Maandag 03/10/2022

Het museum versus de tijd

Drie jaar geleden arriveerden de eerste kostbare schilderijen voor Paris-Bruxelles al terwijl het museum nog vol bouwvakkers liep. Stilaan doemt het schrikbeeld weer op in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. 'Als de tweede renovatiefase niet klaar is tegen 2003, zit ik met een groot probleem,' zegt hoofdconservator Robert Hoozee.

Ongeduldig ziet de immer rustige hoofdconservator er niet uit, maar het laat zich raden dat hij af en toe de klok hoort tikken. "Als je door de oude zalen loopt, dan is het licht maar triestig en vaal," zegt Robert Hoozee. "In de zomer is het veel te warm. En in de winter is het veel te droog. Dat geeft schade. Heel langzame schade. Dat zijn schilferingen op schilderijen. Heel het schilderij is daardoor niet kapot. Maar panelen werken voortdurend. Als die geen constante relatieve vochtigheid hebben, dan is dat zoals een meubel bij u thuis, dat staat te kraken.

"Daardoor is het ontzettend moeilijk om bruiklenen te krijgen. Er wordt ook geweigerd. Er zijn er die we niet durven vragen natuurlijk. Je kunt maar beginnen onderhandelen als je op een zeker niveau staat. Paris-Bruxelles heeft ons op een zeker niveau gebracht. Op basis daarvan kun je verder. Maar dat vertrouwen kan onmiddellijk beschaamd worden als het niet bestendigd wordt. De grootste handicap is natuurlijk dat je zelf niet de topstukken zitten hebt die zij ook begeren. Want zo werkt het. Het Orsay-museum kan zeer gemakkelijk een Monet vragen in New York, omdat ze in New York ook wel eens een Monet vragen aan Parijs. Ik kan hier wel vroeg of laat een Géricault-tentoonstelling maken omdat wij hier een Géricault te 'verkopen' hebben, maar dan zijn we ook uitverteld. Dat heeft dus niets met het gebouw te maken."

Vijf jaar geleden klaarde de hemel boven het Gentse museum voor het eerst wat op. Het SMAK van Jan Hoet (toen nog Museum van Hedendaagse Kunst), dat sinds 1975 in de achtervleugel (uit 1913) woonde, verhuisde naar de overkant van de straat, waardoor ongeveer een derde van het gebouw gerenoveerd kon worden, een operatie die twee jaar duurde. "We kunnen nu een groter stuk van de collectie tonen. Als we vroeger een tentoonstelling zoals Mise-en-scène zouden hebben gehouden, dan zou heel de moderne kunst in de kelder zijn beland. Nu kan men toch al een stuk van het expressionisme en de 19de eeuw bekijken."

Opluchting, maar tegelijk een beproeving. Want de grote tweede fase, die een deel van de voorste vleugel (uit 1902) en de onderkant van de achtervleugel moet aanpakken, wil maar niet beginnen. "Het gaat allemaal langzamer dan we gedacht hebben. Tussen fase 1 en 2 zijn al drie jaar gepasseerd. Voor het museum zijn dat verloren jaren, we hadden al veel verder kunnen staan. De mensen die Mise-en-scène bezoeken, vragen nu al wat ons volgend project is. Er wordt ons een zeker ritme opgedrongen. Als we eens een paar jaar niets doen, zal de overheid de eerste zijn om te zeggen dat hier niet veel gebeurt. Wij kunnen veel doen, we hebben veel dingen gereed zitten. Nochtans heeft de stad het geld gereed liggen, maar we wachten nog op de subsidie van de Vlaamse overheid. Dat duurt allemaal lang. Die subsidies zitten over drie dossiers verspreid. Ik heb gehoord dat het eerste dossier er door zou zijn.

"Het vervelende voor mij is dat ik moeilijk een timing kan maken. Als ik niet kan zeggen wanneer de werkzaamheden beginnen en eindigen, hoe moet ik daar dan mijn programma gaan inpassen? Ik kan een mooi project plannen maar plots kan ik dan in de verbouwing zitten. De werkhypothese voor fase 2 is dat die na de zomer zou kunnen beginnen, met de afwerking in 2002. In de lente van 2003 heb ik een grote tentoonstelling over twee eeuwen Engelse landschapsschilderkunst, met Gainsborough, Turner en Constable. Het wordt een tentoonstelling die je qua belang met Paris-Bruxelles kunt vergelijken. Ze wordt gemaakt samen met de British Council en met twee musea, het een in Ferrara , het ander in München. Echt een project waar je lang genoeg op voorhand aan moet beginnen. En je moet ook kunnen garanderen dat je museum in orde is tegen dan. Op dat niveau kun je geen bruiklenen krijgen als je daar nog met aannemers zit. Als tweede fase niet klaar is, zit ik met een groot probleem."

