Vrijdag 30/09/2022

Het zwakke broertje van de kunsten

Bruegel en Rubens als gidsen tot de renaissance- en barokarchitectuur in België

door Leen Huet

Rutger Tijs

Lannoo, Tielt, 224 p., 2.950 frank.

Een nieuw boek over renaissance- en barokarchitectuur in België? Ik zat erop te wachten, meer bepaald op een nieuw boek over barokarchitectuur. Zodat meteen de vraag rees: is het onderwerp niet te ruim bemeten, met die twee perioden? Natuurlijk, alles wat als renaissancistisch of barok zou kunnen gelden, moet Italiaanse invloeden vertonen, Italiaanse modellen nabootsen of interpreteren. Daarvoor heb je als architect een trendbewuste, kapitaalkrachtige bouwheer nodig. Daar zijn er altijd te weinig van. Het gros van de vijftiende-, zestiende- of zeventiende-eeuwse architectuur zal helemaal niet renaissancistisch of barok geweest zijn. Wat het dan wel was, hoe de contrasten werkten, wordt uit dit boek niet zo duidelijk.

De auteur, Rutger Tijs, heeft het hier en daar wel over de traditionele zand- en baksteenstijl; dat roept meteen beelden op van mild gepatineerde oude muren, maar daar blijft het bij. Alleen de gevel van de augustijnenkerk in de Antwerpse Kammenstraat, vanaf 1615 gebouwd door Wenzel Cobergher, biedt een fraai en harmonisch voorbeeld van de manier waarop een architect de plaatselijke materialen en technieken kon aanwenden voor een nieuwe expressie. Hoe een gewone straat er in die tijd uitzag, lijkt echter onherroepelijk verloren gegane informatie.

Zoals iedereen werd Rutger Tijs geconfronteerd met een stortvloed aan kunsthistorische belangstelling voor de schilderkunst in deze periode. Architectuur is, wanneer de publicaties nageteld worden, absoluut het zwakke broertje van de drie kunsten, en dat maakt het schrijven van een overzichtswerk er niet eenvoudiger op: er is nog altijd te weinig fundamenteel onderzoek gebeurd. Gebouwen kunnen ook moeilijk verplaatst worden voor tentoonstellingen, hun onderling verband is dus niet gemakkelijk vast te stellen en maar weinig mensen interesseren zich voor de naam van de architect wanneer ze een oud gebouw voorbijlopen. Bovendien vond een groot deel van de architectuurgeschiedenis plaats op papier, in verhandelingen en modelboeken.

Daarom begint dit boek ook met de herontdekking van het manuscript van Vitruvius' traktaat in de bibliotheek van de abdij van Sankt Gallen. Dat gebeurde in het jaar 1416; de vroege humanisten, met hun zin voor public relations, noemden het een herontdekking - in feite werd het manuscript waarschijnlijk eeuwenlang gebruikt door de bouwmeesters van de kloosterorden. Hoe dan ook, de bouwmeesters van de Renaissance hadden voortaan hun bijbel, een verhandeling over de architectuur door een wat obscure architect uit de tijd van keizer Augustus.

De andere grote pool van renaissance- en barokarchitectuur in België is Rubens' plaatwerk Palazzi di Genova (1622). Rubens publiceerde deze herinnering aan de weelderige stadspaleizen van zijn Italiaanse thuishaven als een soort aanmoediging voor Antwerpse bouwlustigen. Zijn eigen huis, aan de Wapper, zou vooral in bepaalde aspecten van het interieur en de tuinaanleg aan deze grandioze voorbeelden beantwoord hebben. Rubens' dood viel samen met het begin van het economisch einde in de Zuidelijke Nederlanden. Groeide er tijdens zijn leven volgens buitenlandse bezoekers al gras in de straten van Antwerpen, later noteerden ze dat er minstens achthonderd winkels leegstonden. Men kan begrijpen dat er in dergelijke omstandigheden weinig behoefte was aan nieuwe architectuur.

Een vreemde trek van dit boek is dat de ontwikkeling van de bouwkunst grotendeels een zaak van schilders geweest lijkt te zijn. Men vindt er geen uitgebreide uitleg in over het leven en de denkbeelden van de architecten Jacques du Broeucq, Wenzel Cobergher, Jacques Francquart of de broeders Huyssens en Van Zinnicq - zaken waar ik op gehoopt had. In plaats daarvan wordt de vernieuwing geschetst met behulp van de figuren Pieter Bruegel en Peter Paul Rubens. Vooral Bruegel kan verbazing wekken: de schilder van strodaken en pittoreske boerenschuren verbind je niet gauw met de intellectuele koelte van de renaissancebouwkunst. "In feite fungeert Bruegel in de hele context telkens als een toevallig passant, wiens rol nooit juist omschreven is en over wiens achtergrond men in het duister tast, maar die steeds op cruciale scharnierpunten in het architecturaal verhaal voorkomt."

