Maandag 26/09/2022

Horen, zien en zwijgen

Op een aquarel van George Breitner staan twee Amsterdamse dienstmeisjes uit lang vervlogen tijden ietwat plechtig in innige, wat angstige omarming. Hun gelaatsuitdrukking is uitgewist, de wijze waarop ze poseren zegt immers alles. Voor mij zijn ze twee dienstmeisjes van bijna zestig jaar geleden: Rosa en Rosa, mijn moeder en haar goede vriendin. Ze groeiden op in dezelfde straat, op zestien moesten ze beiden van school af, vanaf dan gingen ze ‘dienen’. door wouter deprez /

Foto’s Jonas lampens

ijn moeder werd ‘moarte’ (dienstmeid) bij een zelfstandige. Ze at er voor het eerst niet enkel met een vork, maar ook met een mes. Ze zorgde voor de kinderen, ze kookte, ze deed de boodschappen. Maar de echte, échte dienstmeiden, zegt mijn moeder, dat waren de inwonende dienstmeiden. Ik ga er drie opzoeken: mijn moeders vriendin Rosa, die moest, Ivonne, die zelf wilde, en Junna, die het nu nog altijd is.

ROSA DIERYNCK

“Wouter, ik wil niet dat ge zegt welk kasteel dat was!”

Zo enthousiast als Rosa klonk aan de telefoon, zo argwanend opent ze de deur. Haar collega-dienstmeid, met wie ze het interview samen wou doen, doet niet mee en heeft Rosa en passant ook nog een flinke schrik aangepraat.

“Verdorie, ik laat het enkel doorgaan omdat ik het u beloofd had. Ik heb de ganse nacht geen oog dichtgedaan. Daarbij, ik mag u daar alles over vertellen wat ik weet, als ge dat niet meegemaakt hebt, weet ge niet wat dat is, dat was echt een andere wereld.”

Een schuw vogeltje is Rosa plots. We mogen binnen, we krijgen koffie, maar haar hele verhaal door zal ze jojoën tussen argwaan en haar werkelijke, meer ongeremde temperament.

“Dat heeft nu toch geen belang welk kasteel dat precies was? Schrijf maar: een kasteel ergens rond Doornik. Een magnifiek kasteel, hoor.”

Rosa toont ons op het dressoir een porseleinen sierschotel waar ‘haar’ kasteel op afgebeeld staat.

“Daar is geen ruitje dat ik niet gekuist heb! Kijk, dat ziet ge nu niet, maar daar zaten nog kogelinslagen in van de oorlog. Daarmee zeg ik niet teveel, toch? Daar kunnen mensen nog niet aan weten waar het was.”

Tweeënzeventig jaar is Rosa nu, vijftien jaar was ze toen haar broer haar naar het kasteel op het sierbord bracht om daar te gaan werken.

“Met zijn klein Peugeotje. Ik had één blouse en één rok in een tafelkleed gedraaid, in ’53 had ik nog geen valies. Daar stond ik, bleitend in de gang, mijn neus liep en ik had geen zakdoek. ‘Nez, nez’, zei ik tegen madame, dat was al het Frans dat ik kende, en madame gaf mij een zakdoek. Daarna toonde ze mij mijn kamer. Toen ik daar ’s avonds terug heen mocht, moest ik zoeken, ik vond die kamer niet meer.”

Verdwaald en verloren, zo voelde Rosa zich de eerste dagen op het kasteel.

“‘Meiske, ge gaat daar zo goed zijn, als maarte’, had mijn vader gezegd, ‘in het droge, voetjes onder tafel, ge gaat uw Frans leren.’ Ach, het was weer een kind dat ze geen eten moesten geven. Hoe was het vlak na de oorlog? Maar ik versta toch nog altijd niet goed dat ge uw kinderen zo gemakkelijk kunt laten gaan.

“De eerste zondag zat ik in de keuken van het kasteel - ge kunt maar zien dat ge niet zegt welk kasteel! - een brief te schrijven naar mijn ouders dat ik terug naar huis wou, maar madame kwam zeggen: ‘Kamiel, qui travaille ici aussi, lui, il parle le flamand.’ Vanaf toen bracht ik de zondagnamiddagen bij Kamiel door. Zo geraakte ik dat daar beetje bij beetje toch gewoon.

“Voila, weet ge nu genoeg?”