Hoozee weet waarover hij spreekt, want ook de eerste renovatiefase was een zenuwslopende wedren tegen de tijd. "Paris-Bruxelles was al in opbouw toen de aannemer hier nog bezig was. Het is uiteindelijk allemaal in orde gekomen maar het was echt kantje boord. Het was een ramp geweest als de verbouwing niet klaar was geraakt. Dan hadden ze hun werken teruggenomen. Mijn collega Anne Pingeot (hoofdconservator van het Parijse Musée d'Orsay, RP) zei, toen ik met haar in de lift stond: hadden we geweten dat het zo was, dan was het misschien niet doorgegaan. Het was hier meer dan 30 graden warm. En toen kwamen al die convoyeurs hier met hun Manets en Millets. Zoiets zouden we niet meer mogen beleven."

Aangezien het bijna honderd jaar oude museumgebouw nog nooit grondig gerenoveerd is, zal de hele modernisering een slordig half miljard kosten. Met zo'n prijs kun je niet anders dan faseren, zegt Hoozee. In het Gentse museum is dat niet zo'n probleem, omdat het makkelijk in compartimenten te verdelen valt. Bovendien vermijd je een pijnlijke jarenlange sluiting. "Maar tegelijk bestaat het gevaar dat men het heel lang kan rekken. Dat is wat nu gebeurt." Hoozee hoopt dat de laatste zalen tegen 2005 gerenoveerd zijn. "Ik pleit ervoor dat het na 2003 in een grote fase afgewerkt kan worden, dat we gerust zijn voor de komende generaties. Want als we nu nog vertrekken voor vier, vijf fasen, dan kun je nog tien, twintig jaar bezig zijn. Dat kan natuurlijk wel, maar het druist in tegen het wezen van een museum, dat in orde moet zijn.

"Van een museum wordt tegenwoordig verwacht dat het zijn collectie optimaal presenteert. Iedereen spreekt daar nu over: de tijd van de tentoonstelling is aan het voorbijgaan. Akkoord. En ik wil ook niet liever dan de permanente collectie even mooi presenteren als een tentoonstelling, met de juiste belichting, teksten aan de muur, en wat weet ik allemaal. In onze planning hebben we beneden in de vleugel-1902 een ruimte voor kleine tot mediumtentoonstellingen, zoals Mattis-Teutsch vorig jaar, of de zomeropstelling. De bovenverdieping kan daardoor volledig voor de vaste collectie worden gebruikt. We willen er bepaalde ensembles maken, we denken bijvoorbeeld aan een Minne-zaal, aan een groot ensemble expressionisten, het fin de siècle. Maar dan moet je het ook een tijd kunnen laten staan, en het niet om het jaar deels ontruimen voor een project. Bij mijn weten is de permanente collectie nooit op volle kracht getoond."

Op dit moment toont het museum het voortreffelijke Mise-en-scène, met 19de-eeuwse schilderijen waarop keizer Karel en andere vorsten te zien zijn. Het is een zoveelste uiting van Hoozees ambitie om van Schone Kunsten in Gent een museum van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw te maken. "Ik ben de mening toegedaan dat musea in Vlaanderen te weinig profiel hebben. De klassieke musea doen allemaal hetzelfde. Als je dat vanuit het buitenland bekijkt, dan is er geen speciale reden om naar het een of ander te gaan. Elk museum zou zijn algemeen overzicht kunnen hebben maar daarnaast ook een specialisme. Dit museum zou de plaats kunnen zijn voor de 19de eeuw en de klassieke moderne kunst."

Maar koken kost geld natuurlijk. Op dat vlak betekende het Vlaamse museumdecreet een stap vooruit, zegt Hoozee. Zo kan hij voor aankopen van tijd tot tijd op een aanzienlijke Vlaamse subsidie rekenen. Twee jaar geleden kocht hij het volledige etswerk van James Ensor: de Vlaamse overheid betaalde 10 van de 30 miljoen frank. De rest kwam van de stad, die jaarlijks 1,8 miljoen geeft voor aankopen, en de opbrengsten van Paris Bruxelles. Sindsdien haalde Hoozee ook een tekening van Odilon Redon (7 miljoen) en een klein schilderij van Max Ernst (3 miljoen) binnen.

Wat niet wegneemt dat het duur winkelen is. "Als museum voor klassieke moderne kunst zitten we in een duur segment. Een tekening kost gemakkelijk 5, 6 miljoen. Voor een schilderij van kwaliteit moet je 20 miljoen en meer rekenen. En dan zit je nog niet aan de top natuurlijk. Je moet niet hopen dat je nog aan een Picasso of een Monet zou geraken. Tenzij er eens een schenking zou komen, maar in België is dat jammer genoeg vrijwel onbestaande. Als men zou willen dat die collectie in een periode van tien jaar zichtbaar wijzigt, dan zou je jaarlijks 40 miljoen nodig hebben. Het is natuurlijk onnozel om te hopen dat ooit te krijgen."

