Zondag 25/09/2022

Hugo, kom spoken in Vlaanderen!

Grenzen doden de 'Vlaamse identiteit', zo leert onze kunstgeschiedenis

Mijn leraar retorica bij de jezuïeten heette Daniel van den Bunder, een rasechte Vlaming uit een kroostrijk Roeselaars gezin. Hij gaf les in zes vakken en wijdde die grotendeels aan theater, literatuur en filosofie. Hij voedde ons op tot hommes revoltés, met Camus' boek als voorbeeld. Als verplichte opgave voor het examen Nederlandse literatuur kregen we van Claus Een bruid in de morgen te lezen. Dat was in 1961, ik was zeventien jaar oud, en ik las met gretige ogen. De uitgave die ik toen kocht, bewaar ik als een klein relikwie.

Tijdens mijn studies rechten verloor ik Claus wat uit het oog. Ik werd te zeer opgeslorpt door mijn passie voor de opera. Mijn eerste persoonlijke ontmoeting vond plaats tijdens een televisie-uitzending. Nadien bood ik de meester een lift naar Gent aan. We hebben tot diep in de nacht in de Hotsy Totsy zitten praten. Ik herinner me vooral zijn prachtige taalgebruik, dat me zozeer imponeerde dat ikzelf bijna stotterend mijn ideeën formuleerde. Het is niet mijn bedoeling om mijn persoonlijke ontmoetingen met de kunstenaar Hugo Claus te beschrijven. Ik wil vooral aangeven wat een kolossale kunstenaarsfiguur als Claus ons kan vertellen over de ideologieën die in deze stad na de blijde intrede van het nieuwe stadsbestuur zo belangrijk zijn geworden. Ik wil het hebben over de Verlichting en mei 68, over het ondergeschikt maken van het algemeen belang aan het nationale belang, en over de cultus van de 'Vlaamse identiteit'.

Romantisch elan

Het werk van Hugo Claus neemt deel aan een culturele stroming in Europa die uiteindelijk zou leiden tot mei 68: een beweging die in opstand kwam tegen het naoorlogse Duitse Wirtschaftswunder, tegen de veramerikanisering en de weinig vreedzame dekolonisatie die zowat alle Europese naties op de andere werelddelen hebben uitgelokt. Ze probeerde de kunst, de Europese politiek en die van de natiestaat, zowel als de sociale problemen na honderdvijftig jaar ervaring met de verklaring van de rechten van de mens opnieuw te formuleren. Na de Tweede Wereldoorlog, het zwaarste conflict in de drieduizendjarige geschiedenis van dit continent, begint de Koude Oorlog, met Europa als schaakbord. Op 15 maart 1957 ondertekenen enkele visionaire politici het Verdrag van Rome, het feitelijke begin van de Europese Unie, terwijl intellectuelen en kunstenaars de culturele stroming ontwikkelen die definitief komaf maakt met de cultuur van de bourgeoisie, die zij voor deze ramp verantwoordelijk achten. Hugo Claus en zijn vele Europese tijdgenoten hebben aan dat onbehagen uitdrukking gegeven.

Die burgerij was allang vervreemd van haar verlichte en romantische idealen, zoals we die lezen in Goethes beroemde 'Dem Wahren, Schönen, Guten'. Met haar groeiende welstand had ze waarheid door hypocrisie vervangen, goedheid door paternalisme, en schoonheid door design. Op staatkundig vlak vertaalde deze pervertering zich in een oorlogszuchtig nationalisme, in imperialisme en kolonialisme - met de bekende gevolgen. De beweging van mei 68 zoekt naar de oorzaken van dit debacle, en naar de lacunes van de verlichting. Ze corrigeert de cultus van de ratio en doet dit met een romantisch elan. Dat maakt deze beweging zo fascinerend en terzelfder tijd zo fragiel.

Het is de tijd dat Stanley Kubrick in zijn films de oorzaken van dit morele faillissement analyseert; de vernielende potentie van een permanente vooruitgang, de gewelddadige en perverse gevolgen van seksuele onderdrukking, de brutaliteit van militarisme en oorlog als uitlaatklep. Het is de tijd van Boris Vian in Frankrijk, van Harold Pinter en Peter Brook in Engeland, Heiner Müller in Duitsland en Gombrowicz in Polen. Allen bouwen zij voort op het vernieuwende theater van Antonin Artaud, dat Claus zozeer imponeerde.

De officiële theatertempels werden verlaten. Hetzelfde gebeurde in de beeldende kunsten. Men bouwde musea voor hedendaagse kunst, een term die voor het eerst opduikt. Men rekende definitief af met een versteende traditie waaraan het bourgeois-establishment zich vastklampte. Hierin schuilt ook de reden waarom populistische en traditionalistische politici de nieuwe culturele stromingen die in mei '68 tot uiting komen als avant-gardistisch en elitair bestempelen, wat we vandaag ook beluisteren in het stadhuis van Antwerpen. Strikt genomen gaat het hier om weinig meer dan een eufemistische herhaling van wat de dictaturen van de dertiger jaren Entartete Kunst noemden.

