Zondag 25/09/2022

Het literaireegotrippen

Prestigieus, zo wordt de reeks Privé-domein steevast genoemd. Sinds 1966 publiceert De Arbeiderspers onder die noemer allerlei egodocumenten, waaronder de meest sprankelende geschriften van de meest ronkende namen uit de wereldgeschiedenis. De laatste jaren leek het echter alsof de kwaliteitsnorm vervaagd was en alsof alleen nog de vormgeving voor een eenheid zorgde. Maar misschien is dat intussen alweer ten goede gekeerd, onder meer door de uitgave van het 250ste deel, Engelenplaque van A.F.Th. van der Heijden.

'Het pantheon van de literaire ego-literatuur!" Martin Ros, bedenker en redacteur van de reeks, herhaalde het in ieder interview. Tijdens zijn jaren als "uitgeversknecht" liet hij niet na om onstuimig zijn Privé-domeinreeks aan te prijzen. En de fondslijst van brievenboeken, dagboeken en andere memoiresgeschriften oogt inderdaad indrukwekkend; schrijvers als Gustave Flaubert én George Orwell, Thomas Mann én Virginia Woolf, Fernando Pessoa én Friedrich Nietzsche, Walter Benjamin én Bertold Brecht, naast minder voor de hand liggende kunstenaars die echter ook meeslepend autobiografisch proza produceerden, zoals Dmitri Sjostakovitsj of Hector Berlioz.

Op de Frankfürter Buchmesse pakte De Arbeiderspers er dan ook opzichtig mee uit. In andere taalgebieden bestond er immers, aldus Ros, "geen reeks die zo gevarieerd is als de onze. Japanse collega's gaan van hun stokje als ze Privé-domein op de Frankfürter Buchmesse uitgestald zien staan. Nergens anders zijn zoveel wereldkopstukken bij elkaar te zien."

Ros kwam op het idee voor de reeks door de Franse schrijver Paul Léautaud. Diens Journal particulier was destijds door een kleine uitgeverij in Monte Carlo gepubliceerd onder de naam Domaine Privé. Dankzij Léautaud kon Ros ook zijn directeur, de kort daarna gestorven Joop Veeninga, warm maken voor het project. "Plotseling zag ik het voor me", zei Ros later in een van de vele interviews over zijn uitgeversexploten, "een wereldserie waarin dagboeken, brieven en herinneringen elkaar de hand zouden kunnen reiken."

Met Léautaud deelde Ros ook de liefde voor memoiresgeschriften. In zijn negentien delen tellend dagboek schreef de Franse schrijver wat de Nederlandse uitgever vaak als een soort van motto bij de reeks zou herhalen: "Ik houd het meest van herinneringen, intieme dagboeken, brieven en bekentenissen. Als ze helder en waarachtig geschreven zijn, door lui met pit, die een welgevuld leven achter zich hebben, door mensen die weten te observeren en te vertellen en die de kunst van het overdragen in woorden verstaan, ja, dan zijn dat de enige boeken die waard zijn gelezen te worden."

Toch was het eerste deel niet van Léautaud. De reeks werd begonnen met Herinneringen aan mijn roomse jeugd van Mary McCarthy. Ook een trouvaille van Ros, en wel om particuliere redenen: "Ik had me hartstochtelijk voorgenomen dat ikzelf het honderdste deel zou schrijven, namelijk de herinneringen aan mijn eigen roomse jeugd." (Het honderdste deel werd echter Het roer kan nog zesmaal om van Maarten 't Hart, en het tweehonderdste De buitenkant van Gerrit Komrij. In 1995 zei Ros nog aan interviewer Piet de Moor: "Nu kan ik me troosten met het vooruitzicht dat ik binnen een jaar of vijf de reeks afsluit met zeg maar het 250ste deel." Intussen heeft hij z'n boek, Herinneringen aan mijn rijke roomse jeugd, gepubliceerd, maar wel bij uitgeverij Aspect/De Prom (de toen aan het roer staande directeur van AP zag het niet zitten in de door Ros begonnen reeks.)

In de beginjaren was er weinig eenheid in de reeks. Naast literaire memoires verschenen er ook volstrekt aliteraire, zoals de herinneringen van een Londens hoertje. "Ons criterium was dat het altijd een zeer persoonlijk, boeiend en intrigerend verteld levensverhaal moest zijn", verklaarde Ros in een gesprek met Maarten 't Hart naar aanleiding van het honderdste deel: "Zelf heb ik nu eenmaal een aantal omnivore afwijkingen." Maar hij gaf ook toe dat het verwarring wekte, waardoor sommige kopers zich al eens bedrogen voelden. Privé-domein kreeg pas een eenheid van kwaliteit met de komst van Theo Sontrop als directeur van AP in 1972.