Met een verschrikte gil springt Rosa uit beeld weg als Jonas haar wil fotograferen. Wat voor werk deed ze precies op dat kasteel op die geheime locatie, probeer ik nog. Rosa antwoordt zuchtend, onderwijl elke beweging van Jonas nauwlettend in de gaten houdend.

“We zetten koffie, maakten de bedden op, maakten het eten klaar, dienden het eten op, poetsten koper, blonken de zilveren lepels op, kuisten de ramen. We dweilden elke dag. En het was daar niet klein, hoor! Er was een salon noir en een salon rouge. Koningin Elisabeth had nog in een van die zwarte zetels gezeten. “Als zij er heeft ingezeten, ik ga er mij ook eens inzetten”, zei mijn collega, en ik moest een foto van haar maken.

“Op het kasteel had alles zijn uur en zijn plaats, iedereen wist wat hij wel en wat hij niet moest doen. Twee jaar ben ik bovenmaarte geweest, ik deed de kamers.”

Rosa bedingt met Jonas het volgende compromis: hij mag een paar foto’s maken als zij een mooiere blouse mag aantrekken. Ze is gewoon bezorgd om slechte dingen te zeggen over het kasteel, zegt ze, omdat de kinderen nog leven. Ik antwoord dat ze helemaal niets slechts over haar vroegere werkgevers zegt.

“Waarom zou ik, Wouter? We aten daar bijvoorbeeld zeer lekker. Als ik opgediend had, lieten ze altijd genoeg over voor ons twee. Madame kon álles klaarmaken. We aten ook altijd het schoonste vlees, madame had een lange arm natuurlijk. Rosbief. Stoverij. Niertjes. De eerste keer dat ik artisjok at, zei ik aan de keukenmaarte: ‘Une fleur? Pour manger?’ Ik dacht dat dat een cactus was! Lekker eten, elke dag dessert. Thuis zeiden ze ‘onze viezekonte is er weer’, omdat ik alles schoon begon te zien en aan dat lekker eten gewend was geraakt. ‘Zorg maar dat ge keukenmaarte wordt’, zei mijn vader, ‘dan leert ge lekker koken.’ Ik wérd keukenmaarte, maar toen ik mijn moeder uitlegde dat ze haar witte saus niet met maïzena moest maken, maar met boter, was ze beledigd.”

Het praten over eten doet Rosa verdwijnen naar de keuken. De relatieve onzichtbaarheid stimuleert haar praatlust. Tussen gerinkel van bestek en open- en dichtslaande koelkastdeuren door, vertelt ze verder.

“Madame kon schoon zijn als ze schoon moest zijn, maar ze kon werken ook! Ze heeft mij nog een kalkoen leren pluimen. Het was daar allemaal zeer correct, ge kunt maar zien dat ge daar geen slecht woord over schrijft! Eén keer lag er wel eens vijftig frank op de grond. ‘Madame, j’ai trouvé cinquante francs.’ Dat was om ons te testen waarschijnlijk. Maar ik kwam niet uit dat soort huis.

“Zeer godsvruchtig waren ze ook. De adel en de kerk, dat accordeerde goed. Mijn eerste keer in de kerk daar - ge kunt maar zien dat ge niet zegt waar het was! -zegt de baron: ‘C’est une belle église, hein.’ Ik antwoordde: ‘A Geluwe, plus grand, plus grand.’ Ik wist niet dat de baron de kerk na een brand volledig opnieuw had laten opbouwen!”

Rosa komt de keuken buiten met een koude schotel die recht uit de exquise kasteelkeuken lijkt te komen.

“Vier jaar heb ik daar gewerkt, ingeschreven en al. Ik heb daar mijn Frans geleerd en mijn goede manieren. De industriëlen hebben ook veel geld, maar die hebben die manieren niet, hè. Nadien moest ik in een textielfabriek in Frankrijk gaan werken. In die vier jaar op het kasteel was de wereld veranderd. Op een van mijn eerste dagen in die fabriek zag ik twee zusters swingen op Elvis Presley. Ik wist niet wat swingen was, en ik wist zeker niet wie Elvis Presley was! Dat fabriekswerk was beter betaald, ja. Maar bobijntjes op een machine zetten en draadjes knopen, dat is toch maar triest als ge van een kasteel komt.”

Rosa verdwijnt weer in de keuken, komt terug met verse koffie en een bord koekjes.

