ook zijn recente titels nog behoorlijke verkoopcijfers halen, blijkt de faam van Hubert Lampo, ooit voorgedragen als de Vlaamse kandidaat voor de Nobelprijs, bij de kritiek volkomen in verval geraakt. Zijn bekendste en steeds herdrukte roman, De komst van Joachim Stiller uit 1960, is vaak alleen nog een schoolherinnering.

Het boek, waarvoor hij in 1963 de driejaarlijkse Staatsprijs ontving, wordt door voor- en tegenstanders van Lampo erkend als het hoogtepunt in zijn oeuvre. Naar het boek werd niet alleen een straat in een Nederlandse slaapstad genoemd. Zoals Lampo vaak in interviews vermeldt, veranderde de roman het leven van bepaalde lezers. "Dat blijkt als een vrouw mij tijdens de Boekenbeurs haar zoontje laat zien, en vertelt dat hij Joachim heet, naar Stiller. Of wanneer er plots een restaurant blijkt te bestaan met die naam."

In vrijwel elk interview beklaagt Hubert Lampo zich ook over het complot dat al sinds de jaren zestig tegen hem gesmeed zou worden. Hij lijkt ervan overtuigd dat er achter de schermen van literaire kringen samenzweringen gesmeed worden om hem te boycotten. Zijn relatie met de kritiek is op zijn minst ambivalent. Hij pretendeert dat negatieve commentaren hem koud laten, maar reageert meteen zo gekweld en rancuneus dat het hem wel menens lijkt. In De elfenkoningin, een langdradige roman uit 1989, laat hij een alter ego zeurend uitvaren tegen het linkse dagblad De Ochtend en tegen critici als "Faislebeau" en jonge recensenten als het "verwaand burgerknaapje dat, na vier jaar universiteit op kosten van de gemeenschap, in krant of tijdschrift een stukje mag lozen".

Eigenlijk deed hij dat ook al eind jaren vijftig toen hij De komst van Joachim Stiller schreef. De hoofdpersoon is de journalist en schrijver Freek Groenevelt, die in een literair jongerentijdschrift zwaar aangevallen wordt. Hij doet alsof dat hem niets kan schelen en oordeelt dat de kritiek zelfs "niet kwaad geschreven" is: "die man kan met de bijvoegelijke naamwoorden overweg". (De polemiek is inderdaad in onvervalste Lampo-stijl geschreven, met een behoorlijk irritante hoeveelheid bijvoegelijke naamwoorden.) Aan polemiek is Groenevelt al gewend: "Als gevolg van mijn kritische bijdragen en, al zeg ik het zelf, een betrekkelijk succes als romanschrijver, word ik door de jongste broekjes regelmatig als kop van jut gebruikt, wanneer zij hun minderwaardigheidscomplexjes zoeken te spuien." Toch komt hij er steeds stekelig op terug, met dezelfde ambivalentie die Lampo kenmerkt. Zo ook bijvoorbeeld in De komst van Joachim Stiller: "Het ontbreekt mij niet aan zelfkennis en kritische zin. Moest ik een boek van mezelf recenseren, dan zou zulks beslist niet beter uitvallen dan wanneer een ongunstig vooringenomen collega het doet." Deze uitweidingen hebben weinig te maken met het wezen van de roman.

In Joachim Stiller beschrijft Lampo hoe een Messiaanse figuur, Stiller, het leven van Freek Groenevelt en zijn geliefde Simone gaat beheersen. Naar eigen zeggen was de schrijver zich aanvankelijk niet bewust van de overeenkomsten tussen Stiller en Christus. Pas later, toen hij ten volle het werk van de psychoanalyticus Carl Gustav Jung had bestudeerd, werd hem duidelijk dat de roman opgebouwd was volgens een archetypisch schema. Met de roman sloeg hij definitief het pad van het magisch-realisme in, een term die Lampo later tot vervelens toe zal uitmelken.

Als scholier, ongeveer twintig jaar geleden, las ik Joachim Stiller met genoegen. Nu ik het herlees, ervaar ik een ambivalentie die haast vergelijkbaar is met die van Lampo tegenover de kritiek op zijn werk. Vrijwel op elke pagina erger ik me aan de omslachtige stijl, de lange kwakkelzinnen en de onnatuurlijke dialogen. En toch blijf ik het een sterk verhaal vinden en heb ik het weliswaar foeterend maar toch ook geboeid opnieuw gelezen. Was het de roman van een beginner, dan suggereerde ik een onverbiddelijke eindredactie die alle overbodigheden en holle uitdrukkingen zou schrappen en, tussendoor, ook nog de pertinente fouten kon verbeteren.

Achtendertig jaar na de eerste druk valt vooral Lampo's voorkeur voor overdaad en nu ouderwets aandoende formuleringen op. Holle frasen - "ofschoon hij zich iets voor de geest haalde", "hij werd door een gevoel overvallen" - soms in één amechtige, volgestouwde zin: "Nu ik ons door oude klare en veel scotch besproeid gesprek weer voor de geest riep, gaf ik er mij rekenschap van, dat ik ten slotte Andreas mijn instemming had betuigd, omdat ik het niet velen kan, dat anderen ongevraagd mijn leven binnendringen." De volgende kommazin beschrijft een ontluikende liefde: "Ik wist, dat zij niet tot het ondernemende slag van vrouwen behoorde, dat het stellig haar bedoeling niet kon zijn, mij aldus voor een voldongen feit te plaatsen, maar dat zij veiligheid bij me zocht, er behoefte aan had, zich van mijn vertegenwoordigheid te vergewissen en er zich tevens van te verzekeren, dat wij dit keer niet met zoveel onuitgesprokens tussen ons beiden van elkaar zouden gaan."

Als een Lampo-personage in een dialoog wil zeggen: 'je hoeft niet stoer te doen' staat er: "Je hoeft voor mij niet de man met de behaarde borst uit te hangen." Dat is nog een onopvallend voorbeeld. Een gesprekspartner die zijn bril opnieuw opzet, wordt in een Lampoiaans tekstbrouwsel beschreven als: "Ik wachtte tot zijn ogen weer veilig achter de beschermende en kracht bijzettende beschutting van een behoorlijk aantal dioptrieën schuilgingen, eer ik vroeg, wat er ons verder te doen stond..." Ik vrees dat zoiets in 1960 bedoeld was als een vlotte, misschien zelfs humoristische passus. Herman de Coninck schreef eens in Humo dat Lampo's taal soms "wobbelt als de kont van een Brabants boerenpaard".

Toch vallen de irritante Lampo-tics in Joachim Stiller nog mee. Het verhaal heeft vaart, wat lang niet van alle volgende romans gezegd kan worden. De archetypische personages - zoals ook de typische Lampo-vrouw - treden in Joachim Stiller nog functioneel op in een thrillerachtig verhaal. Latere romans van Lampo dijen meer in de breedte uit en zijn vaak al te uitleggerig nadrukkelijk. Lampo's magisch-realisme werd een karikatuur, zodat zelfs Jooris van Hulle schreef (naar aanleiding van De verdwaalde karnavalsvierder): "een auteur, die steeds meer bladzijden schijnt nodig te hebben om in wezen te zeggen wat hij dertig jaar geleden met zijn Stiller-verhaal reeds zei."

De komst van Joachim Stiller en ander werk van Hubert Lampo werd uitgegeven door uitgeverij Meulenhoff.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234