Woensdag 10/08/2022

Het lange groeiproces van het islamitische recht

Het islamitische recht, een ingeving van Mohammed of een uitvinding van een slimme mollah? Geenszins, het begon in de woestijn, toen Mohammed religieuze leefregels aan bedoeïenen aanleerde, het ontwikkelde zich verder in rechtsscholen waar slimme koppen aangepaste voorschriften uitwerkten, experts werden ingeroepen en verschillende denkstijlen werden geïntroduceerd. Vandaag heeft het islamitisch recht een stempel gedrukt op alle islamitische landen en heeft elk land toch zijn eigen invulling gevonden.

Het islamitische recht (de sharia) is niet als een blok regels en voorschriften uit de hemel gevallen. Het heeft zich geleidelijk ontwikkeld. In dat groeiproces waren er verschillende belangrijke fasen. De eerste is het fundament waar het systeem op steunt: het leven en werk van de profeet Mohammed. De leefregels die hij uitsprak en de oplossingen die hij aanreikte voor tal van problemen, staan neergeschreven in de koran. Zijn eigen gedrag staat beschreven in de soenna. Koran en soenna zijn de twee officiële bronnen van het islamitische recht. Zij vormen het uitgangspunt.

We moeten teruggaan in de tijd om het ons allemaal wat levendiger te kunnen voorstellen: Saoedi-Arabië, zevende eeuw na Christus, geen olie, geen centraal gezag maar enkel bedoeïenen en stammen die los naast elkaar leven in een rumoerige tijd. De nood aan 'regels' was dus groot. Die leemte vulde Mohammed in door voorschriften te verkondigen die hem meestal in de vorm van een goddelijke openbaring hadden bereikt. In Mekka verkondigde Mohammed niet zoveel gedragsvoorschriften, zijn leer beperkte zich tot de onderwerping aan de ene en enige god Allah, de dagelijkse gebeden, het geven van aalmoezen en het ondersteunen van wezen en weduwen. Die vaagheid verdween toen Mohammed van Mekka naar Medina uitweek, in 622. Dat vertrek noemen de moslims de hidzjra. Daarmee begint de islamitische jaartelling. In Medina had Mohammed veel succes als profeet en groeide hij uit tot de leider van een grote gemeenschap aanhangers. Boeren, kooplieden, emigranten uit andere steden, twijfelende joden of christenen confronteerden Mohammed met samenlevingsproblemen waar ze vanuit hun tradities geen antwoord op vonden. Het erfrecht was zo'n heikel thema. Mohammed verrichtte hier baanbrekend emancipatorisch werk. De regels van de koran doorbreken het patrilineaire erfsysteem van de Arabische stammen door ook naaste vrouwelijke familieleden, zoals echtgenoten, dochters en zussen, toe te staan om te erven en om een aandeel in de nalatenschap te hebben. Anno 2001 lijkt het koranische erfrecht oubollig en vrouwonvriendelijk, maar in de tijd van Mohammed was het revolutionair voor de vrouw.

Na de dood van de profeet breidde het 'islamitische rijk' zich snel uit en de vraag naar juridische adviezen nam toe. De kaliefen, die de juridische en bestuursfuncties van de profeet overnamen, inspireerden zich op de uitspraken van Mohammed om het rechtssysteem verder uit te bouwen. Zo'n overlevering ging als volgt:

"Abd al-Razzaq leverde over op gezag van Ma'mar, die het had van al-Zuhri, die het op zijn beurt had van Ibn al-Musayyab dat Tulayha (...) trouwde met Rushayd (...) gedurende haar wachttijd... Op grond daarvan liet (de kalief) Omar haar afranselen..." (uit In het huis van de islam, Henk Driessen, SUN - Kritak 1997, p 249)

Waarover gaat dit? Mohammed had tijdens zijn leven de regel ingevoerd dat een vrouw na de dood van haar echtgenoot of haar scheiding een zekere wachttijd moest respecteren voor ze weer in het huwelijk kon treden (koran, 2: 228,234). Over een straf bij het niet respecteren van die regel had de profeet zich nooit uitgesproken. Toen de kalief Omar met die kwestie werd geconfronteerd, herinnerde hij zich het voorschrift van Mohammed maar hij legde zelf een strafmaat op en hij liet die straf ook uitvoeren. Zo ontstond een precedent. Tot op de dag van vandaag lezen de rechtsgeleerden die overleveringen na om uitspraken te doen.

Naast de kaliefen droegen ook de metgezellen van Mohammed in de eerste periode na diens dood bij tot de verdere ontwikkeling van de juridische bepalingen uit de koran. Een voorbeeldje: de profeet had tijdens zijn leven gezegd dat een man twee keer van zijn vrouw mag scheiden en haar nadien toch terug kan nemen. Doet hij dat drie keer, dan is de scheiding definitief. Het driemaal uitspreken van het woord 'talaq' (scheiding) door de man betekende een onherroepelijke verbreking van het huwelijkscontract. Maar de moslims vroegen zich na de dood van Mohammed af of ze de echtscheidingsformule drie keer kort na elkaar mochten uitspreken om zo een 'snelle scheiding' te verkrijgen of dat er een bepaalde denkperiode tussen het uitspreken van 'talaq' moest zijn. Die vraag werd aan de kalief gesteld, maar die wist er geen raad mee. En zo belandde de kwestie bij één van de metgezellen van de profeet. Die bepaalde dat het in één adem verkondigen van de drievoudige 'talaq' definitief was. Dat type juridische adviezen van de metgezellen werd ook via een keten van overleveringen bewaard. En nadien werd ernaar gerefereerd.