“Voila, ge kunt maar zien dat ge hier niks verdraait van wat ik gezegd heb!”, zegt ze, terwijl ze mij met het bord koekjes bedreigt. “Dat waren heel, heel adellijke mensen. Toen madame honderd werd, ben ik haar nog gaan bezoeken in het rusthuis. ‘Madame, c’est Rosa’, zei ik, maar ze herkende mij niet direct. Dat soort mensen is heel hard op zichzelf, hè. Maar na een tijdje zei ze: ‘Mais oui, Rosa. Ca fait longtemps. Ouvre vite une bouteille.’ We hebben samen champagne gedronken op haar honderdste verjaardag, de madame en de maarte. Op het einde van het bezoekje gaf ze mij kussen! ‘Je suis contente que je suis venue’, zei ik. ‘Moi aussi’, antwoordde ze.”

IVONNE & BETTY

Ik was naar Rosa getrokken met in mijn hoofd een boel clichés over de schaamteloze uitbuiting van jonge meisjes door mensen met veel poen en weinig pudeur. Rosa voelde zich echter helemaal niet uitgebuit, integendeel was ze, en nu nog steeds, vereerd dat ze bij het kasteel hoorde. Ze had het gevoel dat ze sociale promotie maakte.

Het is ook de lokroep van het mooie, het verfijnde, het geraffineerde dat Ivonne Scheepmans het voorstel om kamermeisje te worden bij een Brussels adellijk gezin, deed aanvaarden.

“Nochtans leek ik als jongste van tien in een landbouwersgezin voorbestemd voor de boerenstiel. Maar ik had dat niet in mij, die bieten kappen bijvoorbeeld, ik vond daar de juiste slag niet in. ‘Gij dient niet voor het veld’, zei mijn vader altijd. Op mijn veertiende moest ik van school af, op mijn zestiende was ik verloofd, op mijn negentiende was ik getrouwd met een rijkswachter.

“Mijn man was het snel beu in de kazerne, hij wilde alleen gaan wonen. Ik volgde hem, ik ging veel liever naar Brussel wonen dan dat ik hier bleef tussen de boeren. Eerst had ik het moeilijk op dat kleine appartementje in Brussel. Ik kreeg een kindje, maar dat was doodgeboren. Daarna kwam Betty. Toen Betty negen maanden was, trokken we in bij een adellijke familie.”

Betty is Betty Mellaerts, journaliste, interviewster, presentatrice. Tot haar negende woonde ze samen met haar vader en moeder in het koetshuis van het echtpaar Lancksweert-de La Fontaine.

“Mevrouw was een barones, een afstammelinge van de fabelschrijver De La Fontaine. Meneer was een belangrijke generaal van de landmacht. Nu was er in die tijd een generaal kapotgemaakt door zijn kapper. Ze zochten iemand om voor de veiligheid in te wonen bij de generaal, en dat werd mijn man. We gingen boven de vroegere paardenstallen wonen.”

Betty komt erbij zitten als het over het huis van haar prille jeugd gaat. Ivonne loopt ondertussen in gedachten opnieuw door het Brusselse herenhuis, op het Jamblinne de Meuxplein 32. “Groot” is het sleutelwoord in haar ervaring.

“Je kwam binnen door een grote brede ingang die tot achteraan ging, dan had je twee, drie trapjes opzij, en langs een grote deur ging je bij hen binnen. Links was de vestiaire, dan had je de grote bureau van de generaal, dan de grote hal die helemaal tot boven open was, en dan een heel grote kamer waar ze weinig kwamen, met grote schilderijen in grote kaders. Langs een prachtige, chique trap kwam je in het blauwe salon, daarnaast had je de grote eetplaats. Ik zou alles in dat huis nog helemaal kunnen terugzetten zoals het toen was. O, ik was zo verliefd op antiek, zelf heb ik dat nooit kunnen kopen, maar daar zat ik er middenin.”

Betty Mellaerts: “Ergens beneden stond er ook een heel groot harnas. Daar was ik verschrikkelijk bang voor.”

Ivonne: “‘Nee, mama, nee!’ Ik hoor het je nog roepen. Het was het huis van de maîtresse van Napoleon geweest. De muren waren nog met stof behangen in plaats van met papier. Als je met je handen over die stof ging, was je een zwartepiet.”

Toen het kamermeisje van het adellijk gezin te oud werd, nam Ivonne haar functie over. Zes dagen per week maakte ze de bedden op en legde ze de kleren klaar voor de volgende dag. Ze dekte de tafel, trok de stoel achteruit voor mevrouw, haalde het eten uit de lift. Ze diende op, schonk de wijn uit, diende een tweede keer op. Ze ruimde af en ging zelf eten, dezelfde kost als meneer en mevrouw. Daarna herstelde ze kleren. Om drie uur zat de werkdag erop.