De context is zijn leertijd bij Pieter Coecke, die enkele geschriften van de architect Sebastiano Serlio, gebaseerd op Vitruvius, vertaalde en uitgaf; en de losjes daarmee verbonden schilder Lambert Lombard uit Luik, die een beroemde "academie" stichtte en mogelijk ook Bruegels streekgenoot Willem Key uit Breda opleidde. Daarnaast was Lombard de leermeester van Frans Floris, de enige andere kunstenaar wiens werk naast dat Bruegel talrijk voorkwam in de verzameling van de Antwerpse bankier Niclaes Jonghelinx.

Tijs' idee is op zich wel interessant. Historici hebben zich dikwijls het hoofd gebroken over de band tussen Coecke en Bruegel: de stijl van de leermeester is namelijk nergens bij de leerling terug te vinden. Tijs wijst dan op Bruegels eigenzinnige gebruik van perspectief, dat wel met Coeckes eerstehandsinformatie op dit gebied te maken zou kunnen hebben. Coeckes publicaties inspireerden op hun beurt Hans Vredeman de Vries, wiens boeken over perspectief zeer invloedrijk zouden worden in heel Noord-Europa. Vredeman en Bruegel kenden elkaar ook goed en haalden wel eens grappen uit met elkaar - Vredeman had voor een opdrachtgever een trompe-l'oeil zomerhuis geschilderd, waaraan Bruegel een smoezelig vrijend boerenpaar toevoegde; "waerom seer gelachen".

De auteur heeft gelijk wanneer hij opmerkt dat de architect in deze periode geen duidelijk omlijnde figuur is. "Precies daarom is een ingang via de schilderkunst, de tekenkunst, de boekdrukkunst of welke kunst dan ook zo belangrijk om de stilistische eigenheid van sommige architectuurstromingen, die aan het traditionalisme ontsnapten, te kunnen verklaren." Een Antwerps processtuk uit 1595 behandelt een dispuut tussen het metselaarsambacht en enkele beeldsnijders over wie nu eigenlijk het recht had om zich meester-architect te noemen. De beeldsnijders meenden dat het hun toekwam, maar metselaars, timmerlui, zilversmeden en schilders hadden van oudsher dezelfde aanspraken. Een uitgebreidere analyse van dit proces zou boeiend geweest zijn om de lezer de situatie op het terrein te leren kennen.

Het probleem met Renaissance- en barokarchitectuur in België is dat je verdrinkt in de brede aanpak van het onderwerp. Uit de inhoudsopgave valt nauwelijks een bepaalde richting van het betoog af te leiden, de bekendste architecten uit deze periode moeten het met korte vermeldingen stellen, terwijl de auteur zijn aandacht richt op andere zaken en voortdurend dingen lijkt te willen beweren die uiteindelijk toch niet beweerd worden. Zo put hij zich uit om ons op het belang van Rubens' vriend Deodaat del Monte te wijzen, die niet alleen een schilder was maar ook ingenieur-architect en Rubens' reisgezel in Italië. Als lezer ben je ten volle bereid om deze man op zijn verdiensten te waarderen, maar er moet dan wel iets tastbaars tegenover staan: heeft Del Monte Rubens geholpen bij de opmetingen voor Palazzi di Genova, heeft hij Rubens geïnspireerd bij het ontwerp van zijn huis en tuin? Het wordt gewoon nergens duidelijk.

En terwijl de prachtige foto's je doen snakken naar een bespreking van de jezuïetenkerk in Namen of de abdijkerk van Grimbergen, houdt Rutger Tijs ons blijkbaar het liefst binnen de veilige stadswallen van Antwerpen, waar Jacob Jordaens zat te knoeien aan een doodgeboren opdracht voor Inigo Jones' Queen's House in Greenwich.

Indien uitgeverij Lannoo een degelijke redacteur ter beschikking gesteld had, zouden de op zich originele verbanden die de schrijver probeert te leggen, misschien beter uit de verf gekomen zijn: ze verdienen het zeker. Zoals de zaken nu staan, kan men zich nog het best laten drijven op de stroom van foto's met onderschrift (vaak niet verder besproken in de tekst) - waarbij het huis Soër-de-Solières te Luik en de schitterende, vervallende plafonddecoraties van het kasteel Beaulieu in Machelen een trieste getuigenis vormen van de manier waarop men hier met erfgoed omgaat.

In 1595 streden Antwerpse metselaars en beeldhouwers over de vraag wie van beiden het recht had om zich meester-architect te noemen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234