Vorig jaar pakte Gent naast een groot schilderij van Max Ernst. "Ik dacht dat we 33 miljoen konden mobiliseren, een stuk van ons, verhoopte subsidie, eventueel met een afbetaling over enkele jaren. Maar het museum van Düsseldorf is ons voor geweest voor 36 miljoen. Ik moest op een namiddag beslissen of ik 36 miljoen had, maar als je zelfs die 33 miljoen niet liggen hebt, dan pak je ernaast. Düsseldorf kon die miljoenen meteen op tafel leggen. Wij moeten altijd aan de eigenaar vragen: geef mij de tijd om het bedrag bijeen te krijgen. Het is een heel ander systeem als je over een reserve zou beschikken, een fonds. Men heeft wel fondsen zoals de Boudewijnstichting, maar het zou ook interessant zijn als we zelf zo'n pot zouden hebben."

Dergelijke buitenlandse werken hebben wel degelijk hun plaats in een Gents museum, vindt Hoozee. "Max Ernst was in die tijd, de jaren twintig, de tweede figuur in België, naast Magritte. Hij stelde hier dikwijls tentoon, werd hier zeer graag gezien, heeft hier zeer veel invloed gehad, bijvoorbeeld op Frits Van den Berghe, die in het museum zeer goed vertegenwoordigd is met surrealistische werken die zonder Max Ernst ondenkbaar waren. Al die invloeden en relaties zijn totaal verdwenen uit aankooppolitiek van de laatste decennia. Niet alleen in Gent trouwens.

"Op dat punt was Gent vroeger wel belangrijker. Want we hebben toch die Géricault, we hebben die Corot - men kocht in het buitenland. Gent had toen een goede periode. Er waren industriëlen die het museum steunden, een belangrijke vriendenvereniging die toen werd gesticht. Gent beleefde een soort van renaissance, met de bouw van het museum als hoogtepunt, want er zijn weinig musea gebouwd in België. Na de Eerste Wereldoorlog is die renaissance ingezakt. Ik zou daar opnieuw willen bij aanknopen."

In 1997 benoemde de Vlaamse regering Hoozee tot hoofdconservator van het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten. Maar na zijn eerste werkweek hield hij het al voor bekeken. De overstap deed hem beseffen dat zijn toekomst eigenlijk in Gent lag. Heeft hij nu, drie jaar later, geen spijt van die ongewone beslissing? Want echt vooruitgegaan is het Gentse museum niet. "Ik denk nog dikwijls aan die beslissing. Maar ook in Antwerpen is niet veel gebeurd. Het is Belgisch dat het zo traag gaat. Ik weet nu dat het een goede beslissing is geweest. Ik denk dat mijn plaats meer hier is, een museum dat zich rond mijn periode profileert, dat daar stilaan mee geïdentificeerd is geraakt - dankzij mij ook hoop ik. En dat ik dat verder kan uitwerken.

"Dat neemt niet weg dat ik regelmatig nog eens terugdenk aan die beslissing. Vooral als ik geconfronteerd word met te weinig middelen, denk ik soms: had ik misschien toch niet beter... Maar ja, het zal mijn lot blijven om met weinig middelen dingen te proberen. Het is daar ook geen luxe in Antwerpen, maar het is toch een groot verschil. Achteraf bekeken denk ik dat heel die move naar Antwerpen voor mij op het verkeerde moment gekomen is, midden in Paris Bruxelles nota bene. Ik kon daar niet goed over nadenken. Ik kan daar heel veel over zeggen. (lacht) Ik zit nogal dikwijls met afterthoughts. Dat is normaal ook. Maar ik denk dat het goed is. En ik heb ook de beste verhouding met diegene die het nu doet (Paul Huvenne, RP). Hij zit daar meer op zijn plaats dan ik omdat dat museum toch vooral een Rubens-museum is. Hij doet dat goed, denk ik."

Mise-en-scène. Keizer Karel en de verbeelding van de 19de eeuw loopt nog tot 19 maart in het Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, Gent. Open van 10 tot 18 uur, op woensdag tot 21 uur, gesloten op maandag. Toegang: 280 frank (6,94 euro). Combinatiekaartje met Carolus in de Sint-Pietersabdij: 500 frank (12,39 euro).

'Het gaat allemaal langzamer dan we gedacht hebben. Tussen fase 1 en 2 zijn al drie jaar gepasseerd. Voor het museum zijn dat verloren jaren'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234