“Een schoon leven was dat. De was en de plas heb ik nooit moeten doen, ik heb mij daar nooit vuilgemaakt.

“Als meneer terug kwam van het paardrijden, moesten zijn pantoffels klaarstaan. De eerste keer was ik dat vergeten, hij riep mij bij zich en zei: ‘Ivonne, nu nog niet, maar de volgende keer fusilleer ik u!’ Om te plagen, hè. Dat waren zulke lieve, eenvoudige mensen. Het waren de beste jaren van mijn leven. Je verfijnt je daar, je ziet alles en met je ogen kun je veel pikken, je bent niet meer dat boerinnetje dat je voordien was.”

Betty: “Onbewust voelde ik als kind toch ook al dat dat twee werelden waren. Mevrouw herinner ik mij nog goed. Een figuur met een hoed, opgemaakt, prachtig gekleed, parels, blond haar dat vanonder die hoed kwam. Ik moest voor mevrouw altijd een revérence maken. Een tijdlang was er ook een gouvernante, Solange, voor de kleinkinderen. Van haar leerde ik ook te vragen om op te staan van tafel, of met een boek op mijn hoofd de trap op te lopen. Voor mij als kind waren dat allemaal spelletjes, maar eigenlijk werden de kleinkinderen op die manier klaargestoomd voor de gebruiken van de adel. Voor Solange moest ik ook altijd een revérence maken. Je kwam niet zomaar voorbij een gouvernante.”

Ivonne: “Een gouvernante, dat was ook goed volk! Hier in het dorp kwamen we de beenhouwersvrouw op straat tegen, met een nertsjas aan. Ik zei tegen Betty: ‘Maak eens een revérence voor madame’, en Betty zei: ‘Nee. Dat is geen madame’.”

Betty: “Blijkbaar moet ik het verschil aangevoeld hebben tussen iemand van adel en een goedboerende zelfstandige. Zij zal wellicht wat te overdreven behangen geweest zijn met juwelen.”

Ivonne: “Toen ik hier weer in het dorp kwam wonen, noemden ze mij ‘die madam uit Brussel’. ‘Ge ziet dat aan u’, zeiden ze, ‘dat ge bij rijke mensen gewerkt hebt’. Ik vond dat een beetje lastig, ja, ik was inderdaad veranderd, maar ik was ook niet van plan om hier weer te worden zoals ik vroeger was.”

Betty: “Ik herinner mij ook dat ik daarop aangesproken werd. Dan had ik een truitje dat de nichtjes ook wilden, dat brachten we dan mee vanuit de stad. Ik vond dat allemaal eerder flatterend, ze keken naar mij op en bootsten mij na. Of later had ik dan een broek met pattes d’éléphant, in het dorp mocht ik daar dan de kerk niet mee binnen, dat was heiligschennis!”

Ivonne: “We hadden een héél goede band met meneer en mevrouw. Bij de eerste communie van Betty zijn ze bij ons komen eten, toen heb je dat prachtige uurwerk gekregen, weet je nog?”

Betty: “Van Baume et Mercier, een klein, fijn, gouden horloge. Meneer en mevrouw waren genereuze mensen, dat is waar. Maar we woonden daar toch wel heel klein, in dat koetshuis, mama?”

Dat is het meest comfortabele interview, natuurlijk. Als je een interviewster samen met haar moeder interviewt, begint ze automatisch zelf vragen te stellen.

Ivonne: “Nu vind jij alles klein, maar in vergelijking met waar wij vandaan kwamen, vonden wij alles heel, heel groot. Het was ook het huis van de knecht waar we in woonden, vanuit de tijd van Napoleon nog, dat is toch ook geen huis van gisteren.”

Betty: “Maar waarom hadden ze geen warm water of centrale verwarming laten doortrekken?”

Ivonne: “Ja, het was maar de knecht die daar woonde, natuurlijk.”

Betty: “In elk geval heb ik aan die kinderjaren bij dat adellijk gezin overgehouden dat ik mij in elk milieu goed voel. Ik ben niet snel onder de indruk van rijke mensen of chique interieurs. Maar ik zal de adel ook niet kleineren, of erop neerkijken, zoals ook vaak gebeurt. Het zal wel nostalgisch klinken, maar ik heb het meer voor de opvoeding en het respect van de adel dan voor het ‘kijk mij eens rijk zijn’ van de parvenu’s. Maar mama, als je nu echt zou willen, mama, zou je dan meer kunnen vertellen over die periode dan wat je nu vertelt?”