Koran en soenna bleken niet te volstaan. In de zevende, achtste en negende eeuw na Christus bleef het islamitische rijk zich verder uitbreiden en werden voortdurend nieuwe volkeren geïslamiseerd. Met die expansie doken er continu complexere en meer uiteenlopende samenlevingsproblemen op. De kaliefen konden die problemen en geschillen onmogelijk in hun eentje oplossen. Ze konden niet tegelijk in Mekka en Damascus zijn. Daarom begonnen ze te delegeren: per regio werd een gouverneur aangesteld die in principe de juridische functies van de kalief overnam. Maar die wereldlijke leiders zagen al snel in dat ook zij niet competent waren en schakelden experten of qadi's in, geleerden met een grote kennis van de religieus-juridische teksten. En zo zien we dat van er voor het eerst een geïnstitutionaliseerd, religieus juridisch onderwijs ontstaat.

Een nieuwe generatie leerlingen legde in de verschillende centra van het islamitische gebied de basis voor de ontwikkeling van de lokale rechtstradities. De allerbelangrijkste centra waren (en zijn voor een stuk nog steeds) Mekka en Medina, Kufa en Basra in het huidige Irak, Damascus in het huidige Syrië en in beperktere mate Sana in het huidige Jemen.

Van al de geleerdencentra zijn er uiteindelijk slechts een vijftal uitgegroeid tot grote rechtsscholen (madhab), die zich in geografische regio's ingeplant hebben. Naar die rechtsscholen wordt tot op heden gerefereerd in de islamitische landen. Ze zijn vernoemd naar de grote meesters die aan de basis van de instellingen lagen: de malikitische school naar Malik (vooral toegepast in de Maghreb), de hanefitische school naar abu Hanifa, de shafiitische school naar al-Shafi, de jafaritische school naar Jafar al-Sadiq en de hanbalieten. Elke school heeft zijn eigen stellingen en visies. En die visies spreken elkaar vaak tegen. Dat maakt het voor de doorsneebuitenstaander niet makkelijk.

Op den duur kwamen er zoveel strekkingen en interpretaties dat het onwerkbaar werd. Aan die wanorde maakte de geleerde al-Shafi een einde. Hij legde in de negende eeuw vast dat de koran en de soenna als de twee hoofdbronnen van het islamitische recht moesten worden gedefinieerd en hij hamerde erop dat na de koran de overlevering van het juridisch relevante gedrag van de profeet onontbeerlijk was en voorrang verdiende boven alle (tijdsgebonden en eigen) hulpmiddelen om rechtsoplossingen te vinden. Die interpretatie werd nadien door de meeste islamitische rechtsgeleerden aanvaard.

Ondanks alle pogingen om het islamitische recht meer te uniformiseren, treft men vandaag toch weer weinig uniformiteit aan. Hoe komt het dat men in Saoedi-Arabië handen afhakt in naam van het islamitische recht en in Tunesië niet? Het antwoord is simpel: door de invloed van Europa. De staat werd ook in vele islamlanden de ultieme bron van het recht en westerse wetboeken werden ingevoerd. Voor de islamitische rechtsgeleerden was dat een harde dobber. Hun alleenrecht om rechtsregels te formuleren werd sterk aangetast. De overgang van het eeuwenoude islamitische recht naar het Europese recht gebeurde soms verschrikkelijk abrupt. Egypte bijvoorbeeld voerde in 1883 wetboeken van Franse oorsprong in op het gebied van burgerlijk, handels-, straf- en procesrecht. Meteen werd een nieuwe rechterlijke organisatie naast de shariarechtbanken in het leven geroepen. Landen die pas veel later aan de westerse invloeden werden blootgesteld, zoals Saoedi-Arabië en Afghanistan, blijven tot op heden het oude islamitische recht gewoon toepassen.

In de loop van de twintigste eeuw besloten de leiders van de islamitische landen om zelf over te gaan tot ingrijpende hervormingen in hun rechtssysteem waardoor vaak meer dan duizend jaar oude structuren gewijzigd werden.

Zo werd in bijna alle islamitische landen het familie- en erfrecht geheel of gedeeltelijk hervormd en gecodificeerd. Met die ingrijpende verandering wilde men onder meer de juridische positie van de vrouw verbeteren. In de meeste landen werd een minimumleeftijd ingevoerd waarop islamitische meisjes mogen huwen. Er werden ook beperkingen opgelegd aan het dwangrecht van huwelijksvoogden over meisjes, en in veel landen werd de polygamie verboden (zoals in Tunesië) of via strenge voorwaarden zo moeilijk gemaakt dat nog maar weinig mannen eraan denken met vier vrouwen tegelijk gehuwd te zijn. Er werd gesleuteld aan het eenzijdige verstotingsrecht van de man en aan de gronden waarop de vrouw echtscheiding kan aanvragen. En zo werd, veertien eeuwen na de eerste pogingen van Mohammed, het islamitisch recht opnieuw vrouwvriendelijker gemaakt.

Anno 2001 lijkt het koranische erfrecht oubollig en vrouwonvriendelijk, maar in de tijd van Mohammed was het revolutionair

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234