Wel homogeen van in het begin was de stijlvolle vormgeving, met de typerende voorplatten van Kees Kelfkens (en na diens dood van Marjo Starink), de typografie van Wim Mol, en het crèmekleurig gevergeerd papier, dat voor een deel het exquise karakter van de reeks bepaalde. In de begintijd was er nog meer, zoals vormgever Kelfkens schrijft in de gelegenheidsuitgave Privé-domein 1966-1984: de boeken werden "op Franse wijze niet-opengesneden in de handel gebracht". Nu zijn die eerste uitgaven wel wat waard bij antiquaren, maar destijds werd er verbijsterd, soms zelfs furieus, op gereageerd. Ros verhaalt het graag met monkelend plezier: "De lezer moest zichzelf met een mesje een weg door het boek banen. Dat had catastrofale gevolgen. Afgezien nog van het feit dat vele lezers de vingers in plaats van een mesje gebruikten, kregen we honderden exemplaren teruggestuurd van de boekhandels."

Ook oud-directeur Sontrop getuigt in een recent interview met Piet Piryns van die soms heftige reacties, bijvoorbeeld van leden van een boekenclub die hun boek dus onopengesneden aankregen: "Het regende bedankjes! Die randdebielen hadden nog nooit zoiets gezien: ze hadden een boek gekregen waar iets mis mee was. Ze probeerden het zelfs met hun vingers open te scheuren. (...) Als ik bij antiquaren kwam, zag ik vaak rafelige exemplaren van Privé-domein op de plank staan verstoffen - mijn hart bloedde. Uiteindelijk heb ik in arren moede toch moeten besluiten de boeken te laten opensnijden." In 1974 besloot Sontrop dan, volgens Kelfkens "onder luid ach-en-wee-geroep van de liefhebbers", de boeken voortaan schoon gesneden te doen afleveren, te beginnen met nummer 26, Toergenjevs Herinneringen.

De reeks was commercieel niet bepaald een succes. Het begon pas iets beter te lopen met enkele sellertjes, zoals de memoires van Paustovskij en het door Gerrit Komrij vertaalde en ingeleide Mijn leven als genie van Salvador Dalí. Maar de echte doorbraak kwam er pas door Omzien in verwondering, herinneringen van de Nederlandse Annie Romein-Verschoor, waarvan de oplage boven de 75.000 uitkwam. Ros: "Door het grote succes van Verschoor was de belangstelling voor heel de serie meteen gewekt. Daardoor durfden we ook steeds meer aan en schrokken we niet terug om erg dikke boeken uit te geven, overigens niet alleen herinneringen van schrijvers, maar ook van schilders, beeldhouwers en componisten."

Toch bleef het financieel moeilijk. Volgens Sontrop was de reeks net zelfbedruipend, dankzij de bestseller van Verschoor en enkele bescheidener succesjes met boeken van Canetti, Paustovskij, en Herzen. Dat is zo gebleven. Toen ik Ros in 1991 interviewde herhaalde hij het nogmaals: "Het blijft een reeks die niets opbrengt. Die boeken worden heel traag verkocht, bovendien hanteren we het principe dat we ze niet verramsjen." Zijn opvolgers hebben alvast die regel overtreden, nu liggen er enkele delen bij De Slegte, overigens niet meteen de meest interessante.

Intussen won de reeks aan prestige, zeker bij bibliofielen en recensenten. Adriaan Morriën, die later zelf twee boeken in de reeks publiceerde, schreef destijds in Het Parool dat het opzetten van Privé-domein bewees dat de wereld toch vooruitging. Maarten 't Hart, in de jaren zeventig een gulzig recensent, somde later zijn lievelingsdelen op: het eerste deel van Paustovskij - "Sindsdien wachtte ik vol ongeduld op alle andere delen" - en verder de boeken van Canetti, Behan (Bekentenissen van een Ierse rebel), Brouwers (Mijn Vlaamse jaren) en de brieven van Flaubert: "Die brieven zijn de meest levendige ontkenning van Flauberts eigen stelling dat een schrijver nooit persoonlijk mag zijn."

"Wat Privé-Domein zo leuk maakte", zo meent Sontrop, "was dat er schrijvers in opdoken waarvan in Nederland nauwelijks iemand gehoord had." Paustovskij is één voorbeeld, en voor vele Nederlanders waren de gebroeders Jules en Edmond de Goncourt met hun dagboeken dat ook: "Ik wilde de ongekuiste versie", zegt Sontrop, "Ik ben nog altijd trots dat ik toen heb doorgezet, want het is een van de grootste successen uit de reeks geworden." Volgens Ros bepaalde precies de verscheidenheid "op hoog niveau" de aantrekkingskracht van de reeks: "Als uitgever heb ik me nooit ideologisch vastgelegd. Daarom vind je in Privé-domein Sartre en Bakoenin naast Jünger en Céline."