Ivonne: “O, al die gesprekken, dat ging het ene oor in en het andere oor uit. Toen de generaal tachtig werd, hoorde ik bij het uitdelen van de drankjes de zoon, Christian, een afspraak maken. Meneer Christian stopte met praten, bekeek mij en zei: ‘Ivonne, tu n’as rien vu, rien entendu!’ Ik zei: ‘Non, monsieur Christian, je ne vais rien dire.’ Elk zijn ding. Ik heb toen niets slechts gezegd, en ik kan nog altijd niets slechts zeggen over mijnheer en mevrouw, ze waren veel te goed voor mij.”

JUNNA, HET MAÏSMEISJE

De processie van Echternach, dat is de zoektocht naar een dienstmeid in het Brusselse. Vertrouwen winnen, weer kwijtraken, terugwinnen en weer kwijtraken. Hedendaagse dienstmeiden hebben niet veel te winnen bij een getuigenis. Vaak zijn ze illegaal in het land en vermijden ze de schijnwerpers liever. Of - horen, zien en zwijgen - hun werkgever zou weleens niet blij kunnen zijn met hun verhaal. Toch steekt Junna, een 37-jarige Filippina, haar nek uit.

“Mijn ouders verbouwden rijst en bonen, deels voor eigen gebruik, deels voor verkoop. We aten maar af en toe vlees. We waren met zes kinderen. Twee van mijn broers werkten al in België als huishoudpersoneel. Met het geld dat zij opstuurden, kon ik dan toch gaan studeren in Manilla.

“Op school werd ik ‘het maïsmeisje’ genoemd, mijn moeder stuurde me maïs op, ik verkocht die aan mijn klasgenoten. Ik vond dat niet vernederend, hoor, ik ben niet het type dat het gevoel heeft zich even rijk te moeten voordoen als een vriend. Met het geld van mijn broers en van de maïs studeerde ik af als computerprogrammeur.

“Ik kreeg dadelijk een jobvoorstel, maar tezelfdertijd werd ik ook zwanger. In plaats van een job kreeg ik een dochter, Frances. Later kwamen Angela, Nicole en Sofia. Mijn man wou graag een zoon, maar het is niet voor ons geweest.

“Mijn man en ik werkten ondertussen bij een bedrijf dat geldtransfers vanuit het buitenland regelt. Met die salarissen konden we wel de dagelijkse noden lenigen, maar ik maakte me zorgen over de toekomst van mijn kinderen. Mijn broer in België vertelde me dat je hier naar Filippijnse normen goed verdient.

“De dag dat ik vertrok, ben ik niet gaan slapen. Ik dacht dat ik dan de moed niet zou hebben om te vertrekken. Ik wilde dat mijn vier dochters zouden slapen op het moment dat ik vertrok. Toch weende ik nog, mijn man zei nog dat ik niet hoefde te vertrekken, maar ik dacht aan de toekomst van mijn kinderen en ik vertrok.

“Op het vliegtuig voelde ik mij een slechte moeder. Wanneer zou ik mijn kinderen terugzien? Zonder papieren zou ik niet zomaar terug kunnen vliegen. Ik wist ook niet wat mij te wachten stond. Enkele postkaarten, dat was mijn kennis van Europa. Ik stapte van het vliegtuig, het was zomer, maar ik had toch een jas nodig.

“Vrienden van de werkgever van mijn zus zochten een huishoudster. Dat werd mijn eerste job hier. Ik startte bij die rijke familie, ze hadden een kasteel rond Luik waar ze tijdens de weekends heen gingen, maar ik werkte in hun huis in Brussel. Ze boden 650 euro, mijn zus kon dat optrekken tot 700. Voor dat geld moest ik schoonmaken, voor de drie kinderen zorgen, en koken. Ik startte om zeven uur ’s ochtends en werkte tot negen of tien uur ’s avonds. Papieren konden ze me niet geven, dat zou te duur worden, zeiden ze.

“Het was geen gemakkelijke tijd. Ik was een bureaujob gewoon, ik moest wennen aan het nieuwe werk. Madame gaf me ook niet veel ruimte, als ik zat te eten, gaf ze me plots toch werk, tijdens de siësta ook.