Europese context

De enorme dimensie van Claus' oeuvre wordt pas duidelijk wanneer men het leest binnen de Europese context die ik hier heb geschetst, niet enkel binnen de Vlaamse. Claus beleeft deze direct en neemt ze in zijn Parijse periode in zich op. Ook hij worstelt overigens met de euforie van de verlichting. Het is geen toeval dat hij in die jaren Wozzeck en Dantons Tod vertaalt, profetische werken die de Franse Revolutie vlijmscherp in al haar positieve en negatieve aspecten analyseren.

Al deze invloeden bepalen het experimentele karakter van het festival in Knokke, waar Claus op 30 december 1968 Masscheroen voorstelde; het iconische signaal voor de definitieve ontvoogding van Vlaanderen uit de greep van een obscuur ruraal katholicisme én het definitieve afscheid van een oubollig flamingantisme, dat al zijn heil had gezocht in Vlaanderen voor Christus. Vlaanderen kon nooit meer zijn wat het geweest was: obscuur, verzuild, hypocriet, ongeletterd en bijgelovig - al blijkt er vandaag naar die tijd een nieuwe nostalgie te ontstaan.

Toen Claus Het verdriet van België zijn hoofdroman noemde, was hij intelligent genoeg om te beseffen dat hij zélf het verdriet van Vlaanderen zou worden en definitief als belgicist zou worden gebrandmerkt. Nochtans is deze roman de noodzakelijke bijbel voor al wie zich wil informeren over de Vlaamse identiteit, en niet enkel tijdens de naoorlogse jaren. Het is de bijbel van België, het verdrietige België, het Belgische verdriet, het verdrietig stemmende België, en nog zo veel meer. Je voelt onmiddellijk Claus' adembenemende taalvirtuositeit, net als zijn genoegen om de lezers in een moeilijk te doorgronden labyrint binnen te leiden. Alleen al daardoor positioneert hij zich bij de allergrootsten. Bovendien schildert hij zijn gehate en geliefde Vlaanderen zoals Brueghel dat deed: in al zijn sublieme vulgariteit, waarbij de landbouwer niet eens de val van Icarus opmerkt. Niemand heeft ooit overwogen Brueghel daarom als elitair en vervreemd van het volk te karakteriseren.

Hugo Claus schrijft over Vlaanderen zoals Faulkner over het Amerikaanse Zuiden. Hij zuigt het hele artistieke leven van de jaren 50 in de schilderkunst, de filmkunst, de literatuur en het theater in zich op, waardoor hij 'zijn' Vlaanderen in de internationale kunstenwereld positioneert. Daarmee staat hij symbool voor de heropleving van een internationaal gerichte culturele dynamiek die altijd het hart heeft gevormd van de Vlaamse identiteit, maar die een paar eeuwen lang was stilgevallen. Ze ontstond binnen een typische stedelijke cultuur die we door en door Vlaams mogen noemen.

De Vlaamse steden - en die ontwikkeling loopt parallel met die van de Italiaanse - evolueren zeer snel. Al in de dertiende eeuw knopen belangrijke ambachtsgilden internationale contacten aan om handel te kunnen drijven. Algauw ontstaat bij deze klasse een behoefte aan luxevoorwerpen waarmee zij zich kan profileren tegenover de patriciërs en de heersende vorsten. Daarin ligt de kracht van de Vlaamse identiteit: een visie op civilisatie, goed georganiseerde stadsbesturen, een geraffineerd uitgewerkte verstandhouding met de vorsten en een onovertroffen artisanaal meesterschap. Met Van Eyck in Gent, Memling in Brugge en Van der Weyden in Brussel duiken kunstenaars op wier oeuvre de toenmalige internationale kenners als 'kunst' omschrijven. Vlaamse identiteit heeft dus niet zozeer te maken met het 'schild en vriend' van de Klauwaerts, maar vooral met het woord schilderij, letterlijk het beschilderde schild. Het is Van Eyck die als eerste in Europa de burgerlijke portretkunst ontwikkelt, een artistieke uitvinding die heel Europa heeft veroverd. Maar laat mij er meteen aan toevoegen dat Van Eyck voor kenners schilderde, voor burgers die wisten wat er in de wereld gebeurde en die aan de basis lagen van de renaissance, het humanisme en het Engelse parlement.

De zingende engelen op Het lam Gods leggen de band met de Vlaamse polyfonisten. Tussen 1450 en 1580 veroveren Ockeghem, Des Prez, Willaert, De Rore en Lassus de hele Europese scène, van het Franse hof in Parijs, tot de San Marco in Venetië, van de familie D'Este in Ferrara tot het Vaticaan. Het waren de Vlamingen die een synthese maakten van de Franse, Engelse en Italiaanse polyfonie. Ze gaven aan de muziek een grotere melodische toon en brachten haar van de gemeenschap naar het individu, zoals Van Eyck in zijn portretten een innerlijke leven weergeeft. En dan hebben we nog Jeroen Bosch, wiens Tuin der lusten door Filip II naar Spanje werd gebracht, Brueghel die zijn volk schilderde, en Hugo van der Goes. De Medici vonden in Rubens de meest artistieke ambassadeur die Vlaanderen ooit heeft gekend, en zo waren er vele en vele anderen. Wanneer men het tussen het midden van de vijftiende en het einde van de zeventiende eeuw over 'I fiamminghi' heeft, dan bedoelt men daarmee deze kunstenaars - en niet, met alle respect, Jan Breydel en Pieter de Coninck.