Opmerkelijk was ook dat andere uitgevers zich collegiaal opstelden. De Bezige Bij bijvoorbeeld, waarbij het werk van Nabokov en Sartre verscheen, maakte geen bezwaar tegen uitgaven in Privé-domein. Uitgeverij Bert Bakker stond Graham Greene en Annie Salomons af en Johan Polak deed hetzelfde met het autobiografische werk van Canetti. Precies omdat die boeken pasten in de reeks, die steeds meer een air van bibliofiele chic kreeg. Daar werd overigens door de uitgeverij op ingespeeld, zo liet ze ooit door de beeldhouwer Lancelot Samson boekensteunen vervaardigen met de koppen van grote Privé-domeinauteurs Flaubert en Paustovskij.

Geprezen door kenners en liefhebbers, maar daarom nog niet door het grote lezerspubliek. Dit tot ongenoegen van de opvolger van Sontrop als directeur bij AP, Ronald Dietz. Zoals Jeroen Brouwers in zijn polemiek tegen Dietz beschrijft, klaagde hij erover dat die boeken met een oplage van 2.000 exemplaren soms tien jaar in het magazijn bleven liggen.

Terwijl er aanvankelijk karig omgesprongen werd met Nederlandstalige schrijvers in het pantheon van de ego-literatuur leek het er in de jaren negentig niet meer zo selectief aan toe te gaan. Sontrop huldigde het principe dat hedendaagse auteurs uit het eigen taalgebied alleen in aanmerking kwamen als "we een kroon op hun kop wilden zetten". Dat was dan bijvoorbeeld het geval met auteurs als Brouwers, Komrij, 't Hart, Geerten Meijsing en Cees Nooteboom. Later viel die eer ook aan Koos van Zomeren en Paul de Wispelaere te beurt. Het leverde haast zonder uitzondering boeiende boeken op.

Tijdens de Dietz-jaren verscheen echter ook werk van inferieure kwaliteit van hedendaagse Nederlandse schrijvers. Zoals Brouwers in zijn polemiek waarschuwde, dreigde "een van de meesterprestaties van Sontrop en Ros" verkwanseld te worden. Op de fondslijst verschenen, naast Thomas Mann en Isaac Bashevis Singer, ook namen van modale AP-fondsauteurs die een autobiografisch werkje hadden geschreven. De vertalers Jan Schalekamp en Rudolf Bakker bijvoorbeeld behoorden plotseling met vooral melige reisanekdoten ook tot het pantheon van de literaire ego-literatuur.

Met de eeuwwisseling in het vooruitzicht gaf Dietz ook aan enkele fondsauteurs, onder wie Rogi Wieg en Ronald Giphart, de opdracht een dagboek van een jaar bij te houden. Ook dat haalde het prestige naar beneden. Sontrop kan er nog steeds over fulmineren: "Waarom zou je iemand die van nature die aandrang niet voelt aan het werk zetten, terwijl hij misschien wel niets meemaakt of een onbenullig gedachteleven heeft? Ik vind het een domme, modieuze poging tot actualisering. (...) Privé-domein heeft niets met bekentenisliteratuur van doen. Het is reflectieliteratuur: het zijn veelal schrijvers die op een koele manier tegen de wereld aankijken en hun gal op het papier gooien."

Ondertussen rommelde het hevig in het huis van De Arbeiderspers onder Dietz. Nadat na Brouwers ook Komrij van uitgever veranderde, werd de directeur aan de kant gezet. Zijn opvolger lijkt nu de Privé-domeinreeks toch weer in ere te willen herstellen. De recent aangekondigde uitgaven, met werk van Anna Achmatova, Georges Perec, en Ryszard Kapuscinski doen alvast het beste hopen. Zo ook de keuze om als 250ste deel uit te pakken met A.F.Th van der Heijden, die in de goede auteurstraditie inkijk geeft in zijn literaire huishouden. Er is weer hoop op de parnassus van de ego-literatuur.

Johan

Vandenbroucke

'Het pantheon van de literaire ego-literatuur!' Martin Ros, bedenker en redacteur van de reeks, herhaalde het in ieder interviewNergens anders ter wereld zijn zoveel wereldkopstukken bij elkaar te zien, aldus Martin Ros

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234