“Mijn broer en zus zeiden: ‘Wat klaag je veel!’ Ik belde vaak naar huis, de hele meute snel-snel na mekaar, ‘hoe is het op school, mis je mij, hou je nog van mij’. Ik zond mijn gezin geld, maar ik wist dat dat niets was, dat ik beter daar was geweest.

“Op een dag komt de zus van madame langs, ze vraagt mij om de overschot van de kreeft van het diner van de dag ervoor voor haar klaar te maken. Als ze klaar is met eten, zegt ze mij: ‘Eet de rest maar op, anders wordt het toch maar slecht.’ Maar als madame thuiskomt, is ze woedend dat ik het overschotje van de overschot van de kreeft heb opgegeten. Toen voelde ik mij alsof ik geen mens was voor haar, alsof ik geen gevoelens had. Ik wilde ontslag nemen, ze bood mij haar verontschuldigingen aan, gaf mij wat van haar oude kleren, en ik bleef. Na een maand ontsloegen zij mij. Madame zei dat ze een huishoudhulp had gevonden die al papieren had.

“Mijn man wou dat ik terug naar huis kwam, ik wilde blijven, waarom weet ik eigenlijk niet. Ik was hier al geïntegreerd, ik wilde graag ook nog meer verdienen voor de kinderen. Ik vroeg mijn man om nog meer begrip, hij gaf het mij.

“Mijn neef bezorgde me een nieuwe job. De madame was Italiaanse, meneer was van Sri Lanka, hij gaf les aan de ULB. Ze hadden een kind en twee grote honden. Dat waren mijn bodyguards. In dit gezin moest ik ook op zaterdag werken, en daarenboven schreeuwden ze ’s nachts voortdurend tegen mekaar. Wat ze schreeuwden weet ik niet, het was in het Italiaans. Ik verdiende er beter dan op mijn eerste plaats, 900 euro per maand kreeg ik. Maar toen ze een tweede kind kregen, werd het teveel werk, en ik nam ontslag.

“Toen ik in het volgende gezin na twee weken ontslagen werd ‘omdat ik niet goed communiceerde’ met het verwende zoontje, besliste ik om enkel nog deeltijds te werken. Dat was een opluchting, ik hoefde niet meer te blijven slapen, mijn werkuren waren duidelijker, ik kon al eens naar een feestje of een etentje, ondertussen gaf ik ook les in het kerkkoor. Ik verdiende ondertussen ook 10 euro per uur.

“Toen mijn huidige werkgever een gesprek vroeg, deed ik dat dan ook enkel uit beleefdheid. Hij vertelde me dat ik enkel zou moeten babysitten, maar het is heel moeilijk om voor andermans kinderen te zorgen terwijl je je eigen kinderen al zolang niet hebt gezien. Toen hij me verzekerde dat hij mijn papieren in orde zou brengen, besloot ik om het toch te doen. Nu woon ik dus weer in, maar deze mensen respecteren me. Als ik klaar ben met werken, kan ik naar mijn kamer, of op stap. Het zijn heel aardige mensen, en ik verdien 1.200 euro netto.

“Om mijn papieren in orde te brengen, mocht ik, na zes jaar, eindelijk naar de Filippijnen terug. Mijn kinderen wisten niet dat ik terugkwam, bij mijn aankomst lagen ze nog te slapen. Ze sprongen uit bed, recht in mijn armen. Behalve de jongste, die was pas anderhalf toen ik vertrok, ze kent mij eigenlijk enkel van de webcam. Ze ging verbouwereerd naar mijn moeder, die wees naar mij en zei: ‘Dat is je moeder.’ Dat deed pijn. Twee maanden was ik in de Filippijnen terug, daarna vertrok ik opnieuw. De tweede keer vertrekken was nog moeilijker dan de eerste keer.

“Ondertussen leer ik Frans om misschien op een dag te kunnen veranderen van werk, wat beter geplaatst werk doen, misschien opnieuw iets met computers? Ik probeer ook mijn echtgenoot hier te krijgen. De Filippijnen blijven altijd hetzelfde, slechte economie en rotte politiek. Ik wil ook graag dat mijn kinderen overkomen. Ik heb het hen als grap al eens gezegd, maar toen wilden ze graag bij ‘mammie’ - mijn moeder - blijven. Dan ben ik jaloers, ja, op mijn zus ook vaak, zij zorgt ook voor de kinderen. Ik kan het mijn dochters niet kwalijk nemen. Mekaar zes jaar niet zien is heel lang, natuurlijk. Maar misschien is ons gezin op een dag herenigd?”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234