Identiteitscrisis

Tussen het verval van de stad Antwerpen na de sluiting van de Scheldemonding en de nieuwe internationale uitstraling van de Vlaamse kunstenaars rond de voorlaatste eeuwwisseling en de Eerste Wereldoorlog, met Van Ostaijen, Khnopff, Maeterlinck, Verhaeren, Permeke en vele anderen, liggen driehonderd jaar. Er gebeurt veel, zowel in Antwerpen, Gent als Mechelen. Mozart mag de beiaarden van Gent en Antwerpen bespelen. De vader van Beethoven verlaat Mechelen richting Bonn. Maar het kan weinig anders dan opvallen dat Vlaamse kunstenaars internationaal niet langer aanwezig zijn. Vanaf de negentiende eeuw concentreren we ons meer en meer op onszelf. Dat was wellicht noodzakelijk, omwille van onze zoektocht naar een herdefiniëring van de eigen identiteit, omwille van de vraagstelling ook, naar de Belgische natie en de ontwikkeling van de Nederlandse taal. Maar die identiteitscrisis heeft wel degelijk een creativiteitscrisis tot gevolg gehad. We importeerden en imiteerden de nationale stromingen in de kunst, en niet altijd de beste.

Pas wanneer de Vlaamse kunstenaars opnieuw hun voelhoorns over de grenzen heen naar heel Europa uitstrekken, positioneren ze zich weer internationaal. Het verblijf van Van Ostaijen in Berlijn is daarin zeer belangrijk, en zonder zijn belangstelling voor het Parijse theaterleven zou Maeterlinck nooit een Nobelprijswinnaar zijn geworden. Net zoals we in Claus' romans de muziek beluisteren van zijn tijdgenoten in Parijs, Italië, Duitsland, Nederland, Amerika en Cuba. Daarom werd hij de Vlaamse spilfiguur van de culturele stroming die leidde naar mei 68, en ik die zonder omwegen de Clausgeneratie noem.

Dankzij deze generatie spreekt men vandaag opnieuw wereldwijd van 'I fiamminghi', op alle gebieden. Fabre en Delvoye krijgen ruimte in het Louvre. Frie Leysen organiseert het Weense theaterfestival, Van Hove leidt al jaren de Amsterdamse Stadsschouwburg, Guy Cassiers ensceneert Wagner in de Scala, Perceval veroverde alle Duitse theaters, De Keersmaeker en Platel reizen met hun dansvoorstellingen de wereld rond. Mortier, Lanoye, Van Reybrouck worden in alle mogelijke talen vertaald. Serge Dorny leidt de opera van Lyon, Marc Clémeur die van Straatsburg, ikzelf na die van Parijs de opera van Madrid. Zoals de polyfonisten beheersen de Belgische barokmusici de wereldscène, en de Belgische film werd Oscarfähig, enzovoorts... 'I fiamminghi' zijn altijd wereldburgers geweest, en degenen die onze Vlaamse identiteit hebben uitgedragen, wars van grenzen. Ze kennen maar al te goed de woorden van de eminente historicus Eric Hobsbawm: "Als politieke bestemming zijn naties een mythe... Naties creëren geen staten en nationalismen, maar omgekeerd... Ik kan niet nalaten op te merken dat geen enkele ernstige historicus van naties en nationalisme een gedreven politieke nationalist kan zijn. Zoals Renan heeft gezegd: 'Je geschiedenis verkeerd begrijpen, is onderdeel van het natie-zijn'."

Wachten op Godot

Wanneer men dus een nieuwe natie zou willen vormen, zou het de eerste opdracht moeten zijn de bevolking te informeren over diegenen die de identiteit van die natie gestalte hebben gegeven. Dat kan door het creëren van 'plaatsen der herinnering'. Laten we dus alle straten, pleinen en leien tussen de Schelde en de Groenplaats, met het stadhuis in het midden, noemen naar Vlaamse kunstenaars die Vlaanderen zijn ware identiteit hebben gegeven. Wat hebben de Antwerpenaren eigenlijk te maken met Kennedy?

Stel u voor, een Hugo Claustunnel naar Gent, naast de Lode Craeybeckxtunnel naar Brussel. Antwerpen als stad waar literatuur en politiek elkaar de hand reiken. Wellicht zou Hugo Claus nu hebben gezucht: "Ik vrees, het wordt een wachten op Godot." Waarop ik dan zou antwoorden, Cees Notenboom parafraserend: "Hugo, dan wordt het de hoogste tijd dat gij gaat spoken op het schoon verdiep."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234